Muntjes of QR-code? De charme en uitdagingen van collecteren anno 2026
Als de bel om een uur of zes ’s avonds gaat, weet je wel hoe laat het is. Grote kans dat er een collectant voor de deur staat. „Dag mevrouw, heeft u misschien iets over voor dit goede doel?”

Vaak is de collectant een vage bekende die, ongeacht het doel, minimaal een euro krijgt – voor de moeite. Behalve als het potje met muntgeld leeg is. Het kán trouwens ook een volslagen vreemde jongeman of -dame zijn, met een tablet in de hand en een vlotte babbel. Dat is een ander verhaal. Het eerste wat ze in de regel doen, is zeggen dat ze geen geld willen. Strikt genomen klopt dat, want een collectebus hebben ze niet bij zich. Maar ze hopen je wel over te halen donateur te worden van de organisatie waarvoor ze –betaald– de deuren langsgaan. Die ijver valt in hen te prijzen, maar ik probeer dergelijke gesprekjes in de regel toch vaak maar zo snel mogelijk af te kappen.
Wat die collectanten betreft: ik weet dat ik ze ook via een QR-code een gift kan geven. Maar zelf voel ik er niet veel voor om, staande op de deurmat, m’n telefoon tevoorschijn te halen en m’n bankapp te openen. Onder de ogen van een willekeurige vreemde een hoogst geheime toegangscode intypen: nou nee. Het streven is om het muntgeldpotje gevuld te houden om dat te voorkomen.
Wildgroei
Huis aan huis geld inzamelen heeft oude papieren. Het is volgens Goede Doelen Nederland onder de bevolking nog altijd de meest gewaardeerde manier om een goed doel te steunen. Wat mensen er fijn aan vinden is dat het snel, eenvoudig en anoniem is. Dat geldt ook voor giften via QR-codes, benadrukt deze organisatie. Aardig weetje: nog altijd bestaat driekwart van de opbrengst van deurcollectes uit contant geld.
Tot 1929 was er geen toestemming van de overheid nodig voor het houden van deurcollectes. Dat leidde tot een wildgroei aan inzamelingen. Om die reden werd er in dat jaar een preventief vergunningenstelsel ingevoerd. Wie een collecte wenste te houden, moest daarvoor voortaan eerst een vergunning aanvragen bij het college van burgemeester en wethouders. „Dit systeem bood de nodige controle en zorgde ervoor dat collectes ordelijk verliepen, wat uiteindelijk leidde tot meer vertrouwen onder het publiek”, schrijft het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) op zijn website.
Bepaalde weken zijn in het hele land gereserveerd voor een specifiek doel
Elk jaar zijn er in Nederland ongeveer 25 landelijke collectes, die bij elkaar opgeteld tussen de 35 en 40 miljoen euro opleveren. Dat betekent dat bepaalde weken in het hele land gereserveerd zijn voor een specifiek doel. In de overige weken kunnen gemeenten eventueel een lokaal doel –denk aan een hospice of de voetbalvereniging– vergunning verlenen voor het houden van een huis-aan-huiscollecte. Welke collectes eraan zitten te komen, is terug te vinden op de website van het CBF. De eerste van dit jaar, in de eerste week van maart, is voor Jantje Beton.
Wie zich afvraagt of de eerder genoemde jongelui met een tablet of telefoon in hun hand wel koosjer zijn: daarvoor houdt het CBF op zijn website een zogenaamd wervingsrooster bij. Als je een postcode invoert, kun je zien of er voor een bepaalde week vergunning is aangevraagd voor een donateursactie. Al gaat natuurlijk niemand dat checken op het moment dat je iemand aan de deur te woord staat.
Plastic zakje
Al zijn collectes tegenwoordig veel strakker geregeld dan een eeuw geleden, er gaat ondanks alle goede bedoelingen ook weleens iets mis. Vorig jaar stond er op een avond een collectante voor de deur zonder collectebus. De naam van de organisatie weet ik niet meer; er staat me bij dat het iets medisch was. Het enige wat ze bij zich had, was een geplastificeerde kaart met daarop het logo van het doel waarvoor ze de deuren langsging én een QR-code.
De collectant had een plastic zakje bij zich voor de mensen die alleen maar contant wilden geven
Vermoedelijk las ze nadat ze haar verhaal had gedaan de naderende afwijzing van mijn gezicht af, want ze haastte zich om een alternatieve route voor te stellen. Ze had al meer mensen getroffen die alleen maar contant wilden geven, zei ze, en daarom had ze een plastic zakje in haar jas gestoken. Het zou toch jammer zijn om al die bijdragen mis te lopen. Dat vond ik in eerste instantie ook, dus deed ik eveneens mijn duit in dat zakje. Maar toen ik de deur weer had dichtgeduwd dacht ik: dat is natuurlijk helemaal niet de bedoeling.

Ik sloeg er het collecteprotocol van Goede Doelen Nederland eens op na. Daarin staat waar geld inzamelende instanties zich minimaal aan hebben te houden. Collectanten moet een afgesloten bus ter beschikking worden gesteld, zodat je als gever zeker weet dat je bijdrage goed terechtkomt. Het zakje waar die mevrouw mee kwam, hoe goedbedoeld ook, deugde dus echt niet.
Ambassadeur
Als collectant ben je, zo staat in datzelfde collecteprotocol te lezen, „onbezoldigd ambassadeur” van de organisatie waarvoor je op pad gaat. Zo voelt dat inderdaad wel een beetje. Door die bril kijk ik ook naar mensen die op een geschikt of minder geschikt tijdstip met een collectebus voor de deur staan. Je gaat niet zomaar voor elke willekeurige organisatie de straat op; je staat op z’n minst sympathiek tegenover het doel waarvoor zo’n instantie zich sterk maakt.
Waarbij ik als het om het bestrijden van een ziekte gaat, maar moeilijk de gedachte kan onderdrukken dat de collectant vast iemand kent die ermee te kampen heeft (gehad). Dat hoeft natuurlijk helemaal niet zo te zijn: je belandt soms ook op een lijst met collectanten omdat iemand je vroeg en je geen reden had om nee te zeggen. Maar op de geefbereidheid heeft zo’n verondersteld verband vast een gunstig effect.







