Kerk & religieZendingscolumn

Aniko’s oma werd beter en leest nu niets liever dan Bijbelse vertellingen uit Nederland

Aniko legt gauw wat rondslingerende spullen aan de kant. „Kom er gezellig bij zitten!” Ik nestel me in kleermakerszit op het matras dat samen met een bed driekwart van de kamer vult.

In de hoek staat een gammele kast en een contactdoos met elektronica aan de oplader. Geborduurde wandkleden versieren het sobere vertrek. Met z’n twaalven –oma, haar kinderen en kleinkinderen– wonen ze op enkele vierkante meters, op de zesde etage. Oma is verdiept in een boekje met Bijbelse vertellingen, een uitgave van de Gereformeerde Bijbelstichting. Traag, maar met een heldere beslistheid, vertelt ze wat ze zojuist heeft gelezen: „Zacharias krijgt een boodschap van de engel dat hij een zoon zal krijgen…”

Kapot gelezen Bijbel

Dan vervolgt ze: „Ik lees graag en veel in de Bijbel.” Onverwacht krijgen we een mooi gesprek over de dingen die er echt toe doen in het leven. Aniko, die ons gesprek hoort, pakt oma’s Bijbel uit de kast: „Kijk maar”, zegt ze, terwijl ze de Bijbel in mijn handen duwt. Ik blader wat door de kapot gelezen Bijbel. Onderstrepingen en aantekeningen in de kantlijn verraden een veelvuldig, intensief gebruik.

„Weet je nog dat ik een jaar geleden zo erg ziek was?” vraagt oma. Ik knik. „Ja, dat herinner ik me nog wel. U heeft toen in het ziekenhuis gelegen, toch?” Oma vertelt dat destijds een tumor in haar schouder ontdekt was. Dokters hadden gedaan wat ze konden. „Maar ons leven is in Gods hand. Ik heb Hem gebeden of ik weer beter mocht worden. En nu, ruim een jaar later, voel ik me echt beter! God zorgt. Ik doe daarom niets liever dan lezen in de Bijbel.”

Mijn rechtzinnigheid haalt het niet bij oma’s vastberadenheid

Meidengegiechel

Even is het stil. Buiten ratelt een tram voorbij. Aniko en haar nichtje Szofi zitten samen op hun slaapkamer naar lichtvoetige zigeunermuziek te luisteren. Af en toe klinkt er meidengegiechel door de half openstaande deur. Grootmoeder zet haar leesbril op, die aan een koordje om haar nek hangt. Geconcentreerd leest ze verder, aangestaard door twee weelderige pauwen op het wandtapijt boven haar bed.

„Kom gerust vaker langs!” zegt oma met nadruk, wanneer ik aanstalten maak om te vertrekken. Het visiteavondje heeft ons allebei goed gedaan. Mijn rechtzinnigheid haalt het niet bij haar vastberadenheid, wonend in een hok met elf fladderende flierefluiters. De anders wat stugge oma kijkt me blijmoedig aan. „Tot ziens maar weer, hè?”

Martin Trouwborst (1983) is als vrijwilliger verbonden aan Julia Home in de Roemeense stad Oradea, waar hij werkt met kinderen uit kwetsbare gezinnen. Dit is zijn laatste column.