Samenwerkingsverbanden met Oost-Europese kerken moeten op de schop

„Veel westerse zendingsorganisaties bouwden hun eigen missionaire imperiums, alsof er in Oost-Europa geen lokale kerken bestonden.” Foto: straatje met kerk in de Kroatische stad Osijek. beeld iStock

Het Oost-Europese zendingswerk verkeert in een fase van zoeken naar nieuwe wegen. Westerse kerken moeten meer oog hebben voor de eigen Oost-Europese context en een ondersteunende rol gaan spelen, betoogt prof. dr. Anne-Marie Kool.

Oost-Europa wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan nationaliteiten, culturen, kerktradities en religies. Na de veranderingen tussen 1989 en 1991 zien de kerken vele nieuwe uitdagingen onder ogen om getuigen te zijn van Jezus Christus, in woord en daad, in een postcommunistische maatschappij. Deze uitdagingen zijn, nog afgezien van de invloed van globalisatie, pluralisme en secularisatie, enorm en heel complex. De schaduwen van het verleden zijn overal voelbaar. De complexiteit wordt versterkt door de aanwezigheid van de islam in Europa. Dit maakt deze regio tot een spannend laboratorium voor missiologische reflectie en voor zendingswerk.

Missionaire vorming en onderwijs in Oost-Europa bevinden zich in een proces van verandering, van op de schop gaan. Deze zoektocht naar nieuwe wegen om het Evangelie door te vertalen in de postcommunistische context maakt deel uit van de ”policentrische” missionaire beweging, zending van overal naar overal. De eeuwenlange contacten van kerken en christenen in Nederland met christenen en christelijke gemeenschappen in landen van Oost-Europa vervullen een unieke brugfunctie tussen Oost en West.

Dit vereist ook een op de schop gaan van de samenwerkingsverbanden met de westerse kerken. De vraag is welke nieuwe wegen de westerse kerken moeten inslaan voor het bijdragen aan missionaire vorming en onderwijs.

De ineenstorting van de communistische regimes is door de meeste christenen en kerken in Oost-Europa als een geschenk van God ervaren. In veel landen was er geen theologisch onderwijs en werden predikanten ondergronds opgeleid door mensen die regelmatig anoniem het land bezochten. Toen kwamen de ‘veranderingen’ van 1989-1991. De deuren voor missionaire vorming en onderwijs gingen open. De eerste schop ging de grond in. In alle haast werden er in het Westen plannen gemaakt, in de meeste gevallen gebaseerd op wat werkte in de eigen, westerse context.

Invasie

Een ware invasie van veelal westerse zendingswerkers overspoelde Oost-Europa. Westerse zendingsmethoden wonnen aan invloed in kerk en zending in Oost-Europa. Zending werd omgezet in een voorspelbare, efficiënte, berekende en gecontroleerde zendingsstrategie en teruggebracht tot een beheersbare onderneming.

De vraag is hoe deze zendingsstrategie kan worden toegepast op Europa, met 81 procent christenen. Een persoon als ”bereikt” en ”beëvangeliseerd” classificeren wanneer deze zich identificeert als een christen in culturele zin en nooit of slechts af en toe naar de kerk gaat, is op zijn minst problematisch te noemen.

Na deze periode van euforie volgde een periode van ontgoocheling (1998-2008), met een tweeledige kijk op de rol van westerse zendingswerkers. Hoewel er waardering werd uitgesproken voor hun positieve bijdragen, bleek het kopiëren van ”geïmporteerde” modellen uit het Westen niet te werken, omdat ze niet ingingen op de vele ”schaduwen van het verleden”.

Het resulteerde in een botsing van een westers zendingsparadigma, gebaseerd op succes, met de Oost-Europese mindset, die meer wordt gekenmerkt door moeite en lijden. Wat de samenwerking met lokale kerken betreft, groeide er een gedeelde mening dat veel westerse zendingsorganisaties „hun eigen missionaire imperiums bouwden”, alsof er geen lokale kerken bestonden.

Na de periode van ontgoocheling en verlegenheid kwam er een zoektocht naar nieuwe wegen op gang, die tot op heden voortduurt. Vijf dimensies zijn van belang bij deze zoektocht naar nieuwe wegen voor missionaire vorming en onderwijs.

Om de tafel

De eerste dimensie is de zoektocht naar een contextuele benadering van missionaire vorming en onderwijs die, in tegenstelling tot de eerdergenoemde aanpak, wel moeilijke vragen stelt die aan de context gerelateerd zijn. Bij het ”op de schop nemen” van missionaire vorming en onderwijs is het van belang met elkaar om de tafel te gaan zitten om zo te horen wat er eigenlijk speelt in de Oost-Europese context. Ook gaat het om een verstaan van de theologische perspectieven, van wat het Evangelie van Jezus Christus over die concrete vragen zegt. Dit is een proces van luisteren, van elkaar leren en vragen stellen.

In Oost-Europa wordt vragen stellen gezien als het laten blijken van je onkunde. Neem daarbij het nog steeds wijdverbreide wantrouwen, als een schaduw van het verleden, dan is in gesprek gaan gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het is een proces waarbij persoonlijke relaties belangrijker zijn dan projecten en programma’s. De kernvraag hierbij is hoe het Evangelie en de Oost-Europese cultuur met elkaar verbonden moeten worden, hoe de christelijke gemeente in de veranderde situatie kan groeien als een open en gastvrije missionaire gemeente, om een lichtend licht en een zoutend zout te zijn.

