Reinier van Klinken: als een Filippus van Elspeet naar Emmen
In het onderwijs leerde Reinier van Klinken (32): eerst verbinding, dan kennisoverdracht. Vanaf maandag mag hij die les fulltime in praktijk gaan brengen als evangelist in Emmen.
Sinds begin augustus wonen Reinier en zijn vrouw Jantine met hun kinderen in Emmen. Het interview vond een maand eerder plaats. In Elspeet, onder een parasol in de kleine achtertuin van huize Van Klinken. De dag ervoor hield Reinier zijn eerste toespraak tijdens een zondagse bijeenkomst op de evangelisatiepost in Emmen, over Filippus en de kamerling van Candace. Hij is er nog vol van. „Ds. S.W. Janse had het in zijn toespraak tijdens de aanstellingsdienst ook over die geschiedenis. Hij zei toen: „Die woorden „en verkondigde hem Jezus”, dat is een thema in de prediking dat je nooit moe wordt.” Nou, dat heb ik gisteren ervaren. De Persoon en het werk van de Zaligmaker, als dat weer gaat leven, dan is de tijd al gauw te kort.”
In februari maakte het deputaatschap Evangelisatie Gereformeerde Gemeenten bekend dat Van Klinken tot evangelist in Emmen was benoemd. In de maanden die volgden, ging hij er een enkele dag per week heen. Om zijn baan als docent economie en godsdienst op het Van Lodenstein College in Barneveld „netjes af te ronden”, stond hij tot de zomer ook nog drie dagen per week voor de klas.
TOEN
Waarom koos u na de middelbare school voor het onderwijs?
„Ik kom uit een onderwijsfamilie; dat zal een rol gespeeld hebben. Maar vooral omdat ik het overdragen van kennis altijd mooi gevonden heb.” Lachend: „Ik ben ook een beetje betweterig. En graag vertellen hoe het moet, waar kan dat beter dan voor de klas?”
Een oud-collega van u zei: „Hoe goed en hoe makkelijk Reinier lesgeeft, dat is bijna ongeëvenaard.” Wat is uw geheim?
„De eerste twee jaar als docent heb ik echt getobd, dus ik zal de laatste zijn die zegt dat ik aangeboren talent heb. Dat was als duaal student op de Pieter Zandt in Kampen en IJsselmuiden. Verschrikkelijk. Die leerlingen zetten de klas op de kop terwijl m’n begeleider achterin zat.
Daarna mocht ik naar Staphorst. Daar ging het beter. Ineens dacht ik: jongens, zo en zo gaan we het deze les doen, dit ben ik en wie zijn jullie? Misschien is dat laatste wel wat ik toen leerde, dat de focus nooit op kennisoverdracht moet liggen, maar op ontmoeting. Dan ontstaat er vanzelf ruimte om kennis over te dragen.
Die verbinding met de doelgroep, vmbo’ers, dat ging mij wel makkelijk af. Ik ben zelf ook vmbo’er geweest, dus ik weet hoe het werkt: een beetje dollen, soms letterlijk met elkaar over de grond rollen. Misschien ben ik zelf ook gewoon nog een doorgeschoten puber. Zou dat het geheim zijn?”
U bent de jongste van veertien kinderen. Hoe ervoer u het thuis?
„Laatst zei een van mijn zussen: „Wat ons thuis kenmerkte, was onvoorwaardelijke acceptatie.” Zo is het, en daar ga je je steeds meer over verbazen. Ondanks alles wat ik heb gedaan, de trappen die ik heb gegeven, de pijn die ik heb veroorzaakt: er was altijd weer een welkom. Wat heeft mijn vader bezield om zijn zoon tot halfdrie ’s nachts op te wachten? Hij ging niet slapen voor ik thuis was. En van mijn moeder weet ik dat ze altijd voor ons bad, als de moeder van Augustinus. Menselijkerwijs gesproken heeft zij er een belangrijke rol in gespeeld dat het anders is geworden in mijn leven. Later, toen ik als enige nog thuis woonde, kon ik ook al mijn vragen aan haar stellen.”
Wat voor vragen waren dat?
