Kerk & religie

Dr. ir. J. van der Graaf schreef het boek ”Deelgenoot van een kantelende tijd”

Het ging allemaal heel sluipend, in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. De grote maatschappelijke zuilen brokkelden af, de kerken liepen leeg en Nederland seculariseerde. Dr. ir. J. van der Graaf maakte het allemaal mee. Maar somber is hij niet. „Wie zegt dat er geen opwekking komt?”

Dr. ir. J. van der Graaf. beeld RD, Anton Dommerholt

Op verzoek van de Apeldoornse uitgeverij De Banier schreef de voormalig algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond het boek ”Deelgenoot van een kantelende tijd”. Daarin vermeldt hij allerlei persoonlijke herinneringen aan diverse maatschappelijke, kerkelijke en geestelijke ontwikkelingen in de afgelopen decennia. Om door te geven aan het volgende geslacht.

Nee, een autobiografie is het niet, benadrukt Van der Graaf in zijn werkkamer in Huizen. „Ik ben een radertje geweest in het grote geheel. In het boek zitten weliswaar eigen ervaringen en beschouwingen, maar het moet niet de wereld ingaan als de autobiografie van Jan van der Graaf.”

Voor een autobiografie is het boek ook niet volledig genoeg, al bevat het een persoonlijke levensschets van meer dan vijftig pagina’s.

Banaan

Jan van der Graaf (78) groeide op in Rijsoord, behorend tot de gemeente Ridderkerk. Het gezin was hervormd maar ging uit onvrede over de prediking in 1945 over tot de Gereformeerde Gemeenten.

Van der Graaf zelf keerde begin jaren vijftig terug naar de Nederlandse Hervormde Kerk. „De prediking van ds. R. Bartlema heeft me gestempeld”, schrijft hij. „Het Woord ging open voor mijn hart door de sterke exegese, terwijl bevinding uit het Woord zelf opkwam en niet uit de ervaring van Gods volk. De uitverkiezing was in zijn prediking een leerstuk vol troost.”

Zijn vroegste herinnering is dat hij op de schoot van zijn grootmoeder een banaan at. „Maar veel dieper gaat de herinnering aan mijn eerste existentiële besef van de ernst van sterven. Ik was nog een kind. Mevrouw Kranendonk, de grootmoeder van de huidige hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad, was in de leeftijd van 47 jaar plotseling gestorven. Het gezin Kranendonk vulde een hele kerkbank. In de kerk zongen we Psalm 103:8: „Gelijk het gras is ons kortstondig leven…””

Een bijzonder moment veel later, zegt Van der Graaf, was toen de destijds vrijgemaakt gereformeerde hoogleraar prof. dr. J. Douma hem in 1971 „broeder” noemde. „Hij prees de inhoud van ”Het getuigenis”, opgesteld door prof. dr. G. C. van Niftrik, waarbij ik ook betrokken was. Maar hij zei er wel bij dat het tot stand was gekomen binnen het kerkelijke Babel, waar gereformeerden niet thuishoorden. Nochtans noemde hij mij broeder. Het was voor het eerst dat ik dat uit een vrijgemaakte mond hoorde.”

U maakte het allemaal mee: ontzuiling, ontkerkelijking, horizontalisering in de theologie. Kwamen die als een verrassing?

„Tijdens het schrijven sta je verbaasd over wat er allemaal is gebeurd. In mijn beleving ging alles allemaal heel geleidelijk, sluipenderwijs. Al waren er ook heel schokkende momenten, zoals toen de vrijzinnige Leidse hoogleraar P. Smits in 1959 de verzoening door voldoening loochende. „Geef mijn portie maar aan fikkie”, zei hij in een Goede Vrijdagoverdenking.

