Kerk & religieRecensie

Prof. De Vries: Wie het met Van den Brink oneens was, zal dat blijven

Het was een verstandige keuze van de auteur om het advies om de titel van het boek ”Het experiment van broeder Juniper” te veranderen, niet over te nemen.

Hijskranen met op de achtergrond een ondergaande zon. 
Geloof en wetenschap zijn verschillende manieren van kennen, maar ze zijn niet met elkaar in strijd, aldus prof. dr. Gijsbert van den Brink. beeld EPA, Zsolt Czegledi

De raadgever meende dat de onbekendheid van broeder Juniper de verkoop van het boek zou afremmen. Bij mij wekte de titel juist nieuwsgierigheid op. Gijsbert van den Brink heeft ervoor gekozen om die nieuwsgierigheid pas helemaal aan het eind van het boek te bevredigen. Tot die tijd moet de lezer het doen met een afbeelding van deze broeder op de kaft, die er fraai uitziet en nota bene door AI gegenereerd is.

De ondertitel ”Opstellen over geloof en wetenschap” maakt voldoende duidelijk waar het boek over gaat. De auteur kennende verwacht je dan dat het op zijn minst voor een deel gaat over de discussie schepping en evolutie. Dat is ook zo, maar het boek biedt meer dan dat. De kracht van het boek ligt wat mij betreft ook niet in de eerste plaats in die hoofdstukken, al zijn ze zeker lezenswaardig. Maar gezien alle commentaren van vakbroeders op de eerdere publicaties van de auteur over dit onderwerp, zou je verwachten dat hij ingaat op hun argumenten. Namen als Ouweneel, Paul en Van Vlastuin komen echter in het geheel niet voor. Niet dat hun argumenten helemaal genegeerd worden, want aan het bezwaar van de dood vóór de zondeval wijdt de auteur een apart hoofdstuk. Maar ze worden nergens genoemd en dat is een gemis. Tenslotte laat je door ze te citeren vooral zien dat je ze serieus neemt.

Verenigbaar

Nu bevat ook het deel over dit debat meer dan de discussie over de vraag of schepping en evolutie Bijbels gezien verenigbaar zijn. Het deel opent met een interessant hoofdstuk over deze discussie in roomse kringen. Het is boeiend om te zien dat ook daar geen eensluidende uitkomst van de discussie is.

Wie het met Van den Brink oneens was, zal dat blijven en wie het al met hem eens was, zal versterkt worden in die overtuiging

Het hoofdstuk over het werk van de Geest bij de wording van het leven is intrigerend, maar roept veel vragen op. Die wording zou een kwestie van „emergentie” zijn, het verschijnsel waarbij een constructie dermate complex wordt dat er spontaan een hogerordeverschijnsel optreedt. De auteur heeft mij er niet van kunnen overtuigen dat hiermee recht gedaan wordt aan het levendmakende werk van God in de schepping. In feite worden hier de lijnen van de wording van de verscheidenheid van het leven (in de evolutietheorie) nog verder doorgetrokken en wel naar de wording van het leven zelf. Kortom: wie het met Van den Brink oneens was, zal dat blijven en wie het al met hem eens was, zal versterkt worden in die overtuiging.

Het eerste en het laatste deel van het boek gaan over de relatie geloof-(natuur)wetenschap in het algemeen, respectievelijk de theologie als wetenschap. In het eerste deel neemt Van den Brink het op voor het consonantiemodel, waarin geloof en wetenschap wel verschillende manieren van kennen zijn, maar niet met elkaar in strijd. Dat lijkt mij een vruchtbaar uitgangspunt.

Een interessant hoofdstuk is dat over Thomas Torrance, John Polkinghorne en Alister McGrath in hun visies op de relatie geloof-(natuur)wetenschap. Nog zo’n drietal figureert in het hoofdstuk over het feit of het al dan niet ‘natuurlijk’ is om als wetenschapper in God te geloven: Herman Bavinck, Karl Barth en Wolfhart Pannenberg.

Reserve

Het derde deel begint met een korte geschiedenis over de plaats van theologie te midden van de andere wetenschappen. Begon ze als koningin van de wetenschappen, later werd ze zelfs wetenschap af. Van den Brink laat zien dat ze nu op een andere manier toch weer serieus genomen wordt als wetenschap. Zoals van Van den Brink te verwachten was, krijgen de filosofen Nicolas Woltersdorff en Alvin Plantinga een plaats in het boek. Geheel terecht, want dit zijn twee theologen die zich hard gemaakt hebben voor de aard van Godskennis als echte kennis en niet maar een willekeurige overtuiging. Van den Brink houdt bij beiden enige reserve en dat lijkt mij juist.

Van den Brink lijkt theologie op te vatten als een empirische wetenschap

Een paar observaties tot slot. In de eerste plaats valt het op dat de theologie zich in de visie van Van den Brink wel steeds moet aanpassen, maar de resultaten van de natuurwetenschappen die hij bespreekt, staan voor hem niet ter discussie. Nu zijn er inderdaad veel uitkomsten die het lang volhouden, maar zelfs de klassieke mechanica is na ruim twee eeuwen gesneuveld. Een tweede observatie is dat Van den Brink theologie lijkt op te vatten als een empirische wetenschap. Op onderdelen (kerkgeschiedenis bijvoorbeeld) is dat waar, maar ik zou een onderdeel als dogmatiek toch eerder rekenen als een formele wetenschap, net als wiskunde en filosofie. Dat zou het ogenschijnlijke gebrek aan ‘voortgang’ in de theologie misschien voor een deel kunnen verklaren.

Bijna zou ik de hoofdtitel vergeten. Wie is broeder Juniper? De inleiding in het boek lijkt te suggereren dat hij een bondgenoot van Van den Brink is, maar dat blijkt maar zeer ten dele het geval. Broeder Juniper deed wel een poging om het Godsbestaan wetenschappelijk aan te tonen, maar op een tamelijk dubieuze wijze. Ik geef het verder niet weg om de nieuwsgierigheid in stand te houden.

Boekomslag met daarop een door AI gegenereerde afbeelding van een monnik in een bruine pij die aan een tafel staat te schrijven met een ganzenveer.

Het experiment van broeder Juniper. Opstellen over geloof en wetenschap

Gijsbert van den Brink

uitg. KokBoekencentrum

384 blz.

€ 29,99