Hoe de Pieter Zandt worstelt met groeiende problematiek onder jongeren
Van dyslexie tot trauma, van faalangst tot agressie: de problematiek onder jongeren groeit. Kunnen scholen nog iedereen binnenboord houden? Op de reformatorische Pieter Zandt scholengemeenschap in Kampen doen ze een poging. Een blik achter de schermen bij een onderwijsinstelling die er voor elke leerling wil zijn, maar tegelijkertijd worstelt met haar grenzen.

„Het is een kwetsbaar mannetje”, zegt Lubbie Nagelhout nuchter, terwijl ze het dossier van Jochem erbij pakt. Het is dinsdagmiddag en de ondersteuningscoördinator op de Pieter Zandt scholengemeenschap (PZ) zit samen met andere leden van het expertiseteam in een ruimte naast de personeelskamer. Het is zo’n typisch dertien-in-een-dozijnvergaderzaaltje; met tafels in een U-vorm en in de hoek een karretje met frisdrank en voorverpakte koeken.
Binnen de PZ heet het expertiseteam overigens gewoon „het ET”. Mentoren, orthopedagogen, leerplichtambtenaren en ondersteuningscoördinatoren bespreken in dit overleg de leerlingen met wie het op school niet lekker loopt.

Voorzitter Joanne Bouman heeft Jochem als eerste op de agenda gezet. De leerling woont in een pleeggezin, kampt met hechtingsproblemen en heeft een sociale en emotionele achterstand op zijn leeftijdsgenoten. Hele dagen naar school? Dat lukt hem niet. Op z’n best is hij er een halve dag. Momenteel zit hij nog op de basisschool, maar die heeft hem aangemeld bij de PZ.
De twijfel aan tafel is voelbaar. Het is een pittige leerling, vindt Bouman. „Het was wellicht beter geweest als hij al op jonge leeftijd naar het speciaal onderwijs zou zijn gegaan.” Ook orthopedagoog Willemieke Rodenhuis betwijfelt of de scholier klaar is voor de middelbare school. „En we moeten onszelf ook niet overschatten”, zegt Nagelhout.
Ze komen er niet goed uit, op deze zonovergoten middag in april. Niemand vindt de PZ de ideale plaats voor de tiener. Maar alternatieven zien ze ook niet. „Ik zou niet weten naar welke school Jochem anders zou kunnen gaan”, zegt leerplichtambtenaar Jaap Zuijderduijn.
Na lang wikken en wegen stelt Bouman voor het te proberen in de Quvier, een speciale klas binnen de PZ voor leerlingen met gedragsproblemen. Een stemronde volgt. Jochem is welkom.
Inclusief
De zorgen over leerlingen als Jochem zijn niet uniek. Scholen zien steeds vaker leerlingen die het niet lukt zonder extra begeleiding mee te komen in een gewone klas. In april 2025 stuurde staatssecretaris Mariëlle Paul (Onderwijs) een brief naar de Tweede Kamer. Daaruit blijkt dat gemiddeld een kwart tot een derde van de scholieren extra ondersteuning of begeleiding nodig heeft. Soms gaat het om relatief lichte hulpvragen zoals dyslexie of faalangst, maar steeds vaker om trauma’s, gedragsproblemen of heftige psychische klachten.
In de praktijk vertaalt zich dat in een groeiend beroep op leerlingzorg en -begeleiding. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan een grote stelselwijziging. Vanaf 2035 moeten leerlingen met en zonder zorgvraag samen in één klas zitten. Inclusief onderwijs is het doel (zie ”Inclusief onderwijs vraagt meer ondersteuning”).

De PZ loopt op dat streven in zekere zin al vooruit. Als enige reformatorische middelbare school in het noorden wil ze leerlingen zo veel mogelijk een plaats bieden. Een overstap naar een gespecialiseerde onderwijsinstelling in de regio, met een andere identiteit, gebeurt gemiddeld bij twee leerlingen per jaar en alleen als het echt niet anders kan.
Hoe doet deze school dat? En kan het überhaupt wel: alle leerlingen binnenboord houden, terwijl er met steeds meer scholieren wat aan de hand is? Om daarachter te komen trekt het Reformatorisch Dagblad in het laatste kwartaal van het schooljaar 2024-2025 enkele dagdelen op met docent Dirk Jan Janse en ondersteuningscoördinator Lubbie Nagelhout. Ook interviewt de krant Joanne Bouman, beleidsmedewerker leerlingondersteuning, en Arie Trouwborst, directeur onderwijs.
Vraagbaak
Wie op de Kampense locatie van de PZ op de derde verdieping rechts afslaat, ziet een deur met daarop een A4’tje met vrolijke letters: Quvier. Dit is de klas waar leerlingen als Jochem terechtkomen; scholieren die het in de gewone klas niet redden. Dat kan zijn omdat ze bijvoorbeeld last hebben van autisme of ADHD, agressief gedrag vertonen of kampen met depressieve klachten. De Quvier is geen speciaal onderwijs, maar lijkt daar qua aanpak wel op, door de vele individuele begeleiding en aandacht die de leerlingen hier krijgen. Voor de PZ is onder meer deze voorziening een manier om jongeren binnen de school te houden en extra hulp te bieden.