Een paar jaar later kwam ik in het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Van nabij heb ik meegemaakt hoe ds. G. Boer, die een minderheidsrapport over de kwestie opstelde, existentieel heeft geleden aan de miskenning van het klassieke leerstuk van de verzoening. Ik denk zelfs dat hij er uiteindelijk aan is overleden. Hoe ds. Boer preekte over de verzoening door het offer van Christus aan het kruis van Golgotha – zo indrukwekkend dat het mijn geestelijk leven heeft gestempeld.

Er zijn wel meer maatschappelijke en kerkelijke ontwikkelingen geweest die mij pijn deden, maar de ontkenning van Jezus Christus en Dien gekruisigd, raakt me het diepst in mijn bestaan.

Uiteindelijk kwam de ketterij van Smits ook de Gereformeerde Kerken binnen, door prof. dr. C. J. den Heyer. Dat heeft me toen hevig aangegrepen. De kerk heeft deze ketterij gelukkig niet onweersproken gelaten.”

De kerken bevorderden de secularisatie, stelt u.

„Ik zet mijn boek bewust in bij kerkelijke ontwikkelingen en niet bij maatschappelijke veranderingen. Het oordeel begint bij het huis van God. De apostolaatstheologie na de Tweede Wereldoorlog, waarin de Hervormde Kerk als Christusbelijdende geloofsgemeenschap haar roeping voor de wereld beleed, leidde op termijn tot een horizontale prediking en droeg uiteindelijk bij aan de ontkerkelijking, samen met de deconfessionalisering in de Gereformeerde Kerken. De wereldgerichtheid van de kerk heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de secularisatie, de verwereldlijking van de samenleving.”

Als algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond stond u midden in het kerkelijk leven. Waarvan denkt u achteraf: dat had ik anders moeten doen?

„Ik maakte in 1977 deel uit van een delegatie van de Gereformeerde Bond die een bezoek bracht aan de blanke kerken in Zuid-Afrika. We dachten verschillend over de apartheid. Ds. W. L. Tukker was een voorstander, prof. dr. C. Graafland het meest kritisch. Ik zat daar een beetje tussenin. In het licht van de bevrijdingstheologie was die houding misschien te begrijpen, maar goed was die niet.”

Terwijl Nederland ontzuilde, werd de reformatorische zuil opgebouwd. U bent behoorlijk kritisch.

„Meestal zien we op het terrein van de zuilen geen revivals optreden. Die zijn, door Gods genade, wel aan de kerk gegeven. De zogeheten gereformeerde gezindte is de kerk niet. Integendeel, ze is het gevolg van de verregaande versplintering van de kerk van de Reformatie.

De herzuiling kon het tij van de ontkerkelijking niet keren. De nieuwe zuilen missen een brede visie op de samenleving en zijn te veel gericht op het bewaren van verworvenheden. We moeten goed beseffen dat 95 procent van onze mensen in de windvang van de tijd staat. De zuil zou meer moeten zoeken naar versterking van de innerlijke weerbaarheid, in openheid naar de samenleving.

Verzuiling als principe schuurt volgens mij met de theocratische gedachte: God regeert en dat mag en moet heel het volk weten. Dan kun je dat volk wel de Tien Geboden voorhouden, zoals meestal gebeurt, maar dat moet gepaard gaan met de wekroep om navolger van Christus te zijn. Het heil ligt niet in de wet, maar in Hem.

Ik plaats ook kanttekeningen bij de benaming reformatorisch –als alternatief voor gereformeerd– en de begrippen bevindelijk gereformeerd en biblebelt. Die woorden werken isolerend en stigmatiserend.

Reformatorisch betekent terug naar de Reformatie in de zestiende eeuw. Het is maar de vraag of er inderdaad wordt teruggegrepen op Luther en Calvijn. Ik ontken niet dat de noodzakelijke Nadere Reformatie bepaalde accenten heeft gelegd waar de Reformatie minder oog voor had. Maar de latere ontwikkelingen hebben uiteindelijk kerkscheidend gewerkt.

