Mens & samenlevingHet Gesprek

Ahmed Aboutaleb: uit de penarie, op het podium

beeld Cees van der Wal

Als jongetje van een jaar of zes sjouwde Ahmed Aboutaleb door de heuvels van het Marokkaanse Rifgebergte naar de waterput. Met een ezel en aarden kruiken die hij nauwelijks kon tillen. Nu herkent iedereen deze man als hij door Rotterdam fietst en begroeten mensen hem joviaal bij de snackbar in het Kralingse Bos, waar het interview plaatsvindt.

Ze zijn hem niet vergeten, nadat de burgemeester vorig jaar zijn ambtsketen aflegde. Aboutaleb (64) lijkt nog altijd verwonderd dat hij het zover schopte. „Zo vergaat het migranten zelden”, zegt hij, niet zonder trots. „Dat je opgroeit in de penarie en uiteindelijk in het centrum van de macht terechtkomt.” Het is ook de reden dat hij zijn verhaal op papier zette. Deze week verscheen zijn autobiografie onder de titel ”Thuis”.

Aboutaleb hoopt dat zijn boek laat zien hoe gecompliceerd het is om in een nieuwe samenleving vanaf nul te beginnen. Maar ook dat de hordes die je moet nemen nooit een excuus zijn om dat niet te doen. En die hordes kent hij als geen ander.

Als een kat uit de Afrikaanse rimboe die op Schiphol wordt losgelaten – zó voelde de 15-jarige Ahmed zich toen hij voet op Hollandse bodem zette. Huilend van heimwee lag hij soms op bed in het ijskoude huis in Den Haag waar hij met zijn vader, moeder, broertje en vier zusjes ging wonen. „Ik zag hier de vrijheid, maar voelde haar niet”, schrijft hij.

Hoe kwam dat?

„Waar begin je? Ik had gedacht dat papa de weg wel zou weten. Dat hij mij naar een school zou begeleiden. Maar het was één groot zwart gat. Wáár begin je dan?

Ter voorbereiding op de reis had mijn vader (die al jaren als gastarbeider in Den Haag werkte, ALV) ons een viewmaster, een soort kijkdoos met dia’s, gegeven. Met plaatjes van de Keukenhof, het Binnenhof en kinderen die schelpen rapen op het Scheveningse strand. Zo’n paradijs ga ik aantreffen, dacht ik. Ik trof het niet aan.

We woonden in een oud, tochtig huis, waar in de winter ijsbloemen op het raam stonden. Als ik boven huiswerk maakte, was dit mijn verwarming”, zegt hij, terwijl hij zijn handen stevig om de kop earlgreythee voor zich vouwt.

Wat maakte dat u uiteindelijk een plek in de Nederlandse samenleving vond?

„Een optelsom van veel zaken. Allereerst: wilskracht. Ik groeide op in armoede en zag mijn ouders daarmee worstelen. Een brandertje in mijn lijf zei dat ik die sociale achterstand van mijn familie van me kon afschudden. Van meet af aan realiseerde ik me dat het onderwijs de enige weg naar een beter leven was.

Iemand op papa’s werk vertelde over een technische school in onze buurt: „Je zoon kan vakman worden.” Daar ging ik dus heen. De directeur stuurde me echter eerst naar een vormingsinstituut voor werkloze jongeren om Nederlands te leren. Als ik de taal onder de knie had, mocht ik terugkomen. Ik kocht een lesboek bij V&D, hield er een woordenboek en een krant naast. Na een halfjaar enorme inspanning kon ik alsnog naar de lts.

Wat ook hielp, waren de lieve, aardige mensen die me coachten, stimuleerden, aanspoorden. De groep christelijke vrijwilligers uit de wijk die mij taalles gaven. Meneer Kaptein, mijn wiskundeleraar, die mij inspireerde de juiste opleiding te kiezen. En mijn partij, de PvdA, die me hielp ontwikkelen in politiek en bestuur.”