„Over kerkelijke en geestelijke zaken. We waren zelf lid van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, maar mijn broers en zussen zitten in allerlei verschillende kerken. Daardoor ging ik twijfelen: waar ligt mijn houvast? Hoe weet ik wat waarheid is? Mijn moeder zei dan: „Luister maar hiernaar: of een mens wordt afgeschilderd als verloren en ellendig en goddeloos, en dat Christus juist voor zulken is gekomen.” Voor dat antwoord ben ik haar tot op de dag van vandaag dankbaar. Het bewaart voor kerkisme, iets waar mijn moeder ook wars van was en is.”
NU
In februari bent u benoemd tot evangelist. U reageerde pas bij een tweede oproep. Kwam de roeping zo laat?
„Nou, de roeping om onbereikten de Bijbelse boodschap te verkondigen was er al langer. In 2018 viel de nood van die mensen op m’n hart toen ik naar een foto van jonge Afrikaanse kinderen keek. Het greep me zo aan, de wetenschap dat die kinderen verloren zouden gaan als niemand ze over hun Schepper en de Zaligmaker vertelt. Ik brak vanbinnen. Daar heb ik ook wel met mijn schoonvader (ds. G. van Manen, CK) over gesproken. Hij zei, heel verstandig: „Wacht maar af wat de Heere doet.”
Kort na dat gesprek werd ik gekozen tot ouderling. Toen werd me met de woorden „de Meester is daar en Hij roept u” uit Johannes 11 duidelijk dat ik eerst ambtsdrager moest worden. De roeping om onbereikten het Evangelie te brengen ging toen in een laatje. En ik dacht dat die er nog wat langer in zou blijven.”
Emmen is geen Afrika. Waarom heeft u toch gesolliciteerd?
„De eerste oproep vanuit Emmen deed me niets. Ik zag het, maar ik kende Emmen niet en had m’n handen vol aan het werk hier in Elspeet.
Toen de herhaalde oproep kwam, greep de vacature me ineens aan. Het werd als een last op me gelegd. Eerst dacht ik: ik moet die last in het gebed meedragen, maar hoef er verder niets mee. Maar het ging me zo drukken, ik raakte het niet kwijt. Toen vroeg ik me af: is er meer? Heere, wat is Uw wil? En toen wees Hij de weg. Vanuit Jesaja 43:6 en Jeremia 3:12, en wat echt mijn hart overboog was opnieuw Johannes 11: „De Meester is daar en Hij roept u.” Op één avond werden die teksten tijdens het Bijbellezen in m’n hart gedrukt. Het was heel helder, in heel korte tijd. Alsof de Heere rekening houdt met mijn ongeduldige natuur.”
U solliciteerde.
„Het gesprek was op de dag dat Jantine bevallen is. Ze was 3 januari uitgerekend en het gesprek stond gepland voor 16 januari. Ik dacht: dat kan prima. Maar Juda kwam twee weken later.
Die dag heb ik sterk ervaren dat de Heere alles in Zijn handen heeft. ’s Ochtends dienden de voortekenen van de bevalling zich aan. Toen hebben we het biddend in de handen gelegd van Hem Die de baarmoeder opent en sluit. Daarna zakten die voortekenen weg. Ik ging naar Rijssen voor het gesprek. ’s Middags kwam ik thuis en had mijn brood net achter de kiezen toen de geboorte op gang kwam en om vijf uur werd Juda al geboren.”
De benoeming verliep uiteindelijk ook erg vlot. Kon Jantine het bijbenen?
„Gelukkig wel. Ja, ik ben echt gezegend met haar kracht, want ik kon het zelf niet bijbenen. Na een paar weken ben ik onderuitgegaan. Juda was net geboren, dus hadden we gebroken nachten, ik had m’n kerkenraadswerk, mijn leidinggevende op school werd ziek, en dan moet je in Emmen iets nieuws beginnen. Op een gegeven moment ging het niet meer en werd ik ziek. Na een week ging ik weer aan het werk, maar daarna ging het weer mis en heb ik twee weken thuisgezeten.”
