
Jatten af van onze Joodse gabbers!
Op de Dam, vlak voor het Koninklijk Paleis, wappert op Goede Vrijdag een Palestijnse vlag. Onder die vlag staat een pittige activiste. Ze is graag bereid met ieder die het horen wil haar feiten over het Midden-Oosten te delen. Moet kunnen, vinden we. We leven in een vrij land.
Wat echt niét kan, is dat gisteren op deze plek de Holocaust werd verheerlijkt en Joodse mensen een gezwel werden genoemd, dat bestraald en verwijderd moest worden. Als we érgens een rode lijn moeten trekken, dan toch hier. Niet ver weg, over zaken waarvan we ons qua complexiteit nauwelijks een voorstelling kunnen maken. Wél bij oplaaiend antisemitisme in ons eigen Mokum.
Waarom dat zo is, wordt nog veel duidelijker als we vanaf de Dam de Mozes-en-Aäronstraat oversteken en in de Nieuwe Kerk terechtkomen. Een speciale tentoonstelling belicht daar de veelzijdige en bewogen geschiedenis van Joods leven in Amsterdam – ofwel Makom-Alef; Hebreeuws voor „plaats A”. We zien hoe gevluchte Sefardische en Askenazische Joden er een thuis vonden dat uitgroeide tot „het Jeruzalem van het Noorden”. De Hollandse koopman en -dominee vonden het prima. Economisch droeg de Joodse gemeenschap bij; religieus vormde ze nauwelijks een gevaar.
Dat de laatste Chanoekaviering grote hinder ondervond, is een gotspe om gallisch van te worden
Relletjes en schermutselingen waren er helaas, door de eeuwen heen, ook. Onder de Duitse bezetter ging het fundamenteel mis. In razend tempo bouwde Nederland een enorme ereschuld op. Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat nog geen eeuw later, nota bene in Makom-Alef, een Jodenjacht kon plaatshebben. Beangstigend.
Of om wat Jiddische woorden van een spandoek in de tentoonstelling te gebruiken: het is volkomen mesjogge dat geteisem een bom plant bij een Joodse school en ermee wegkomt. Dat de laatste Chanoekaviering grote hinder ondervond, is een gotspe om gallisch van te worden. Jatten af van onze Joodse gabbers!
Het is vier uur geweest. We laten de Nieuwe Kerk achter ons. Vol gedachten wandelen we door de druilerige Amsterdamse regen. Over de Singel gaat het. Dwars door de Negen Straatjes. Dan een klein stukje Prinsengracht, waar achter ons als een stille getuige het Anne-Frankhuis staat. In het zuidelijkste stukje van de Jordaan vinden we de Looiersgracht – en evangelisatiepost Bij Simon de Looier. Net als een jeugdvereniging uit Amersfoort trouwens. Hun bevindelijk-gereformeerde rokjes en vlechtjes ademen een weldadige affiniteit met het Oude Testament en het orthodoxe jodendom. Het tedere volkje mengt zich vrolijk onder de geharde Amsterdammers die de post bezoeken.
Reden genoeg om een rode lijn rond de beminden om der vaderen wil te trekken
„Bent u een Jood?” begint evangelist Rini Vos zijn Goede-Vrijdagtoespraak. We zitten op het puntje van onze stoel. Het woord komt van Jehudi, stamgenoot van Juda. Juda staat voor: danken, eer geven, loven. „Bent u een lover of een rover?” wil Vos weten. Onbedoeld zet hij met zijn vraag bij Golgotha’s kruis heel onze gedachtevorming van vanmiddag op scherp. Wat doet de vervulling van de Thora, op deze diep ingrijpende manier door Gods eigen Zoon, met mij? En met anderen? Met jood en heiden?
In gedachten ben ik even terug in Gouda. Voor een groep studenten staat rabbijn Chaïm Eisen. Hij vertelt ze dat ze het Joodse volk veel te danken hebben. Ze worden zalig omdat de Jood Jezus van Nazareth ze leert zich aan de Noachitische geboden uit Genesis 9 te houden. Het eerste is helemaal waar, en eens te meer een reden voor een rode lijn rond de beminden om der vaderen wil. Het tweede heeft een flinke scheut Da Costa nodig. Deze Joodse Christuslover uit het Réveil kreeg in 1860 een eregraf. In de Nieuwe Kerk wacht zijn lichaam op het laatste Pasen.
Peter van Olst was journalist, later evangelist namens de ZGG in Ecuador en is nu werkzaam bij Driestar Hogeschool als regisseur identiteit, vorming en burgerschap.
Vond u dit artikel nuttig?
- Meer over
- Columns
- Dagelijkse column