Uw boek begint met het overlijden van uw vader, twee weken na uw afscheid als burgemeester van Rotterdam. Heeft hij daarin ook iets betekend?

„Jazeker. Mijn vader kon als een van de weinige mensen in de familie lezen en schrijven; hij had het geleerd toen hij als imam opgeleid werd. Voor mij vormde hij een lichtend voorbeeld van wat kennis met mensen kan doen. Ik had altijd fantastische gesprekken met papa. Als we met de auto naar Marokko gingen, vertelde hij verhalen van de profeten. Niet om de tijd te doden, maar als inspiratie om goed te zijn en goed te doen. Dat vormde mijn geweten.”

Kwam dat later van pas in uw werk als burgemeester?

„Het was een agenda waar ik nooit over sprak. Dat is not done als burgemeester: je bent dienaar van de democratie, je staat boven de partijen, je bent het boegbeeld van de stad. Maar dat innerlijke geweten is er natuurlijk wel. Met mijn vader sprak ik over een zinsnede waarmee God Mozes naar de Farao stuurde. Wat ik zo geweldig vind: Mozes moest de Farao niet vertellen dat hij een vreselijke man was. Nee, ze moesten iets aardigs, iets zachts zeggen. Tegen een moordenaar! Aardig zijn wanneer je tegenover iemand staat, dat raakt mij.”

U stond er juist om bekend dat u ook fel en hard kon zijn, bijvoorbeeld na de aanslag bij het satirische weekblad Charlie Hebdo en de moord op filmmaker Theo van Gogh. U zei dan tegen moslims: Als je geen kritiek op religie kunt verdragen, pak je je koffers maar.

„Dat is onderdeel van zacht zijn. Kijk, het is belangrijk om grenzen af te bakenen. Hier bepaalt de Grondwet onze vrijheden. Die vrijheden zijn bedoeld om zwakkeren te beschermen. Religieuze en culturele minderheden zijn daar dus per definitie bij gebaat. Zonder de vrijheid van godsdienst konden moslims geen eigen moskee bouwen. Koester dat, zeg ik dan. De Grondwet beschermt je niet als je mensen wilt uitmoorden die gebruikmaken van hun vrijheid om te tekenen en te schrijven. Dus als de vrijheden in dit land je niet aanstaan, wat doe je hier dan? Bij Charlie Hebdo heb ik daar krasse woorden aan toegevoegd: „Rot toch op.” Dat is geen bestuurlijke taal.”

Hebt u spijt van die woorden?

Beslist: „Nee. Maar ik zou ze niet elke dag willen gebruiken. Er is een mooie Marokkaanse uitdrukking: Ik wil je kauwen, maar niet slikken. Het is goed dat ik in die periode mensen heb gehusseld, misschien even kwaad gemaakt. Zie het als een eenmalige uiting van boosheid en frustratie, die laat zien dat je een mens van vlees en bloed bent.”

Zulke stevige taal hoor je zelden bij de PvdA.

„Bij wie wel? Niemand kon destijds doen wat ik deed. Dat durf ik stellig te zeggen. Anderen hadden het gezag niet. Dat je mensen aanvoelt, de stad aan je voeten ligt, dat je met zo’n achtergrond in zo’n positie zit. Soms ligt gezag niet besloten in macht, maar in een mens, een persoon.

Na Charlie Hebdo leidde ik bijeenkomsten in de stad om met burgers te praten over hun pijn. Moslims vreesden aangekeken te worden op de moordpartij. Mensen, vooral ouderen, lagen op mijn schouder te huilen. Ze wisten zich geen raad met hun gevoel, maar hadden een burgemeester die ze konden vastpakken. Aandoenlijk vond ik dat, prachtig. Het heeft ook iets met mij gedaan. Besturen gaat niet alleen over ratio, maar ook over emotie. Neem mensen die ten aanzien van asiel en migratie met hun ziel onder de arm lopen, boos en angstig om hun identiteit te verliezen. Ik kan je verzekeren: van links tot rechts worden nu geen betrouwbare oplossingen aangedragen voor hun pijn.”

