Mens & samenlevingHet gesprek

Emanuel Rutten: Ik geloof niet dat God in mijn leven ingrijpt

beeld Eran Oppenheimer

In de academische wereld is filosoof Emanuel Rutten een buitenbeentje; hij bedacht tot nog toe dertien argumenten voor het bestaan van God. Maar in christelijk Nederland kleurt hij ook graag buiten de lijntjes.

Rutten (52) woont in het centrum van Amsterdam. Net buiten de grachtengordel. Op een paar kilometer van de Vrije Universiteit (VU), waar de filosoof in de avonduren lesgeeft. Het appartement zit op driehoog in een 19e-eeuws pand. Door de openstaande ramen klinkt het geroep van marktkooplui die beneden op straat hun waren aan de man proberen te brengen.

Binnen staat een laptop op een klein tafeltje – Rutten werkte vandaag vanuit huis. Via Teams laat hij zijn collega’s weten de komende uren niet bereikbaar te zijn, zet een kop thee en neemt plaats in een luie stoel. Algauw ontstaat er een diepgaand gesprek. Over gebed en kerkgang, maar ook over theïstische evolutie en de onredelijkheid van het atheïsme. Onvermoeibaar doet de filosoof zijn denkwijzen uit de doeken. Hij spreekt enthousiast, maakt veel gebruik van armgebaren en herhaalt vaak zinsdelen – die hij de tweede keer dan met extra nadruk uitspreekt. Bijvoorbeeld: „Ik vind het moreel laakbaar; ik vind het moreel láákbaar dat we christelijke jongeren ongewapend het veld insturen.”

Naast zijn werk aan de VU is Rutten ”enterprise architect” bij een internationaal bedrijf dat duurzame mobiliteit faciliteert. Verder is hij onder meer betrokken bij Èthos, een onderzoeksgroep van de VU.

Wat doen jullie daar?

„Èthos is een centrum voor onderwijs, onderzoek en debat over maatschappelijke transformaties. We doordenken de huidige tijd. Wat speelt er? Voor welke uitdagingen staan we? En wat zijn de onderliggende oorzaken daarvan? Dat soort vragen.”

Kunt u een concrete kwestie noemen die jullie nu doordenken?

„We denken bijvoorbeeld over de vraag wat sociale media met mensen doen. Hoe vormen die de manier waarop we in de wereld zijn?”

En? Licht eens een tipje van de sluier op.

„Door sociale media kun je afgeschermd raken van de werkelijkheid. Daardoor kan het zijn dat je wezenlijke ontmoetingen niet meer kunt beleven, niet meer kunt ervaren. Dat je niet meer in staat bent om op een bezielende manier contact te maken met de wereld, omdat je bent gaan leven in een digitale wereld die als het ware geen diepte heeft omdat alles plat, alles informatie, alles data wordt. Kun je nog volwaardig mens zijn als je je helemaal opsluit in zo’n informatie-universum? Dat is zo’n wijsgerige vraag waar we dan met elkaar over denken, en ook met de studenten.”

Heeft u zelf sociale media?

„Natuurlijk. En ik ben er vrij actief op. Maar ik gebruik het vooral in mijn hoedanigheid als filosoof. Ik deel er lezingen en artikelen en probeer op die manier het publiek erbij te betrekken.”

Voelt u een roeping tot publieksfilosoof?

„Nee, ik filosofeer het liefst in de beslotenheid van de VU, afgeschermd van het publiek. Hoewel ik wel regelmatig lezingen geef. En ik treed ook op in bijvoorbeeld podcasts of bij studentenverenigingen. Dat vind ik mooi en leuk en belangrijk.”

Heeft u nog bepaalde nevenfuncties of hobby’s die het vermelden waard zijn?

„Nou, nee. Ik lees veel, maar vrijwel altijd heeft dat met filosofie te maken.”

Dat vertelde uw dochter me ook al: „Hij zit altijd in de boeken.”

„Ja, als ik hier in Oud-West een wandeling maak, heb ik altijd een boek onder m’n arm. Drink ik op een terras een kop koffie, dan zie je mij lezen.