Deed dat u niet twijfelen aan uw roeping naar Emmen?
„Nou, kort na de benoeming dacht ik: ik word de eerste evangelist die benoemd is en al voor z’n aanstelling is afgezet. Het was alsof de Heere het deksel van m’n hart haalde en ik weer eens moest zien hoe bedorven het daar vanbinnen is. Echt, als de Heere me niet vasthoudt, dan breek ik aan alle kanten uit in de zonde. Dat, in combinatie met mijn ziek-zijn, deed me denken: blijkbaar heb ik dit nodig om te voorkomen dat ik iets van mezelf ga denken. Ik ben een zwak mens en een verdorven mens. Daarom heb ik iedere dag de Zaligmaker nodig. En Die is getrouw, dat laat Hij tot op de dag van vandaag merken.”
Waaraan merkt u dat?
„Aan hoe Hij in Zijn voorzienigheid allerlei zaken bestuurt. Een voorbeeld. We hebben nooit veel geld over gehad, en dat hoeft van ons ook niet; de Heere geeft voor iedere dag genoeg. Maar daarom kopen we meestal tweedehandsspullen. Begin dit jaar zeiden Jantine en ik tegen elkaar: „We wonen hier nu al bijna twee jaar en we hebben nog steeds geen lamp boven de tafel.” Ik zei: „Dan moeten we daar maar om gaan vragen: Heere, we zoeken een lamp.” Een paar dagen later vond Jantine op Marktplaats een lamp die echt perfect paste. Die week moest ik in Amsterdam zijn en het adres waar de lamp opgehaald moest worden, lag precies op de route.
En zo ging het ook met andere spullen die we nodig hadden. Daar heb ik me zo over verwonderd. Het voelde ook alsof de Heere me wilde leren: je wordt nu losgemaakt uit je vertrouwde omgeving, ga nu maar leren om uit Mijn hand te leven.”
Jullie hebben dus weinig met luxe, terwijl Elspeet daar enigszins om bekendstaat, toch? Voelde u zich er thuis?
„Jawel. Op het gebied van materialisme is het hier misschien wereldgelijkvormiger dan we met z’n allen willen toegeven, maar het wordt niet opgeklopt of zo. De aard van de bevolking blijft eenvoudig. En ook op geestelijk gebied: je komt veel mensen tegen die het echt om de Heere en de Zaligmaker te doen is, met alle schroom en schuchterheid. Daar voel ik me wel bij thuis, hoewel je zulke mensen wel iets gunt van de ruimte en houvast die je tegenkomt bij de oudvaders en puriteinen.”
Een dorpsgenoot vertelde me dat hij u eens in een vale spijkerbroek zag lopen, en dacht: is het wel echt een gergemmer?
Jantine staat een paar meter verderop de was op te hangen en merkt vragend op: „Heb jij spijkerbroeken?” Reinier: „Nee, maar wel broeken met een kleur. Je hebt hier de gewoonte dat veel kinderen van God in het zwart gaan. Daar heb ik respect voor, maar ik merkte onder andere op catechisatie dat jongeren de conclusie trokken: als je een kind van God bent, ben je een bijzonder mens, dus ga je in het zwart. Die hadden niet door dat zwarte kleding bij traditie hoort en geen Bijbelse norm is.
Ik heb een periode gedacht: ik moet me aanpassen, dus ik ga ook in het zwart. Maar toen ik doorkreeg dat dat ertoe leidt dat er on-Bijbelse denkbeelden ontstaan, dacht ik: dan ga ik het niet meer doen, want dat gaat me te ver. Terwijl… Hoe zal ik het zeggen? Terwijl ik weet dat er mensen zijn die door ontdekking zich nergens beter in thuis voelen dan in het zwart, en daar heb ik alle respect voor. Dat ik niet altijd zwarte kleding draag, zorgt gelukkig ook niet voor verwijdering in de contacten.”
Een vriend van u zei dat u op theologisch vlak ook weleens een standpunt hebt dat schuurt met standpunten van mensen om u heen. U schijnt daar heel open over te zijn, en dat wordt geaccepteerd.
