Kerk & religieAchtergrond

Tijdens een preek van John Livingstone komen 500 mensen tot bekering

Pinksteren roept een verlangen op. Naar water op droge grond, naar de machtige werking van Gods Geest. De opwekking die de puritein John Livingstone (1603-1672) meemaakte, laat zien dat en hoe de Heilige Geest werkt.

Witte madeliefjes met een geel hart waarop regendruppels neervallen.
beeld Getty Images

Kirk of Shotts ligt afgelegen, vlak naast de snelweg tussen Edinburgh en Glasgow. Op Shottskirk Cemetery, de begraafplaats rondom de kerk, bevinden zich veel oude graven met scheefgezakte, bemoste stenen. Al die herinneringen aan dood, verval en vergetelheid bezorgen ons een gevoel van weemoed.

En toch: de graven zullen geopend worden, de doden zullen opstaan. Juist hier is het mogelijk dat te denken, dankzij het bemoedigende verhaal van de geestelijke opwekking die hier plaatsvond. Op deze begraafplaats, tussen dezelfde heuvels, onder dezelfde zwaarbewolkte hemel. Maar zonder het geraas van de M8, want we hebben het over het jaar 1630.

De Engelse predikant Martyn Lloyd Jones (1899-1981), die veel sprak en schreef over opwekking, noemt de ”revival” in Kirk of Shotts een voorbeeld van hoe God werkt. Opwekking is nooit iets wat mensen tot stand kunnen brengen. Het is God Zelf Die een op sterven na dode kerk tot leven wekt. Hoe werkte de Geest in Kirk of Shotts? Wat gebeurde er precies voor, tijdens en na deze bijzondere gebeurtenis? Wie gebruikte Hij, en waarvoor?

John Livingstone wordt in 1603 geboren in het Schotse dorp Kilsyth, tussen Glasgow en Stirling, als zoon van een predikant. Als jongen worstelt hij met de vraag: moet ik arts worden of predikant? Maar na een dag vasten en bidden is het hem volstrekt duidelijk: hij moet predikant worden. Dat gaat niet zonder slag of stoot, want John is anti-episcopaals ingesteld. Hij knielt niet voor brood en wijn tijdens het Heilig Avondmaal en kan de koning niet vereren als hoofd van de kerk. Daarom krijgt hij geen vaste aanstelling als predikant, maar preekt waar hij wordt uitgenodigd. Zo ook in juni 1630. Livingstone is dan nog maar 27 jaar oud.

Schilderij van een glimlachende man met baard en snor. Hij heeft een zwarte hoed op.
Portret van John Livingstone door Frans Hals. beeld Wikimedia

Een paar maanden eerder is een groepje adellijke dames het dorp Shotts binnengereden. Vlak voor de pastorie breekt het onderstel van hun koets. De predikant, mr. John Hance, kan geen koetsen repareren en nodigt de ladies uit bij hem te overnachten. Die nemen zijn aanbod graag aan, maar verbazen zich over zijn bouwvallige huis. Uit dankbaarheid bieden ze hem een nieuwe woning aan. Hance vraagt of hij misschien iets terug kan doen. De vrouwen vragen hem om rond de eerstvolgende bediening van het Heilig Avondmaal een paar predikanten uit te nodigen die zij een warm hart toedragen. Dit duurt in die tijd meerdere dagen. Het gaat om Covenanters, predikanten die uit de gunst zijn bij de overheid en het moeilijk hebben.

Avondmaal

Zo komen onder anderen de oude Robert Bruce en de jonge John Livingstone in juni 1630 in Shotts aan en met hen vele avondmaalgangers. Ze passen niet allemaal in het kerkje, dus wordt de dienst verplaatst naar het kerkhof. Bruce bedient het avondmaal.

De kerkgangers zijn zo vol van de merkbare aanwezigheid van de Heilige Geest dat ze niet naar huis gaan

De kerkgangers zijn zo vol van de merkbare aanwezigheid van de Heilige Geest dat ze niet naar huis gaan. ’s Nachts bidden ze met elkaar en ze besluiten dat er op maandagochtend nog een extra dienst gehouden zal worden, een dankdienst voor alles wat ze ontvangen hebben. Omdat de daarvoor aangewezen predikant ziek is, wordt John Livingstone gevraagd.

Een zekere Lady Culross (ook bekend als dichteres, onder de naam Elizabeth Melville), dringt daarop aan. Ze staat bekend als een vrome vrouw, die onvermoeibaar is in meditatie en gebed. Hoe meer ontmoetingen met God ze heeft, des te sterker wordt haar dorst naar Hem. De Lady schrijft in een dichterlijke bewerking van Psalm 42: „Mijn hart barst, mijn ziel dorst, naar U, o Bron van het leven.”