Op het bord staat het dagschema: wie wanneer aanwezig is en welke vakken op het programma staan. Structuur, duidelijkheid en aandacht zijn in de Quvier het fundament, zegt Dirk Jan Janse. Hij is mentor, teamcoach, vervangend teamleider en de vraagbaak voor iedereen die even niet precies weet hoe het nu verder moet met een leerling.
Janse is gefascineerd door gedrag. Vroeger al, toen hij nog in het basisonderwijs werkte, beleefde hij de meeste lol aan groepen waar veel gedoe was. Een leerling is nooit lastig omdat hij graag lastig wil zijn, is zijn overtuiging. „Er zit altijd iets achter gedrag. Het is de kunst steeds uit te vinden wat dat is.”
Onhandelbaar
Het is dit keer onrustig in het lokaal. Dat heeft voor een groot deel te maken met Féline, een leerling met wie de PZ veel te stellen heeft. In een gewone klas lukt het niet meer. In de Quvier gaat het overigens ook niet altijd goed. Maar daar hebben de docenten meer tijd en aandacht voor haar. En snappen ze beter waarom Féline soms doet zoals ze doet.
Dat de tiener vanmorgen nogal bokkig reageert, komt omdat ze naar huis wil. Maar haar schoolwerk is nog niet af en dus zit dat er nog niet in. „Ik ga u nu negeren”, zegt de leerling luidkeels tegen een van de docenten. Kalm geeft die aan dat dat haar niet verstandig lijkt. „En dat weet je zelf ook.” Het is tegen dovemansoren gezegd. Felinés gezicht staat op onweer. Leren gaat niet lukken vanmorgen.
„Bij leerlingen als Féline ondertitelen we continu haar gedrag”, zegt Janse. „Hoor je wel hoe hard je praat?” „Heb je door dat je nogal kwaad overkomt?” Dat consequent benoemen van gedrag –„spiegelen”– is volgens hem nodig om leerlingen inzicht te geven in hoe ze doen. „Deze scholieren gaan later de maatschappij in. Ze moeten leren hoe ze op een normale manier met anderen moeten omgaan. Ook als er dingen tegenvallen of als ze de persoon die tegenover hen zit eigenlijk een grote sukkel vinden.”

Agressief
Terug naar het vergaderzaaltje waar ondersteuningscoördinator Lubbie Nagelhout zit. Daar is inmiddels ook de mentor van Daan aangeschoven. Daan vertoont agressief gedrag en de problemen rond de leerling groeien de school boven het hoofd. De mentor heeft een goede band met hem en kan hem wel aan. Maar bij andere docenten lopen de spanningen op en medeleerlingen voelen zich onveilig. De PZ heeft al een extra stage voor hem geregeld. Maar daar heeft „een incident” plaatsgevonden en was de scholier niet langer welkom.
Hoe nu verder? De school weet het eigenlijk niet zo goed. De ouders hebben na overleg met hulpverlening en gemeente voorgesteld hem op een andere onderwijsinstelling te plaatsen die meer ervaring heeft met leerlingen als Daan. „We zien hem hier niet vooruitgaan”, zegt Nagelhout. „En als docenten op hun tenen lopen en medeleerlingen eronder lijden, wordt het een lastig verhaal. Op zo’n andere school krijgt hij hopelijk wat meer rust. Met therapie erbij lukt het hem later wellicht beter om weer te leren.”
„Weet je hoe de ouders het vinden dat het geen reformatorische onderwijsinstelling is?” vraagt beleidsmedewerker Bouman aan de mentor. „Die zijn thuis heel actief met huisgodsdienst”, zegt zij. „Ik denk dat ze de opvoeding op dat gebied alleen maar intensiveren.”
Instabiel
Arie Trouwborst is directeur van de Pieter Zandt in Kampen en leerlingondersteuning valt onder zijn verantwoordelijkheid. Gelukkig gaat het met de meeste jongeren goed, benadrukt hij. Tegelijkertijd merkt hij dat de problematiek onder scholieren de laatste jaren toeneemt. „Zowel in aantal als intensiteit.” Vroeger zag hij vooral leerlingen die moeite hadden met plannen of last hadden van concentratieproblemen. Tegenwoordig signaleert hij angst, depressie, trauma, ernstig verstorend gedrag en een combinatie van dat alles.
Hoe dat komt? Trouwborst is voorzichtig met harde conclusies. Wel merkt hij dat de instabiliteit in de thuissituaties van leerlingen groeit. Zo neemt het aantal scholieren met gescheiden ouders op de PZ toe. „Daarmee wil ik niet beweren dat echtscheiding gedragsproblematiek in de hand werkt”, benadrukt hij. „Maar de onrust die er soms in de gezinnen is, werkt wel door in het welbevinden en gedrag van leerlingen. Ze piekeren en nemen spanning mee naar school. Of ze reageren zichzelf af door brutaal en verstorend gedrag.”