Is uw partij niet te lief op dit punt?

„We zijn te weinig in staat antwoorden te vinden, bijna onmachtig. Alle partijen, ook de PvdA, mogen wat mij betreft beter kijken hoe ze het land stabiel kunnen houden, gevoelens en pijn van burgers kunnen managen en er zo voor zorgen dat we minder verdeeld zijn in kampen.”

Terug naar uw immigratie. Als 15-jarige kwam u vanuit een conservatieve, islamitische omgeving terecht in een seculier land met christelijke wortels. Was het moeilijk uw geloof vast te houden?

„Ten eerste geloof ik niet dat Nederland vergaand seculier is. Zeggen dat je iets met religie hebt, is hier taboe. Je wordt dan al snel voor achterlijk versleten. In Rotterdam heb ik altijd openlijk gezegd dat ik een belijdend mens ben. Ik heb geen zendingsdrang, maar ga door het leven zoals ik denk dat goed is.

Als student las ik het boek ”Einstein en het heelal”. Ik ontdekte dat de wetenschap, hoe waardevol ook, grenzen kent. Wat we weten, is het topje van een ijsberg. Daarom ben ik bereid mij over te geven aan een hogere macht. Daar begint geloof.”

Maar welke invloed had het wegvallen van vanzelfsprekendheden? U schrijft bijvoorbeeld dat u in Nederland voor het eerst ongesluierde vrouwen op straat zag lopen.

„Rond mijn twintigste heb ik een korte periode van twijfel gehad. Tijdens het schrijven van mijn boek heb ik me afgevraagd wat daarvan de reden was, maar die kon ik niet meer reconstrueren. Dus dat heb ik weggelaten.”

„De omgeving interesseert me geen jota. Van kinds af aan vond ik wat anderen deden niet relevant”

Ahmed Aboutaleb, oud-burgemeester Rotterdam

Wat maakte dan dat u toen niet afhaakte, terwijl de omgeving…

„De omgeving interesseert me geen jota. Ik leg alleen verantwoording af aan mezelf. Van groepsdruk heb ik nooit last gehad. Van kinds af aan vond ik wat anderen deden niet relevant. Op de lts bleef ik in de lunchpauze in de klas bij meneer Kaptein populair-wetenschappelijke blaadjes lezen. Een grote groep ging bij een meisjesschool in de buurt de bloemetjes buiten zetten. Ik begreep dat niet. Waarom zou ik me bij hen aansluiten en zij zich niet bij mij?”

Voor uw vader hadden bijna alle strofen uit de Koran betekenis. Is er een passage die u erg aanspreekt?

„De aansporing richting Mozes: „Wees oprecht en doe zoals u is opgedragen.” Deze zin bepaalt niet wíé heeft opgedragen. Ik vertaal die onbekende als je geweten. Je geweten draagt het je op. Waarom ben ik met mijn geweten burgemeester geworden en Holleeder crimineel? Hoe is dat geprogrammeerd?

De opdracht is: oprecht zijn. Daarin zit het woordje recht. Recht doen, recht spreken, oprecht zijn. Dat vond ik voor mijn professioneel bestaan een belangrijke aansporing.”

U wilde ambt en geloof gescheiden houden. Maar het heeft dus alles met elkaar te maken?

„Je bent gebakken zoals je gebakken bent. Maar ik kan niet zeggen: Mijn geloof zegt linksaf en de Grondwet rechtsaf, dus ik ga links. Dat kan niet.”

Voelde u daar weleens spanning bij?

