Existentieel herstel belangrijk thema in klinische godsdienstpsychologie

De klinische godsdienstpsychologie houdt zich niet uitsluitend bezig met gódsdienst. Het gaat ook om existentiële factoren in bredere zin. Hoop is zo’n cruciale existentiële factor. beeld iStock

De klinische godsdienstpsychologie draait om de relatie tussen psyche en geloof in de context van psychische ziekte of mentale gezondheid. Het gaat erom hoe religie en spiritualiteit ons psychisch functioneren beïnvloeden. Ook speelt de vraag hoe psychologische processen een rol spelen in geloof en ongeloof. Tweerichtingsverkeer dus.

Gelukkig is er momenteel in wetenschappelijk onderzoek binnen de ggz meer aandacht voor zingeving dan voorheen. Maar juist in een tijd waarin religieuze overtuigingen en praktijken aanzienlijk zijn geïndividualiseerd, in een pluriforme cultuur, is aandacht voor de ínhoud van religie, spiritualiteit en zingeving essentieel in het onderzoek naar de relatie met mentale gezondheid.

Nu houdt de klinische godsdienstpsychologie zich niet uitsluitend bezig met gódsdienst. Het gaat ook om existentiële factoren in bredere zin. Hoop is zo’n cruciale existentiële factor. Hoop kan tot uiting komen in verwachting, in motivatie. Daarom wordt hoop ook gezien als een cruciale factor in therapie en als sleutel tot herstel.

Herstel in brede zin

Klinische godsdienstpsychologie bestudeert de relatie tussen psychopathologie en religie, spiritualiteit en existentie. Psychische problematiek is daarbij geen vast gegeven, maar kent een ontwikkel- en veranderproces. Professionele hulpverlening is erop gericht om die processen in gunstige zin te beïnvloeden. Datzelfde geldt voor de religieuze en existentiële factoren. Ook die kunnen veranderen. Bij existentiële crises kan het gevecht om zin en betekenis verergeren, maar er kan ook existentieel herstel optreden. Dat omvat hoop en zingeving, geloof en geloofsbeleving, evenals identiteit (de wijze waarop je je verhoudt tot jezelf en je klachten).

Existentieel herstel is een belangrijk onderzoeksthema in de klinische godsdienstpsychologie. Behandeling of begeleiding heeft daarbij niet zozeer als doel dat iemand weer helemaal beter wordt. Doel is veeleer herstel in brede zin. Daarbij gaat het niet alleen om afname van de klachten, maar ook om leren omgaan met je beperkingen, om herstel van hoop en zingeving en groeien als persoon. Het gaat dan beter, ook al is iemand nog niet volledig vrij van psychische klachten.

Als iemand het leven als zinloos ervaart, waarom zou hij of zij moeite doen om bijvoorbeeld van een verslaving af te komen? Maar als je weer ontdekt waar je het voor doet en hoop krijgt dat het beter kan worden, geeft dat vechtlust en volharding om het herstelproces te doorlopen. In de psychiatrie is dan ook onderzoek nodig naar het potentieel van existentiéél herstel in de context van behandeling en begeleiding.

Identiteit gaat over de vraag wie je bent, hoe je naar jezelf kijkt en hoe je je tot je eigen levensgeschiedenis verhoudt. Belangrijke vraag hierbij is: In hoeverre kun je aanvaarden dat je bent zoals je bent, of kijk je kritisch naar jezelf en wil je liever anders zijn? Zelfkritiek kan heel gemakkelijk een rol spelen in de manier waarop je je verhoudt tot jezelf. Je vindt dan dat je tekortschiet en niet voldoet aan de eisen. Dit resulteert in gevoelens van schuld en schaamte, in zelfveroordeling en zelfafwijzing.

Zelfkritische mensen hebben een verhoogd risico op psychische problemen. Er is een relatie tussen zelfkritiek en de aard, ernst en duur van psychische klachten.

Zelfkritiek en zelfveroordeling spelen ook een rol in de veroordeling van de problematiek of van de eigen persoon (als iemand met psychische problemen). Die problematiek mag er niet zijn. Men vindt het moeilijk om te erkennen dat zich heftige dingen in hun verleden hebben afgespeeld („was het nou echt zo erg” zeg je gemakkelijker dan: „er is wel degelijk iets gebeurd”). Men vindt dat het over moet zijn („wat stom dat ik hier nu na al die jaren nog last van heb”). Hier zitten aangrijpingspunten voor existentieel herstel.

Interessant is dat de positieve psychologie bekende psychologische concepten als zelfwaardering en zelfrespect ter discussie stelt, juist omdat ze stoelen op vergelijkingen en oordelen. Als alternatief wordt gewezen op zelfcompassie. Dat gaat over een aanvaardende, niet-veroordelende en vriendelijke houding tegenover jezelf, je tekort en je lijden. Je eigen problemen zie je dan als deel van de algemene menselijke ervaring.

Zelfcompassie zie ik als een manier om je te verhouden tot jezelf en je stoornis, en niet alleen als een emotieregulatiestrategie. Zelfcompassie lijkt ook een rol te spelen bij herstel. Onderzoek toont dat zelfcompassie samengaat met minder (faal)angst, depressie en perfectionisme en een groter vermogen om met ”life stressors” (waaronder bijvoorbeeld kindermishandeling) om te gaan.

Huiswerk voor kerken

Zelfcompassie wordt wel gepresenteerd vanuit de boeddhistische psychologie. Dat roept vragen op. Zijn boeddhisten beter in zelfcompassie? Of gaat het alleen om een techniek, die bij iedereen even goed ‘werkt’?

Dit betwijfel ik. Hoe je je verhoudt tot jezelf hangt samen met de manier waarop je je verhoudt tot anderen, tot de wereld en tot God. Dit impliceert dat existentieel herstel door toenemende zelfcompassie ook afhangt van je levens- en geloofsovertuiging. Hoe de relatie tussen religie en zelfcompassie is, zie ik daarom als een belangrijke onderzoeksvraag. Vervolgvraag is dan hoe zelfcompassie een plek heeft in de relatie tussen existentieel en klinisch herstel. Bij het beantwoorden van dergelijke vragen is een kritische dialoog tussen psychologie en theologie of religiewetenschappen verrijkend en gewenst.

Geestelijk verzorgers, predikanten en pastores kunnen van grote waarde zijn voor het existentieel herstel van mensen met een psychiatrische stoornis. Vanuit hun eigen professionele kader kunnen zij het gesprek voeren over levensvragen en zingevingsproblemen, twijfels en geloofsworstelingen. Samenwerking en afstemming tussen pastoraat en geestelijke gezondheidszorg zijn daarbij essentieel.

Nog steeds gebeurt het dat een hulpverlener bepaalde angsten in het religieuze domein als pathologisch ziet, terwijl de pastor ze als positief en heilzaam waardeert.

En uit onderzoek binnen kerken blijkt dat velen het niet veilig vinden om binnen de geloofsgemeenschap te spreken over psychische problemen. Dat betekent huiswerk voor de kerken.

De auteur is rector van het Kennisinstituut christelijke ggz (Eleos/ De Hoop ggz) en bijzonder hoogleraar klinische godsdienstpsychologie aan de Vrije Universiteit. Dit artikel is gebaseerd op de inaugurele rede die zij op 14 juni hield bij de aanvaarding van haar ambt als bijzonder hoogleraar Klinische Godsdienstpsychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. De volledige rede is te lezen op www.kicg.nl.