Quvierdocent Janse herkent het vanuit de dagelijkse praktijk. Zeker de helft van de Quvierleerlingen heeft geen stabiele thuissituatie. Gezinnen waar veel ruzie is, familieleden die bekend zijn bij justitie, lagerbegaafdheid, verstoorde relaties tussen ouders en kinderen: hij begrijpt wel waarom tieners soms volledig overprikkeld op school aankomen. „Dat zou ik ook hebben als ik in hun schoenen stond. Ik zie nogal wat leerlingen die weinig sturing en veel ruimte krijgen. Maar leerlingen hebben duidelijke grenzen nodig. En veel liefde.”
Stage
Deze morgen wil Janse aan scholiere Annefleur vertellen dat hij een stage voor haar heeft geregeld. Annefleur is een leerling die in de Quvier is opgebloeid. „Toen ze hier kwam, kon ik nog geen fatsoenlijk gesprek van vijf minuten met haar voeren”, zegt Janse. „Ze stootte iedereen van zich af, was brutaal en behoorlijk onhandelbaar. Ik heb echt weleens gedacht: gaan we het hier met haar redden?”
Dat denkt hij overigens vaker. „Maar dan zeggen we als docenten tegen elkaar: Gewoon volhouden en rustig en consistent reageren. Met veel tijd en geduld en een beetje humor komen we er vaak wel. Zo ook bij Annefleur.”
Zodra hij met de stage op de proppen komt, trekt de leerling een zuinig gezicht. „Is dat met oude mensen? Want dat kan ik niet.” Gelukkig is een stage om te leren, constateert Janse. „Dus we gaan dit gewoon doen. Het komt echt wel goed.”
Hij ziet veel onzekerheid bij zijn leerlingen. „Het gros van de jongeren in deze klas denkt negatief over zichzelf. Ze hebben weinig eigenwaarde en zien zichzelf als dom. Dat vind ik zorgelijk.” Hij probeert de scholieren altijd te stimuleren dingen wél te doen. „Falen is niet het einde van de wereld. Als het niet lukt, probeer je het gewoon nog een keer. Zwaarder dan dat maken we het hier niet.”
Het negatieve zelfbeeld bij leerlingen is iets wat beleidsmedewerker Joanne Bouman herkent. „Scholieren zien zichzelf als maker van hun eigen succes. Dat legt druk op hen. En ondertussen denken ze dat ze de enige zijn met wie het niet zo goed gaat en hikt een deel van de tieners tegen een burn-out aan.”
De school organiseerde dit jaar trainingen voor leerlingen over mentale gezondheid, in samenwerking met jeugdzorg en gemeente Kampen. Bouman: „Op die manier hopen we in ieder geval duidelijk te maken dat somber zijn erbij hoort. En dat leerlingen zich daar niet voor hoeven te schamen en er hopelijk ook met iemand over gaan praten.”

Trauma
Trajecten op zorgboerderijen, stages bij kappers, speciale klassen: de Pieter Zandt organiseert en regelt het met liefde, zegt Trouwborst. Hij is er sterk van overtuigd dat de school heel veel kan betekenen voor de scholieren. „Het is prachtig als je leerlingen na verloop van tijd ziet opbloeien.”
Tegelijkertijd krabt hij zich weleens achter de oren. „Soms is er op zo veel vlakken iets aan de hand. Het kan bijvoorbeeld zijn dat hulpverlening niet goed op gang komt of een leerling te maken heeft met heftige psychische klachten. Wij proberen zo’n jongere dan zo goed mogelijk op school op te vangen. Maar tegelijkertijd denk ik weleens: is dit nog onderwijs? Of ligt hier toch meer een taak voor de hulpverlening of de gemeente?”
Die grens moet inderdaad wel scherp blijven, vindt ook Janse. „Ik ben als docent opgeleid om voor de klas te staan. Daar hoort natuurlijk pedagogische scholing bij. Maar als leerlingen echt kampen met persoonlijkheidsproblematiek of zaken rond trauma en hechting gaat dat wel mijn pet te boven. Ik ben docent, geen hulpverlener.”