„Nooit. Voor mij lagen beide zaken in elkaars verlengde. De Nederlandse Grondwet komt uit een christelijke traditie. En het Boek der christenen is ons voorgegaan. Ik heb de Statenvertaling thuis, die heb ik gelezen om de verschillen en overeenkomsten met de Koran te ontdekken. Als je de Koran goed bestudeert, liggen de vrijheid van meningsuiting en godsdienst daarin al besloten. Helaas is er onder moslims onwetendheid over hun eigen Boek. Slechts weinigen hebben toegang tot de Arabische teksten. Gelukkig kan ik ze wel lezen.”

Dat leerde u op de Koranschool. Daar hebt u niet zulke positieve herinneringen aan.

„Niet zozeer aan de school, maar aan de imam. Een gewelddadige man.” Hij trekt z’n colbertjasje uit, peutert de knoopjes op de mouw van zijn overhemd los en trekt de manchetten omhoog. „Kijk, dit litteken heb ik nog steeds. Van een olijftak waarmee de imam me sloeg. Het verdwijnt nu een beetje in de rimpels op m’n arm.”

„Bijzonder vond ik dat er in alle kerken voor mij werd gebeden, terwijl ze natuurlijk weten wie ik ben”

Ahmed Aboutaleb, oud-burgemeester Rotterdam

Uw kinderen gingen naar een christelijke basisschool. Vond u het niet ingewikkeld als zij daar bijvoorbeeld hoorden over Jezus als Zoon van God?

„Ik ben er voorstander van dat kinderen naar school gaan in hun eigen buurt. Het is ook goed dat zij weten wat in de christelijke wereld de opvatting is over Jezus Christus. Wij vertelden thuis wat ons verhaal is over Jezus. Belangrijk is dat je de omgeving begrijpt waarin je opgroeit of een positie hebt. De Nederlandse wetgeving stikt van de christelijke overwegingen – denk aan de zondagswet. En de Nederlandse taal kent ongelooflijk veel christelijke uitdrukkingen. In Rotterdam woonde ik kerkdiensten bij van alle genres. Zo zat ik in een gereformeerde gemeenschap in Prins Alexander op een houten bankje naast iemand die mij wegwijs maakte in de Bijbel.”

Hoe hebt u die dienst ervaren?

„Heel mooi. Bijzonder vond ik dat er in alle kerken voor mij werd gebeden, terwijl ze natuurlijk weten wie ik ben. Een gereformeerde mevrouw uit Prins Alexander, die zes of zeven kinderen had, stuurde mij elke Kerst een fantastisch mooie kaart, zelf gemaakt en versierd. Ook in Joodse gemeenten heb ik gebedsdiensten bijgewoond.”

Namen moslims u dat niet kwalijk?

„Eén keer, bij de eerste Chanoekaviering op straat. Ik had de Joodse gemeenschap beloofd voor hun veiligheid te zorgen en kreeg toen de eer om de middelste menora aan te steken. Daarbij droeg ik een keppeltje. Over de foto die daarvan rondging, werd schande gesproken. Mijn alibi was eenvoudig. Ik wees op een foto van koningin Beatrix die gesluierd en blootvoets de grootste moskee van Oman bezocht. Mijn boodschap: je hebt je bij zo’n bezoek te schikken naar de waarden van de groepering, uit respect.”

Toen u in 2007 staatssecretaris werd, diende de PVV een motie van wantrouwen in vanwege uw dubbele nationaliteit. Die motie hangt als „een trofee” op uw werkkamer, vertelt u in het boek. U lijkt niet snel uit het veld te slaan.

„Ik had erop gerekend dat ik ooit zo’n motie op valse gronden zou krijgen, maar niet zó snel. Normaal gesproken dien je zo’n motie in tegen iemand die een wanprestatie heeft geleverd, maar ik was nog niet eens begonnen. Ik moest door een donkere tunnel heen, want het is niet prettig als iemand aan je twijfelt vanwege je afkomst. Geert Wilders was trouwens niet de eerste. Pim Fortuyn had al eens gezegd dat hij zou migreren op het moment dat een moslim toetrad tot het kabinet. Hij was amper begraven of zijn nazaten belden me of ik voor de LPF in het kabinet wilde. Maar het laatste wat ik wilde is als een soort schaamlap dienen voor beleid dat mensen uit elkaar speelt.”