In de nacht van zondag op maandag gaan de bidders tegen de ochtend uiteen, om alleen te zijn met God. Elizabeth zoekt haar bed op en sluit de gordijnen eromheen, zodat ze privacy heeft. Een man komt de kamer binnen en hoort de smekende toon in haar gebed. Hij vraagt haar om haar gebeden hardop uit te spreken, zodat hij ze kan horen. Dat doet ze, en de deur van de kamer wordt opengezet zodat ook anderen mee komen luisteren. Drie uur lang bidt Elizabeth.

Onwaardigheid

Ondertussen is John Livingstone buiten in het veld, alleen. Een gevoel van onwaardigheid en zwakheid beneemt hem bijna de adem. Vele honderden mensen wachten op hem, verwachten dat hij woorden van God spreekt, maar hij kan voor zijn gevoel niets. Hij had geen predikant moeten worden, misschien heeft hij zichzelf wel iets toegeëigend wat nooit voor hem bedoeld was. Bijna vlucht hij, maar dan gaat er plotseling een heldere gedachte door hem heen: God mag niet gewantrouwd worden. Hij moet het doen. John hoeft zichzelf alleen maar beschikbaar te stellen.

Oud kerkgebouw met op de voorgrond oude, verzakte grafstenen.
Kirk of Shotts, waar John Livingstone preekte. beeld RD

„Alleen diegenen die komen tot Christus zoals ze zijn, leeg van zichzelf, zullen veilig zijn”

John Livingstone, in een preek over Ezechiël 36

Anderhalf uur preekt hij over Ezechiel 36:25 en 26. Dan begint het te regenen. Mensen worden onrustig en willen beschutting zoeken. Livingstone grijpt dat beeld aan en zegt dat als enkele regendruppels hen al zo in verwarring brengen, zij moeten bedenken hoe ontzet zij zouden zijn als de regen van Gods oordeel over hen komt. God kan vuur en zwavel op u regenen, zoals in Sodom en Gomorra! Maar, gezegend is Zijn Naam! De deur van genade staat nog voor u open. De Zoon van God, Die onze natuur aannam, gehoorzaam is geweest en geleden heeft, is de enige schuilplaats voor de storm van Gods toorn over onze zonde. Alleen achter Zijn verdienste en middelaarschap kunnen we schuilen voor die storm. Alleen diegenen die komen tot Christus zoals ze zijn, leeg van zichzelf, alleen zij die de aangeboden genade uit zijn hand aannemen, zullen veilig zijn …

Ongeveer 500 mensen komen die dag tot Christus. Er zijn intens doorleefde emoties: mensen huilen, roepen tot God om genade en spreken later over die dag als het moment van hun bekering of geestelijke doorbraak.

Onder hen zijn drie jongemannen uit Glasgow. Ze zijn onderweg naar Edinburgh om daar plezier te hebben. Als ze hun ontbijt nuttigen in Shotts, stelt een van hen voor om daar naar de kerk te gaan, vooral uit nieuwsgierigheid.

Voor het einde van de dienst willen ze weer vertrekken, maar ze worden zo geraakt door de preek dat ze blijven. Pas als ze weer terug zijn in Glasgow bekennen ze elkaar dat ze in Shotts voorgoed veranderd zijn. Ze komen samen voor gebed, en de rest van hun leven zijn ze een zegen voor hun omgeving.

En John Livingstone? Deze dienst blijft hem voorgoed bij. Maar als hij de maandag erop weer moet preken, kan hij niet eens op woorden komen, hoewel hij zich goed voorbereid heeft. Hij heeft de zalving niet op zak, hij is slechts instrument. „Het behaagde de Heere om mij een tegenwicht te geven, en elke trots weg te nemen”, schrijft hij in zijn memoires.

Bittere vervolging

Een tijd later is Livingstone opnieuw betrokken bij een opwekking, maar daarna wacht hem een periode van bittere vervolging en strijd. Lady Culross schrijft hem in die jaren een brief, waarin ze refereert aan de letterlijke betekenis van zijn naam: Levende steen. „Mijn lieve broeder, alles is liefde, alle dingen moeten medewerken ten goede. U moet behouwen en neergehamerd worden, alvorens u een levende steen wordt voor Zijn gebouw.” Ten slotte wordt Livingstone gedagvaard en verbannen omdat hij niet wil buigen voor on-Bijbelse opvattingen.