Samen leren

Een tweede dimensie is de zoektocht naar informatief en transformatief leren bij missionaire vorming en onderwijs. Theologisch onderwijs in Oost-Europa wordt veelal gekenmerkt door een focus op het overdragen van informatie, informatief leren. Transformatief leren is een manier van lesgeven die nieuwe deuren opent om samen te leren. Het gaat erom een leerproces op gang te brengen waarin de studenten samen leren, in een proces van interactie. De docent is niet degene die alles weet, maar betrekt ook de meegebrachte ervaring en kennis van de studenten in het leerproces. Deze gerichtheid op het zelfstandig leren reflecteren op vragen en het leren formuleren van een eigen mening is nog steeds vrij uniek in het Hongaarse en Oost-Europese theologische onderwijs. Een afwisseling van informatief leren en transformatief leren blijkt het vruchtbaarst te zijn.

Een derde dimensie is de relatie tussen Oost en West. Ook in het theologisch onderwijs zijn er in Oost-Europa de ‘multinationals’, die in Oost-Europa een goede markt zien, en door lage collegegelden en het aanbieden van gratis laptops studenten trekken. Het leidt tot een atmosfeer van wedijveren om de vaak toch al lage studentenaantallen. Er zijn gelukkig in toenemende mater voorbeelden van een vruchtbare samenwerking tussen westerse kerken en partners in Oost-Europa. Het blijft echter een grote uitdaging om de omslag te maken naar het ondersteunen van lokale organisaties. Zij moeten zelfstandig de schop ter hand nemen, waarbij westerse zendingswerkers een ondersteunende rol spelen. Zij moeten meer vragensteller en coach zijn, meer een Barnabas dan de persoon om wie alles draait.

De vierde dimensie is de zoektocht naar de ontwikkeling en het verzamelen van lokale bronnen voor studie en het toegankelijk maken daarvan.

Opwekking onder Roma

De vijfde dimensie in de zoektocht naar nieuwe wegen in missionaire vorming en onderwijs is gerelateerd aan de Roma. Eigenlijk heeft dit thema te maken met de vier eerder genoemde dimensies. In Oost-Europa ligt er voor de kerken een stevige uitdaging, die te maken heeft met de positie van 10 tot 12 miljoen Roma. Er leven vele stereotiepe verhalen en vooroordelen over Roma. De klemmende vraag voor de kerkelijke gemeente is: Hoe ga je om met deze groep, met het anders zijn? Kun je deze naaste liefhebben?

In 2014 organiseerde een Chinese zendingsorganisatie een internationale trainingsconferentie met 200 deelnemers, uit vele hoeken van Oost-Europa, de helft van hen Romapredikanten of zendingswerkers onder de Roma. Als resultaat werd er een netwerk van Romachristelijke gemeenschappen opgericht dat zich uitstrekt over 28 landen. Ondertussen zijn er tekenen van opwekkingen onder de Roma zichtbaar, zoals bijvoorbeeld in Servië. De overgrote meerderheid van de ongeveer 10.000 Roma in de 150.000 inwoners tellende stad Leskovac is moslim. Bijna de helft van de gemeente, die nu na dertig jaar evangelisatiewerk meer dan duizend leden telt, is tot geloof gekomen door een wonderbaarlijke genezing van iemand in de familie.

We weten nog weinig over de opwekkingen die er gaande zijn in andere Oost-Europese landen, zoals Slowakije, Roemenië, Bulgarije en Rusland. Deze Romachristenen voelen zich meer en meer geroepen om het Evangelie ook onder de niet-Roma te verspreiden, vanuit de marge van de maatschappij.

Het is van belang om ons missionaire werk door het Woord van God te laten bepalen. In een toespraak in 1962 voor leiders van Amerikaanse kerken en zendingsgenootschappen sprak Lesslie Newbigin over het brengen van onze missionaire methoden onder het Woord van God. Hij drong erop aan om de Bijbelse en theologische basis van zending opnieuw serieus te nemen. Het volgende citaat heeft me diep geraakt: „Christelijke zending begon niet als iets wat voor de wereld moest worden gedaan, maar als iets wat God voor iedereen heeft gedaan: de overwinning op de dood. De verrezen Heer met ons – dat is het uitgangspunt. (…) Hij heeft de wereld overwonnen, en alle dingen –de dingen die ons zo verbazen en beangstigen– zijn in Zijn handen, om te handelen zoals Hij wil. Hoe dom zijn we als we ons ertoe laten verleiden om een andere gezagsbron en zekerheid voor ons zendingswerk te zoeken, alsof wie Christus is en wat Hij heeft gedaan geen goede reden zou zijn om zingend naar de einden der aarde te gaan.”

De auteur is hoogleraar missiologie aan het Evangelical Theological Seminary in Osijek (Kroatië) en directeur van het Osijek Institute for Mission Studies. Dit artikel is een verkorte weergave van de Hendrik Kraemerlezing die de auteur op 8 juni hield aan de PThU in Amsterdam.