Ik begeleid trouwens ook al heel lang twee leesgroepen in Amsterdam die filosofie lezen. Verder spreek ik af en toe met vrienden af. Daar maak ik echt tijd voor. Maar ook met die vrienden ben ik meestal aan het filosoferen. Ja, ik lééf de filosofie. Dat is m’n hobby.”

Man van middelbare leeftijd met donkerblauw overhemd zit op een stoel; hij heeft zijn handen tegen elkaar gedrukt tegen zijn kin aan. De man staart in de verte. Je ziet hem tussen de bladeren van een plant door.
In een van de gangen van de Vrije Universiteit. beeld Eran Oppenheimer

In een interview met opinieblad De Nieuwe Koers zei u eerder dit jaar dat u uit een „sociaal-katholiek” gezin komt.

„Ja, die term heb ik zelf gemunt. We waren rooms-katholiek, maar het ging mijn ouders daarbij vooral om het sociale contact. In de kerk ontmoetten ze hun vrienden. Wij werden als kinderen natuurlijk meegenomen. Ik zag vooral uit naar het koffiedrinken na afloop, dan was er reuring en gezelligheid. Dan speelde ik buiten met vriendjes.”

U had niet het gevoel dat het in de kerk over dingen ging die het wezen van het bestaan raken?

„Nee, maar ik was ook nog jong. Ik had vooral aandacht voor mijn lego en het spelen op straat.”

Wanneer werd u een studiebol?

„Tot mijn veertiende was ik een dromer, een onzeker jongetje. Ik deed vwo op het Comenius College in Hilversum, maar op school kwam er niet zoveel uit m’n handen. Ik begon achter te lopen, vooral bij wiskunde. In klas 3 kreeg ik bijles in dat vak. Eerst was ik hard bezig om m’n achterstanden weg te werken, maar op den duur kreeg ik het in de vingers en begon het leuk te vinden. Ik werd geraakt door de schoonheid van het vak.”

Na de middelbare school ging u het zelfs studeren. Nu bent u vooral filosoof. Hoe is dat gekomen?

„In 1997 rondde ik de master technische wiskunde af, in Delft. Daarna ben ik in het bedrijfsleven gaan werken, maar bleef in m'n hoofd altijd bezig met wiskunde. En als je over de grondslagen van de wiskunde nadenkt, kom je bij de logica uit. Zo kwam ik bij de filosofie terecht. Intussen was ik ook al bezig met die leesgroepen in Amsterdam, waardoor ik in contact kwam met filosofische geschriften. In 2006 ben ik filosofie gaan studeren aan de VU en daar nooit meer weggegaan.”

U bent als filosoof vooral bekend vanwege uw godsargumenten. Hoe ontstond bij u dat besef dat God bestaat?

„Dat is gekomen tijdens mijn filosofiestudie. We lazen tijdens college de ”Belijdenissen” van Augustinus. De inhoud daarvan raakte mij enorm, op een existentieel niveau. Het was eigenlijk geen lezen meer, maar een gebeurtenis. De Franse filosoof Alain Badiou zou het een waarheidsevenement noemen; een gebeurtenis die zo’n transformatieve kracht heeft dat je daar trouw aan wilt blijven. Dat je daar een zekere dankbaarheid voor voelt en dat je je daartoe wilt blijven verhouden.

Ik las over God Die mens wordt, over Jezus Die onder ons is geweest, maar Die wij niet hebben aangenomen, Die gekruisigd is. Het waren slechts fragmenten tijdens het college, maar die hebben me heel duidelijk gegrepen. Daarna ben ik de auteurs gaan lezen die Augustinus noemt: Markus, Lukas, Mattheüs, de evangeliën. En daarin werd ik echt geraakt door de Persoon van Jezus van Nazareth. Zijn houding, Zijn leer en leven; daar raakte ik zo geïntrigeerd door. Ik voelde een enorm contrast tussen alle filosofen die ik had gelezen en deze geniale Persoon. Hij is van zo’n andere orde. Ik dacht: ik wil meer van Jou weten. Ik ben me in Hem gaan verdiepen, en op een zeker moment ben ik me christen gaan noemen.”

Welke gevolgen had dat?