Gevel van een kerkgebouw met daarin vijf glas-in-loodramen. Eronder staat Scots Church. Rechts achter het gebouw een flat.
De huidige Schotse kerk in Rotterdam, aan de Schiedamsevest. beeld Christine Stam-van Gent

Per schip komt hij aan in Rotterdam, waar hij nog een aantal jaar de Schotse kerk dient. Daar hebben veel van zijn vervolgde broeders de toevlucht gezocht. Op een zonnige dag gaan we een kijkje nemen in de voormalige Schotse buurt, wetend dat de Tweede Wereldoorlog weinig gebouwen uit die tijd heeft overgelaten. De Sint Sebastiaanskapel, waar Schotse kerkdiensten vanaf 1643 gehouden werden, is in 1940 verloren gegaan. Maar de Scots International Church bestaat nog steeds. Tevergeefs bellen we aan bij het gebouw aan de Schiedamsevest. Een telefoontje levert niets op. Dan maar wandelend naar de Oude Haven, waar reizigers uit Schotland in de zeventiende eeuw aankwamen. Tussen de mensen door turen we naar het kabbelende water. Het water, dat voor Livingstone op zoveel manieren betekenis kreeg.

Uiteindelijk komen we toch in contact met Ruud Witte, de ”consistory clerk” (scriba) van de Scots International Church. Toen het kerkgebouw in 1940 verwoest werd, heeft de kluis het overleefd. De inhoud blijkt interessant. Witte: „De zoektocht naar informatie over Rev. John Livingstone heeft wat opgeleverd. Uiteraard was het te vinden in het laatste boek dat ik vanochtend in ons kerkarchief oppakte.”

Wat de opwekking in Shotts ook duidelijk maakt: het komt niet zonder gebed

Hij stuurt wat foto’s mee van een getypt document, een soort biografie. John Livingstone is op woensdag 24 augustus 1672 begraven in de Franse kerk te Rotterdam. Zijn naam is niet in de steen gebeiteld. Toen rond 1922 de Franse kerk werd afgebroken, zijn de graven in die kerk geruimd en alle overgebleven gebeenten zijn overgebracht naar een verzamelgraf op de Algemene Begraafplaats Crooswijk te Rotterdam.

Naamloos graf

En zo begint en eindigt dit verhaal met een begraafplaats. Livingstone is dus begraven in een naamloos graf op het deftige Crooswijk. Wat rest is de herinnering. En het verlangen, naar het waaien van de wind, het vallen van de regen. Zoals Lloyd Jones zei: Het moet allemaal van Gods kant komen. Maar wat de opwekking in Shotts ook duidelijk maakt: het komt niet zonder gebed.

Het korte gebed van een jonge, in paniek geraakte voorganger die het niet meer wist: Help me! Het intense, drie uur durende gebed van een vrouw met dorst. De vele gebeden van kerkgangers, die alleen bij God bekend zijn. En het gebed van mensen in deze tijd, vermoeid van de hectiek van het leven. Lege mensen met lege handen. „Doe Uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen.”


1630

Rein water

Veel ben ik vergeten. Mijn verstand is niet van mij geweken, ook al ben ik oud, maar mijn geheugen lijkt de laatste tijd keuzes te maken in wat het bewaart. Soms betreur ik dat, vaker ben ik er blij mee. Die lange rij van dagen vol onrust en de duizend nachten zonder slaap, het vluchten voor jagers die niet anders wilden dan mijn dood. Ik dank mijn Schepper dat Hij de herinneringen daaraan heeft doen verbleken, zodat ze me niet meer kwellen in mijn dromen.

Maar één dag, één maandag, daarvan vergeet ik niets. Zevenentwintig was ik, zo jong in vergelijking met mijn medepredikanten. Bruce, al stokoud, Dickson, Blair. Mannen van naam, en wie was ik, dat ik daar met hen mocht werken?

Ach, werken. Uiteindelijk was het een Ander Die daar, in de schaduw van de kerk van Shotts, het eigenlijke werk deed, en dat was de Heilige Geest. Wat destijds plaatsvond, op die langste dag van het jaar onzes Heeren 1630, was het werk van de grote God. Nog altijd kan ik niet goed in woorden beschrijven wat er gebeurde, hoe vaak ik dat ook heb geprobeerd.

Het was niet eens de bedoeling dat ik zou voorgaan. Een van mijn broeders had die taak, ik herinner me niet wie, dat is ook niet belangrijk. Hij bleek echter niet tot preken in staat en op aandringen van Lady Culross vroegen ze mij zijn plaats in te nemen.

Ik sprak uit Ezechiël, bekende woorden: „Ik zal rein water op u sprengen. Ik zal u een nieuw hart geven en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u. Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlezen hart geven.”

Ik sprak en … kon niet stoppen.