Speciale voorzieningen binnen de school, zoals de Quvier, zijn een gouden greep om reguliere docenten te ontlasten en leerlingen tijdelijk rust, begeleiding en stabiliteit te bieden, is zijn overtuiging. „En ik vind het waardevol dat we leerlingen op deze manier binnen het reformatorisch onderwijs kunnen houden. Sommige scholieren die hier zitten, kunnen mijns inziens ook gewoon echt niet in een reguliere klas functioneren.”
Spanningsveld bij het inrichten van speciale klassen als de Quvier is dat het echte leven zo niet in elkaar zit, zegt Trouwborst. „Hier past de omgeving zich aan de leerlingen aan. Maar in de samenleving is dat natuurlijk anders. En we leiden onze leerlingen wel op tot burger in de maatschappij. We streven er daarom ook altijd naar om leerlingen vanuit de Quvier weer terug te laten keren naar de normale klas.”
Hoewel de Quvier leerlingen veel extra’s kan bieden, lukt het ook daar niet altijd, weet Janse. „In de afgelopen zes jaar is het een keer of vier voorgekomen dat we een leerling niet meer hier konden houden. Daarin moet je als school ook nuchter zijn. Soms moet je accepteren: het stopt hier.”
Chocolademelk
Terug naar ondersteuningscoördinator Lubbie Nagelhout. Ze heeft deze dag een volle agenda, met veel overleggen en vergaderingen. Om tien uur ontvangt ze Lisia en haar ouders. Lisia ligt in de clinch met een van de docenten. Ook kan ze haar schoolwerk niet bijbenen. De leerling frunnikt onafgebroken aan haar armbandje. „Ik word zenuwachtig van dat gepriegel”, zegt haar vader met een glimlach. „Hou er eens mee op.”
Nagelhout heeft voor Lisia een bekertje chocolademelk meegenomen. „Hoe gaat het nu met je?” vraagt ze. „Beter gelukkig”, antwoordt de leerling. „Maar ik heb wel veel stress of het allemaal gaat lukken met schoolwerk.” De leerling reageert soms heftig en boos in de klas. „Wij weten inmiddels wel hoe we daarmee moeten omgaan”, zegt haar vader. „Maar ik snap dat dit voor sommige docenten lastig gedrag is; zeker als je nog tig leerlingen hebt die je die dag moet lesgeven.”

Na het gesprek leunt Nagelhout tevreden achterover. Ze heeft plezier gehad in het overleg. „Je ziet aan alles dat Lisia een goede band heeft met haar ouders. En deze vader en moeder denken constructief mee met school. Dat is heel fijn. Met een beetje extra begeleiding kunnen we leerlingen als Lisia hier een fijne tijd bieden.”
Duur
Naast overleg met ouders heeft de PZ veelvuldig contact met gemeenten. Sinds de decentralisatie van 2015 zijn zij verantwoordelijk voor het bieden van passende jeugdhulp.
De reformatorische school is een streekschool en heeft leerlingen uit 31 verschillende gemeenten, verspreid over 6 provincies. Met sommige gemeenten werkt de school veel samen. Dat is het geval met bijvoorbeeld Zwartewaterland of Urk. Daar komen relatief veel scholieren vandaan die een beroep doen op leerlingbegeleiding. „Dan ken je elkaar en weet je hoe de lijnen lopen”, zegt beleidsmedewerker Bouman. Elke gemeente heeft haar eigen aanpak, verduidelijkt ze. „De ene werkt met wijkteams, de andere met jeugdregisseurs, de derde met weer iets anders. Dat is soms best ingewikkeld.”
Bouman kijkt positief aan tegen het streven naar inclusief onderwijs. „Ik vind het mooi, en ook Bijbels, om juist voor leerlingen die kwetsbaar zijn, te streven naar een goede plek hier op de PZ.” In de praktijk merkt ze wel dat de school niet zelden zelf aan de bel moet trekken als het met een leerling niet goed gaat en extra hulp niet alleen op school nodig is. „Enerzijds snap ik dat wel, want wij zijn vaak de eersten die zien dat een scholier vastloopt. Tegelijkertijd denk ik: als van ons verwacht wordt dat wij leerlingen zo veel mogelijk binnenboord houden, mag een school verwachten dat het initiatief rond begeleiding ook vanuit hulpverlening en de gemeenten komt. Als die samenwerking er is, kan er heel veel.”
Vooruitgang
Terug naar het ET, in het zaaltje naast de personeelskamer. Niek staat als laatste op de agenda. Hij zat in de Quvier, maar volgt nu vrijwel alle lessen weer in de normale klas. De aanwezigen zijn het erover eens: de begeleiding kan worden afgebouwd. „De vooruitgang is enorm”, zegt Nagelhout. „Het komt wel goed met hem.”
In verband met privacy zijn alle namen van leerlingen gefingeerd en zijn details die te herleiden zijn naar specifieke scholieren niet vermeld.