„Het onmiddellijke gevolg was dat ik in mijn directe omgeving op veel weerstand stuitte. Mensen zeiden in bijna religieuze taal: „Jij bent uit het licht getreden.” Nee, dacht ik, volgens mij is het precies andersom. Maar mede hierdoor ben ik mezelf wel de vraag gaan stellen: is het intellectueel, rationeel gezien gerechtvaardigd om in het bestaan van God te geloven? Zo is het nadenken over godsargumenten begonnen.”

U bedacht inmiddels dertien argumenten voor het bestaan van God. Maar, geloven is toch ook níét rationeel? Geloven gaat toch juist tegen de klippen op?

„Natuurlijk, die kant is er ook. Hoewel ik geloven wel vooral als iets redelijks zie. Als mij duizend keer gezegd wordt: Maar dit of dat is toch irrationeel aan het christelijk geloof? Dan zal ik negenhonderdnegenennegentig keer zeggen: Pardon? Dat is juist redelijk. En dan leg ik het uit. De opstanding van doden irrationeel? Nee, natuurlijk niet. Als God bestaat, kan Hij in Zijn werken ingrijpen, en dus kan Hij doden opwekken. Het is juist irrationeel om te geloven in een God Die dat niet kan.

Maar ik zie zeker ook de dimensie van het onzegbare, het bovenredelijke van God. Zijn wezen zal voor ons altijd een mysterie blijven. Mijn godsargumenten doorgronden het wezen van God niet, ze laten alleen maar zien dát Hij bestaat.”

„Men is bereid om álles te offeren op het altaar van het atheïsme, dat bevreemdt mij”

Emanuel Rutten, filosoof

Maakt het u weleens wanhopig dat atheïsten daar niet aan willen?

„Dat niet, maar in debat over mijn godsargumenten verbijstert het me wel hoever mensen willen gaan om het bestaan van God niet te hoeven erkennen. Dan leg ik een godsargument uit en noem daarbij een paar premissen (uitgangspunten voor een argumentatie, CK). En dan zegt iemand: „Ja, maar die premisse accepteer ik niet.” Vervolgens laat ik de inherente redelijkheid van de premisse zien, maar dan weigeren mensen die redelijkheid te accepteren.

In debat met natuurkundige Bas Haring stond ik op een gegeven moment het bestaan van elektronen te verdedigen. Men is bereid om álles te offeren op het altaar van het atheïsme. Dat bevreemdt mij. Eigenlijk is dat voer voor psychologen.”

Wie is God voor u?

„Hij is de grond van de werkelijkheid, de Schepper van de wereld. Ik geloof in de God van Abraham, Izak en Jakob. Hij houdt mij op de een of andere manier –vraag me niet hoe– in Zijn hand. Al geloof ik niet dat Hij persoonlijk in mijn leven ingrijpt. Dat deed Hij alleen in het kader van de heilsgeschiedenis. Daarom greep Hij in het leven van Abraham, Mozes en de discipelen in.”

Wat betekent het in praktische zin dat u niet gelooft dat Hij in uw leven ingrijpt?

„Dat bidden voor mij danken is. Ik geloof niet dat God in een persoonlijk leven ingrijpt om iets te laten gebeuren, dus waarom zou je erom vragen?”

Conflicteert het Onze Vader dus met uw visie op het gebed?

„Kijk, ik praat nu als een eenvoudige christen. Ik pretendeer geen theoloog te zijn, hoewel ik hier wel veel over nadenk en er ook artikelen over heb geschreven. Maar ik geloof dat God alles al hééft gegeven wat Hij had kunnen geven, namelijk: het Evangelie, Zijn Zoon. Dus ons rest alleen nog maar dankbaarheid. Stel dat ik Jezus nu in levenden lijve zou ontmoeten, wat zou ik Hem dan nog moeten vragen? Niets, echt niets! Er is niets wat Hij ons nog zou kunnen geven.”

„Het past niet zo bij mij om bij een kerk te horen; ik ben tamelijk individualistisch, dat is gewoon hoe het is”

Emanuel Rutten, filosoof

Jezus zegt ons toch Zelf dat we moeten bidden om ons dagelijks brood?