Toch is het opvallend dat u niet gelijk nee zei.

„Ik was nieuwsgierig naar hun overwegingen. Als ik het gesprek niet was aangegaan, had ik hun motieven nooit geweten. Maar nee, er was totaal niets wat mij in de LPF aantrok.”

Bij uw installatie als burgemeester kwam Leefbaar Rotterdam met een envelop waarmee u uw Marokkaanse paspoort kon retourneren. Hoe hebt u dat soort pesterijtjes, zoals u ze in uw boek noemt, ervaren?

„Ook dat had ik verwacht, maar niet op dat moment. Ik vond het je reinste belediging. Maar het was voor mij nooit een reden om de partij tegen te werken. Het is goed mensen te blijven beoordelen op hun daden – iets wat zij bij mij niet durfden.”

U bent nooit echt vrienden geworden met Leefbaar.

„Niet echt, nee. Het was geen oorlog, hoor. Maar hoe Leefbaar zich profileerde, vooral op veiligheidsterrein, leidde tot frustrerende debatten in de gemeenteraad. Zo wilde de partij etnisch profileren bij het bestrijden van criminaliteit, dat ik de zwarte jongens eruit liet halen. Terwijl ze drommels goed wisten dat je volgens de wet alleen mensen mag aanhouden bij een redelijk vermoeden van een strafbaar feit. Ingrid Coenradi, die later staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd in het kabinet-Schoof, stond vaak tegenover mij met dit soort voorstellen. Bij haar afscheid heb ik gezegd: „Je hebt nu de macht om te realiseren wat je steeds van mij verlangde.” Ze heeft er niks van geregeld. Ik vind het kwalijk dat politici soms ogenschijnlijke vijandigheid creëren om zichzelf te positioneren. De mainstream kiezer denkt dan: die Aboutaleb staat dat allemaal in de weg. Terwijl de Grondwet het in de weg staat.”

U beschrijft in uw boek hoe u het klimaat in de politiek en de samenleving zag verharden na de aanslagen op 9/11 en de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Hebben deze gebeurtenissen uzelf ook veranderd?

„Ja, ik heb ongelooflijk veel geleerd. Ik heb altijd geprobeerd populisme en radicalisme te begrijpen. Zónder daar ooit begrip voor te hebben. Begrijpen is het begin van de zoektocht naar een oplossing. Zo ontdekte ik dat de keuze van geradicaliseerde jonge mannen om naar het kalifaat af te reizen niets te maken had met achterstelling of armoede. Van de ene op de andere dag vertrokken soms mannen met een gezin, goede baan, huis en auto.”

„De allerallerallerzwaarste crisis in mijn burgemeestersambt was corona”

Ahmed Aboutaleb, oud-burgemeester Rotterdam

Wat kon u daar dan mee als burgemeester?

„Ik pretendeer niet dat ik altijd oplossingen had. Je kunt niet onderhandelen, maar wel praten met mensen die hun opvattingen hebben gebouwd op drijfzand. Zo vroeg een Turkse moeder mij om hulp omdat haar dochter naar het kalifaat wilde. Samen met Binnenlandse Zaken liet ik haar paspoort ongeldig verklaren. Het gesprek met dat meisje zal ik nooit vergeten. Ik vroeg wat ze met het paspoort wilde. „Mij identificeren om sigaretten te kopen”, zei ze. „Maar wat dacht je dat het kalifaat vindt van vrouwen die roken?” vroeg ik. „Is dat dan een probleem?” zei ze. Zo’n gesprek is bijna maatschappelijk werk. Maar ik vond het niet te min om het te doen.”