„Dat klopt. Het gaat vooral om zaken die te maken hebben met de voortgang in het geestelijk leven, de opwas in de genade. Ik maak me oprecht zorgen over de kloof die je ziet ontstaan tussen hoe de oudvaders en puriteinen daarover schrijven, en wat nu de gangbare taal is in veel reformatorische kerken. Ik raakte zelf in de war door alles wat ik erover las bij predikanten van later datum. De Heere heeft vooral de boeken van Alexander Comrie gebruikt om mijn vragen op te lossen. In gesprekken heb ik het daarover. En ja, dan blijkt weleens dat anderen er anders over denken.”
Waarom accepteren mensen dat van u?
„Ik heb altijd geprobeerd oprecht te zijn. Mensen moeten niet het idee hebben dat je met een dubbele agenda zit, of probeert koste wat kost een ander denkbeeld naar binnen te krijgen. Ik probeer voorzichtig duidelijk te maken hoe ik het zie. Bescheiden, want ik ben ook maar een mens.
Vooral door mijn werk voor het CGO valt mij trouwens op dat er veel meer ambtsdragers zijn die hun vragen en twijfels hebben, maar daar niet over praten. Het is belangrijk dat een kerkenraad en gemeente een sfeer kunnen creëren waarin die vragen gewoon gesteld kunnen worden. Nu wordt er vaak gezwegen, vooral vanwege sociale druk. Als jij een mening hebt die schuurt met die van de mainstream en je steekt je hoofd boven het maaiveld uit, zul je niet de eerste zijn die klappen krijgt.”
Bent u daar zelf bang voor geweest?
„Dat wel. Maar op het moment dat je oprecht bent, dan houd je ook een rein geweten. En dat is het belangrijkst. Tegelijk moet je wel proberen aansluiting te vinden bij de ander. Want de liefde is belangrijker dan mijn gelijk. Dus soms moet je je eigen mening aan de kant zetten om de liefde te bewaren. Dat is waar de Heere Zijn zegen over geeft.”
In 2021 werd u ouderling, vertelde u. U zat met uw zwager en schoonvader in de kerkenraad. Hoe wenselijk is dat?
„Er zijn kerkenraden die zeggen: Daar beginnen we niet aan. Tegelijk, er zaten zeker drie familiekoppels in de discipelengroep van de Heere Jezus. Dat was ook een familiekliek, zou je kunnen zeggen – hoewel die natuurlijk niet aan één gemeente leidinggaven.
Maar nee, ik heb het nooit als hinderlijk ervaren. Je bent allemaal broeders van hetzelfde huisgezin. Dan valt het onderscheid tussen wel of geen familie ook weg. Trouwens, als het bij stemmingen over mij of mijn zwager ging, dan hield mijn schoonvader zich bewust afzijdig. Dat wilde hij zelf, daar is hij heel strikt en integer in.”
STRAKS
Waar ziet u tegenop in Emmen?
„Dat mijn vrouw en kinderen het er niet naar hun zin hebben. Dat zou ik heel ingewikkeld vinden. Zelf heb ik zoiets van: de Heere mag met me doen wat Hij wil. Maar je neemt wel je vrouw en kinderen op sleeptouw, en ik denk niet dat ze in de geestelijke strijd gespaard blijven. Tegelijk weet je Wie er voor ze zorgt, en probeer je ze iedere dag neer te leggen bij de God van het verbond.”
Wat zegt u in twee zinnen als u in Emmen iemand op straat spreekt?
„Wie bent u? Hoe gaat het met u? Ja, want de voorkeur gaat uit naar persoonlijk contact – net als in de klas. Van daaruit probeer je te komen bij waar Filippus uitkwam: Jezus verkondigen. En dat kan natuurlijk alleen als je het ook hebt over de zonden, de vloek, de schuld waarvan Hij verlost.”
Gaat u ooit nog naar Afrika?
„Dat weet ik niet. Ik durf eigenlijk wel te zeggen dat dit geen eindstation is, maar ik weet niet wat de volgende stap is. Dat zal de Heere dan wel duidelijk maken.”