„Ja, je hebt gelijk. Ik wil best erkennen dat hier theologische spanningsvelden kunnen zijn. Maar voor mij voelt het echt zo dat elk vervolgverzoek dat ik zou doen, afbreuk doet aan het gegeven Geschenk. Dat is hoe ik het als christen ervaar. Ik kan wel heel spitsvondig wat Bijbelteksten erbij gaan pakken, en dan kan het zijn dat die teksten moeilijk inpasbaar zijn. Maar dat heb je bij zo veel theologische kwesties.”

U bent geen kerkganger. Waarom niet?

„Het past niet zo bij mij. Ik ben tamelijk individualistisch, dat is gewoon hoe het is. In het dagelijks leven denk ik juist veel over christelijke thema’s na, maar ik ga inderdaad bijna nooit naar een kerk.”

God vraagt van gelovigen om zich bij een kerk te voegen.

„Ja, Christus zegt natuurlijk: „Waar twee of meer in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden.” Twee of meer, dan zit je al snel bij een gemeenschap inderdaad. Maar, ik sta daar gewoon anders in dan reformatorische christenen.”

Geeft de Bijbel u die ruimte?

„Lid van een kerk zijn, moet dat institutioneel of mag dat ook een ruimere interpretatie hebben? Daar hangt het vanaf.”

Christus draagt Zijn kinderen op om het Heilig Avondmaal te vieren: „Doet dat tot Mijn gedachtenis.” Dat kan alleen in een gemeenschap.

„Ja, dit is wel een spanningsveld voor mij. Zeker.

Het zijn heel terechte vragen die je stelt, maar het christendom is natuurlijk ook een heel palet aan kleuren en tinten. Het is niet één richting. Als je naar mij kijkt, ben ik op een aantal punten heel traditioneel christen. Mijn geloof is orthodox; ik geloof in een historische zondeval en in een fysieke opstanding uit de doden. Er zijn ook christenen die wel naar een kerk gaan en niet in een historische zondeval geloven. Dus er zijn verschillende dimensies; je hebt geloofsinhoud en rituelen. En op het gebied van rituelen ben ik dan niet zo traditioneel, nee.”

Geloof en werken moeten toch in lijn met elkaar zijn? De apostel Jakobus zegt: „Toon mij uw geloof uit uw werken.”

„De vraag is dan natuurlijk: wat zijn die werken?”

Alles wat God in Zijn Woord van ons vraagt. Bijvoorbeeld op het gebied van het huwelijk. U bent getrouwd, gescheiden en woont nu samen met uw vriendin. Dat gaat toch tegen de Bijbelse norm in?

„Zo zie jij dat. Maar, laten we het eens over de Bijbel hebben. Ik zie de Bijbel niet als een boek dat rechtstreeks is gedicteerd door God; het is geschreven door mensen die door de Heilige Geest geïnspireerd waren. Dat betekent dat de essentiële waarheden absoluut zijn, want het is door de Heilige Geest geïnspireerd. Maar het is wel door ménsen geschreven, en daarom geloof ik niet in een absolute onfeilbaarheid van de Bijbel. Ik probeer de Bijbel te begrijpen vanuit een hermeneutiek die recht doet aan de cultureel-historische context. Dus er zijn meerdere interpretaties mogelijk, en daar kun je over discussiëren. Maar er is wel een hermeneutische ruimte waarin verschillende perspectieven als redelijk kunnen verschijnen en met elkaar in gesprek kunnen gaan.”

Maar het zevende gebod is toch rechtstreeks door God gedicteerd?

„Natuurlijk, daar zit niet de hermeneutische spanning. Maar ja, er zit altijd licht tussen de leer en het leven. De leer is het ideaal, het richtsnoer; het leven zit vol struikelingen. Dat er vaak een discrepantie tussen leer en leven bestaat, dat zit volgens mij in de natuur van de mens. Dat is eigenlijk tragisch, maar dat is wel de pragmatiek van het leven.”

Twijfelt u er weleens aan of uw opvatting over hermeneutiek klopt?

„Ik pretendeer niet dat ik het op een rijtje heb. Maar het mooie aan het christelijke mensbeeld is dat het ruimte laat voor de imperfectie van de mens. Toen ik me in het christendom verdiepte, gaf dat me juist ruimte. Ik las over tekort, over zonde, over gebrek, en ik dacht: dit gaat over mij. Dat het christendom de imperfectie thematiseert, maakt het juist zo’n adequate religie.”