Nooit eerder was me dat overkomen. Mijn tong leek niet meer van mezelf. Anderhalf uur lang waren mijn zinnen neergedaald op de vele honderden die me omringden. Ik had gewaarschuwd en opgeroepen, vermaand en gesmeekt, maar nu werd het anders. Bij gebrek aan een taal die het beter uitdrukt, zeg ik: ik werd geleid.

Terwijl het zacht begon te regenen, alsof de hemel de krachtige taal van de profeet met een teken wilde bekrachtigen, werden er nieuwe woorden in mijn mond gelegd. Ik hoefde ze slechts uit te spreken. Wonderlijk, nooit eerder en ook nooit daarna was er in mij zo’n grote vrijheid en tegelijk zo’n verbrokenheid van hart.

Ik ben oud en leef als een vreemdeling in een vreemd land. Ik denk dat het niet lang meer zal duren voordat de dood mij zal vinden, maar die dag in Shotts zal tot mijn laatste snik in mijn herinnering zijn, en me hoop geven.

De Geest Die daar werkte is er nog. Als ik mijn ogen sluit zie ik gezichten voor me, van jongeren en ouderen, vol ernst en aandacht, droefheid, maar ook blijdschap. Ze schuilen niet voor de regen, maar omringen me en er wordt rein water op hun hoofden gesprengd. Velen werden gered, vertelden ze me later. Honderden verloren op die dag hun stenen hart. Terwijl ik eraan terugdenk, voel ik mijn hart heel zacht worden.


1663

Dreigend water

Ze hebben James gedood. Zijn hoofd hangt aan een van de poorten van de stad. We wisten dat Guthrie zijn leven zou verliezen, en toch schokte het nieuws me meer dan ik kan zeggen. Wat heeft het belijden van de waarheid een hoge prijs.

Ik hoef nog niet te sterven, tenminste, niet op het schavot. Ik kreeg een andere straf. Ze wilden James weghebben, ze wilden Rutherford weghebben, ook mij willen ze kwijt.

Mijn ogen rusten op het schip in de haven. Ik heb eerder de zee bevaren, toen ik dacht dat het de wil van God was om samen met anderen naar de Nieuwe Wereld te reizen, het land van de vrijheid. Hij heeft onze tocht verhinderd, Zijn golven en baren gestuurd, ons laten zien dat we nergens vrij zullen zijn dan in Zijn dienst.

Dit keer zullen we geen oceaan bevaren maar de Noordzee, die vandaag onstuimig is. Water kan een zegen zijn, maar ook een vloek.

Ik denk terug aan de dagen die achter me liggen. Hoe ik voor de Hoge Raad stond, die zo laag oordeelde. De kanselier beschuldigde me, zoals ik had verwacht, van opruiing en revolutie. Ik wilde niet erkennen dat de koning het voor het zeggen had in kerkelijke zaken, omdat ik alleen mijn Meester als Koning erken. De aanklachten waren niet het ergste. Juist de vriendelijkheid van de rechter vormde een verleiding. Hij sprak zachte woorden en bood me uitstel aan.

Ik dank God dat ik zijn aanbod kon afslaan. Geen aarzeling, geen buiging voor aardse machten. En daarom: verbanning. Weg van mijn gemeente, zelfs geen toestemming voor een bezoek aan mijn vrouw en kinderen. Ik moet weg uit Schotland en weet dat ik het nooit terug zal zien.

Daarna toch nog één Elim, ik kon mijn vriend David bezoeken, David Dickson, en we spraken van hart tot hart, al lag hij voor de poorten van de dood. Wat een moed, wat een geloofsvertrouwen, wat een zekerheid. Zijn vuur stak het mijne aan.

Veertig jaar waren David en ik vrienden, en daaraan kwam een einde. Hij is het woelige water van de doodszee overgestoken en in het Vaderland aangekomen.

Opnieuw kijk ik naar het schip. Niet lang meer, dan ga ik aan boord. De laatste zee die ik op aarde zal bevaren. Ik zal niet terugkeren naar Schotland, maar tussen de Hollanders sterven. Dat doet me verdriet, al weet ik dat ik bevoorrecht ben omdat daar landgenoten op me wachten en dat ik mijn God ook in Rotterdam zal kunnen dienen, in vrijheid. Ik neem aan dat ik er zal mogen preken, dat ik in de tijd die ik nog krijg het Woord zal mogen verkondigen, de boodschap die de Geest in de harten brengt, zodat die wegsmelten en vol worden van liefde.

Golven spatten tegen de kade uiteen. De zeilen van het schip staan bol. Nu deze zee, daarna die andere, die David al is overgestoken. Dat kan, maar alleen als er wind staat, zoals nu. Als die wonderlijke wind waait, die leven brengt.