Na de aanval van Hamas op Israël weigerde u de Joodse vlag te hijsen. Zelfs een verzoek van premier Rutte legde u naast u neer. Waarom maakte u toen geen statement, zoals bij eerdere polariserende gebeurtenissen?

„Ik beriep mij op het protocol dat de gemeenteraad had goedgekeurd. Daarin staat dat we de vlag niet hijsen als dat de stad verdeelt. In dit geval zou het mensen niet verenigen. Het college was verdeeld, de raad was verdeeld, de stad was verdeeld. Dan moet je als burgemeester je plek kennen. Ik ben blij dat ik het niet gedaan heb. Het boeide mij niet zo dat rechts Nederland erover op de trom sloeg. Ik heb altijd nog een geweten. Een aantal Joodse leiders liet me weten dat ze het in het kader van de sjalom een wijs besluit vonden.”

Wat vond u het zwaarste van het burgemeestersambt?

„’s Nachts gebeld worden. Psychiatrische patiënten laten opsluiten. Maar de allerallerallerzwaarste crisis was corona. De democratie werd stilgelegd, vrijheden van burgers werden lam gelegd. Ik had te maken met een samenleving die verlost wilde worden van al die maatregelen. Tegelijkertijd belde de GGD elke dag met tien, twintig, dertig doden. Dát dilemma.”

Zijn er dingen waarvan u achteraf zegt: met de kennis van nu hadden we dat anders moeten aanpakken?

„Ik denk dat we dicht zouden blijven bij wat we toen gedaan hebben. Misschien die nachtelijke sluitingen niet. Maar destijds waren we wanhopig op zoek naar wat werkte.”

In januari 2021 liep een demonstratie tegen de avondklok in Rotterdam-Zuid compleet uit de hand. Relschoppers sloegen ruiten in, plunderden winkels, sloopten tramhaltes. De volgende ochtend maakte Aboutaleb een filmpje tussen de ravage, waarin hij de raddraaiers glimlachend aansprak. „Hoe ben je nu wakker geworden? Goed gevoel? Dat je je stad naar de vernieling hebt geholpen? De stad die jou groot gemaakt heeft?”

Het filmpje werd miljoenen keren bekeken, kreeg van alle kanten lof en waardering. Het deed denken aan zijn speech in de Al Kabir-moskee kort na de moord op Van Gogh. Aboutaleb, toen wethouder in Amsterdam, verwierf er landelijke bekendheid mee. Hij sprak zich stevig uit tegen geloofsgenoten die meenden vanuit de islam een moord te kunnen rechtvaardigen.

Kort na de moord op Van Gogh in 2004 werd u persoonlijk beveiligd, en dat zou de rest van uw loopbaan zo blijven. Dat moet enorme impact hebben gehad, op u en u gezin.

„Destijds dacht ik dat het een paar weken zou duren. Frustrerend was dat het gebeurde nadat ik mijn nek uitstak om Amsterdam stabiel te houden. Ik voelde de trillingen van de stad onder mijn voeten. Over mijn eigen veiligheid heb ik geen nachtmerries gehad, maar mijn gezin heeft er enorm onder geleden.”

Als u terugkijkt: was dat het waard?

„Ja, absoluut. Ik zou het zo weer doen. Soms lijkt het alsof ik mezelf op de borst klop, maar in alle bescheidenheid: het was het waard, want burgemeester Job Cohen en ik hebben Amsterdam er in die periode doorheen gesleept.”

Hoe hield u het zelf vol?

„Op de speech die ik na de moord in een moskee hield, had Cohen in de kantlijn ”moedig” geschreven. Dat vergeet je niet snel. Samenlevingen hebben moedige mensen nodig, die doen wat moet. Er zijn genoeg mensen die een handtekening kunnen zetten, geld uitgeven, besturen. Maar dat is nog geen leiderschap. Nee, je moet een stap naar voren zetten. Verantwoordelijkheid voelen is belangrijker dan verantwoordelijk zijn.”

Populaire artikelen