U geeft lezingen in allerlei kerken en op christelijke studentenverenigingen, ook voor reformatorisch publiek. Hoe is uw ervaring met die groep?

„Wat ik heel plezierig vind is dat die mensen een tekst kunnen lezen, scherp kunnen nadenken, met abstracties om kunnen gaan, bereid zijn zich in te spannen. Met protestanten kun je praten.”

Wat richten uw godsargumenten uit?

„Met enige regelmaat spreek ik mensen, ook wel studenten, die vertellen niet meer in God te geloven vanwege een bepaald bezwaar. Dat zijn vaak bezwaren die ik met mijn argumenten eenvoudig kan ontkrachten. Veel mensen vallen van hun geloof vanwege een gebrek aan kennis.

Voor mij heeft dit een morele dimensie. Ik vind het moreel laakbaar dat jongeren in een geloofsgemeenschap meestal te weinig intellectuele bagage meekrijgen om de meest eenvoudige bezwaren tegen het bestaan van God te weerleggen. Daardoor worden ze ongewapend het veld ingestuurd. Ze zijn dan bang voor de rede, voor rationaliteit. Als ze later in een universitaire omgeving komen en de minste of geringste spitsvondige atheïstische opmerking horen, hijsen ze gelijk de witte vlag.”

Waar zou u voor pleiten?

„Dat een kerk iets organiseert om apologetiek te thematiseren. Laten we niet neerbuigend doen over de rede, zo van: die godsargumenten zijn niet het ware geloof. Dat vind ik echt problematisch.”

In eerdere interviews vertelde u in theïstische evolutie te geloven. Wat is er rationeel aan het geloven in de evolutietheorie? Waarom zou de goede God het lijden en sterven van miljarden wezens gebruiken om iets goeds te scheppen?

„Misschien omdat het metafysisch onmogelijk is om bewustzijn te laten ontstaan in een wereld zonder wrijving. Dat daarom dus al dat leed nodig was, om tot dat goede te komen, namelijk: de mens met bewustzijn.

Daarnaast, ik vind het thema van de uitverkiezing heel belangrijk. God koos het volk Israël, Jezus kiest de discipelen. Ik plaats het één stap terug: voordat God Abraham koos, heeft Hij de menselijke soort uitgekozen als de soort waaraan Hij Zich bekend wilde maken.”

Dus God heeft niet iets goeds gemaakt, maar Hij verkoos de menselijke soort om de goede soort te zijn. Dat staat toch haaks op de Bijbelse waarheid dat heel Gods schepping volmaakt goed was?

„Nou, ik lees Genesis 1 niet als een letterlijk historisch verslag.”

Wat geeft u aanleiding om dat niet te doen? Genesis is qua genre historisch.

„Ja, dan kom je weer bij die hermeneutiek. Ik zie dat dus anders, en veel christenen met mij. Ik zie het genre van Genesis meer als een verhaal van God Die de wereld en de mensheid schept en van de mensheid die zich van Hem afkeert. Dáár gaat Genesis over. Het is geen natuurkundeboek.”

Dat stelt ook niemand. Genesis 1 vertelt dat God schiep door te spreken. Zo openbaart Hij Zich in de hele Bijbel. Jezus zegt: „Lazarus, kom uit!” en Lazarus kómt uit het graf. Waarom zou dat dan in Genesis 1 niet kunnen?

„Ja, oké. Ik zeg niet dat jouw lezing niet verdedigbaar is, maar laat mij dan ook mijn lezing hebben.”

„Het gaat mij er niet a priori om dat iemand op andere gedachten komt, maar het gaat me om de schoonheid en waarachtigheid van de dialoog”

Emanuel Rutten, filosoof

Waar ziet u naar uit als het gaat om de eeuwigheid?

„Ik geloof dat God mij ook na de dood in Zijn hand zal houden. En hoe dat er dan uitziet, daar doe ik geen uitspraak over.”

Na dit leven zal iedereen erkennen dat God bestaat. Geeft dat u rust?

„Nee, zo zit ik er niet in. Het gaat mij er niet a priori om dat iemand op andere gedachten komt, maar het gaat me om de schoonheid en waarachtigheid van de dialoog. Het bezielt me, de schoonheid van de metafysica.”

Populaire artikelen