Ik denk ook niet dat het woord bevindelijk gereformeerd te definiëren is, zoals dr. C. S. L. Janse doet. Dan kijk je naar uiterlijke kenmerken, of je ergens voor of tegen bent. Bevinding is echter een persoonlijke zaak –de inwerking van de Geest– en geen groepsgebeuren.”

U maakte van dichtbij het Samen-Op-Wegproces mee, dat leidde tot de vorming van de Protestantse Kerk in Nederland in 2004. Prof. Graafland sprak van een „historische vergissing”. Mee eens?

„Nee. Misschien zeg ik het wat scherp, maar Graafland heeft slechts een blauwe maandag in de commissie kernen van belijden gezeten. Hij heeft zijn verantwoordelijkheid binnen Samen-Op-Weg niet verstaan. Hij ging desondanks zelf wel mee in de Protestantse Kerk.

Als algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond zat ik als een spin in het web van het Samen-Op-Wegproces. Ik heb me er sterk tegen verzet, maar op een gegeven moment waren de ontwikkelingen onvermijdelijk. Een historische vergissing was de Protestantse Kerk niet, wel een pijnlijke beslissing. Pijnlijk, omdat mensen die bij elkaar hoorden, werden gescheiden.”

Op 1 mei 2004 was het dan zover: in de Utrechtse dom werd, in tegenwoordigheid van koningin Beatrix, de ”Verklaring van vereniging” onder applaus getekend. U was er niet bij, ondanks een uitnodiging.

„Ik was daar op dat moment te emotioneel voor en wilde niet dat er allerlei camera’s en microfoons op me gericht zouden zijn. En applaudisseren, dat was me onmogelijk.”

Hoe ziet u de toekomst van de kerk in Nederland, na een jarenlange kaalslag?

„De crisis van deze tijd zie ik verhevigen. De westerse cultuur seculariseert steeds verder. De Heere zou best weleens de kandelaar van Zijn kerk uit Europa kunnen weghalen. Ik sta er dubbel in, want wie zegt dat hier door de crisis heen geen opwekking of verlevendiging zal kunnen plaatsvinden? Die zal ons weer dichter bij elkaar brengen. Ik hoop hevig dat de Geest door de kerken zal gaan en ons tot bekering zal brengen.”

U sluit niet voor niets af met een paragraaf over Israël. Die lijkt bijna een liefdesbetuiging.

„Ja. De liefde voor het Joodse volk was bij mij al vroeg gewekt. Toen ds. G. H. Kersten direct na de oorlog tijdens een doordeweekse dienst in Ridderkerk had gezegd dat de Joden nooit meer naar hun land zouden terugkeren, als straf omdat ze Jezus hadden gedood, kwam mijn vader verontwaardigd thuis.

Ik geloof dat de Heere God, die Israël de eeuwen door heeft bewaard, nog iets in petto heeft voor Zijn volk. In Ezechiël 37 wordt het visioen van het knekeldal beschreven. De beenderen zijn al bijeengekomen in de terugkeer van het Joodse volk naar het land der vaderen; het wachten is nog op de profetie van de Geest, waardoor het lichaam tot leven wordt gewekt. Dr. Henk Vreekamp zei ooit: De kerk is zonder Israël niet volgroeid.”


Jan van der Graaf

Dr. ir. Jan van der Graaf, geboren op 12 januari 1937 in Rijsoord, studeerde chemische technologie aan de Technische Universiteit Delft. In 1973 werd hij benoemd als algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Van 2000 tot zijn pensioen in 2002 was hij studiesecretaris van de Gereformeerde Bond. Van der Graaf schreef verschillende boeken en werkte mee aan bundels en artikelen. Bijna wekelijks verscheen er een artikel in De Waarheidsvriend, waarvan hij ongeveer dertig jaar eindredacteur was. Ook maakte hij dertig jaar deel uit van het EO-zaterdagavondpanel Deze Week. Van der Graaf ontving in 1994 een eredoctoraat van de Gereformeerde Theologische Radai Academie in Boedapest in Hongarije. Hij woont met zijn vrouw in Huizen.