Is de bekommernis om Russische paarden in Oekraïne een hoopvol signaal?
Rusland zet paarden in op het slagveld in Oekraïne. Wat zegt het dat deze dieren meer barmhartigheid gegund wordt dan hun berijders?
Onlangs verschenen er berichten dat het Russische leger de cavalerie weer inzet na decennia van afwezigheid: Rusland heeft letterlijk het paard van stal gehaald en dit edele dier teruggebracht op het gevechtsveld. Militairen en strategen gaven bij radiozender BNR commentaar op wat dit zegt over de staat van het Russische leger. Mogelijk zijn er onvoldoende tanks, is het terrein te uitdagend voor de beschikbare voertuigen of moest er een logistieke puzzel opgelost worden waarvoor op de gevraagde termijn geen alternatieven voorhanden waren.
Te midden van al deze strategische beschouwingen las ik een opmerkelijke toevoeging, namelijk dat de Oekraïense dronepiloten „aanvankelijk veel moeite hadden met het doden van de paarden”. Er stonden ter illustratie filmpjes bij. Ervan uitgaande dat die echt zijn, lijkt het er inderdaad op dat de Oekraïense dronepiloten eerst hun drones op de paarden afsturen, zodat de dieren onrustig worden en hun ruiters van zich afgooien. Daarna opent de dronepiloot in een tweede aanval het vuur op de ruiters. De paarden laat hij ongedeerd wegkomen.
In een wereld waarin geordend recht geen gedeelde waarde, maar een onhandig relikwie gevonden wordt, waarin „alleen mijn moraliteit telt”, zoals Trump de wereld onlangs liet weten, zouden we tot een pessimistische conclusie kunnen komen. Waar is de moraliteit te midden van al dat oorlogsgeweld? Des te opvallender was het dus dat de Oekraïense dronepiloten zich om de paarden bekommerden.
Een paard vormt geen gevaar, want het kan geen wapen op ons richten
Is deze bekommernis een hoopvolle uitzondering op de regel, of was het een strategische keuze van de commandant, die wellicht aanvoelde op wat voor krantenkop hij kon rekenen als hij de paarden zou doden? Van dieren blijf je af, daar lijkt iedereen het over eens te zijn. Enerzijds is het hoopvol dat er gedeelde zorg bestaat over het lot van paarden. Anderzijds is het zorgelijk, hypocriet of zelfs decadente moraalridderij dat onze bekommernis zich richt tot dieren.
Als we ons cynisme opzijzetten en stellen dat de onschuld van het paard aan dit conflict de basis van het morele oordeel is, gloort er dan mogelijk hoop voor het sparen van mensen in oorlog? Is onschuldig zijn aan of in een conflict een moreel argument voor het sparen van leven, zowel van mens als dier? Vaak wordt er over ”onschuldige burgerslachtoffers” gesproken, maar nooit over ”onschuldige soldaten” – ook al vechten ze bijvoorbeeld onvrijwillig mee omdat ze nu eenmaal dienstplichtig zijn. Dienstplichtige soldaten hebben net als dat paard geen keus om al dan niet in het vizier van de tegenstander te lopen. Zouden we die dan ook niet moeten sparen?
In de traditie van de rechtvaardige oorlog, waarvoor Thomas van Aquino in de dertiende eeuw een belangrijke aanzet deed, zijn argumenten geformuleerd over wanneer men wie dient te sparen in tijden van oorlog. Die gingen vaak niet per se over iemands onschuld, maar of iemand een gevaar vormt. Daaruit volgt dat een paard geen gevaar vormt, want het kan geen wapen op ons richten, in tegenstelling tot een soldaat of zelfs een burger die naar de wapens grijpt.
Aquino verwijst in zijn betoog over een rechtvaardige oorlog niet alleen naar de Bijbel maar ook vaak naar Augustinus. Die zegt: „Wees dus vredelievend terwijl je oorlog voert, zodat je degenen tegen wie je vecht tot de voorspoed van de vrede brengt als je hen overwint.” Was het sparen van de paarden door dronepiloten mogelijk het gefluister van Augustinus in het heetst van de strijd? In een tijdperk waarin het Westen zich niet meer unaniem achter hetzelfde morele kader schaart, zou het mooi zijn als we niet alleen onze bekommernis over het lot van dieren delen, maar het ook over Augustinus’ wijsheid eens worden.
Christine Boshuijzen-van Burken is ethicus aan de Nederlandse Defensie Academie en verbonden aan de leerstoel christelijke filosofie aan de TU Eindhoven.







