Milalu Lunga: Als iemand sterft, blijft de liefde toch
Het is een late zomermiddag, juni 2022. Milalu Lunga wacht op het muurtje in zijn achtertuin tot zijn zoon Remi thuiskomt. Maar Remi komt niet. Remi komt nooit meer. Met Remi’s sterven komt Lunga’s toch al niet makkelijke leven in een crisis. Een crisis waarin de Congolese vluchteling weet: de waarheid moet boven tafel.
Wie Kampen kent, kent Brunnepe, een wijk met smalle straatjes die Spaarbankstraat of Eenvoudstraat heten. In kleine huisjes wonen oude Kampers met een brouwende ”r” of jonge gezinnen waarvan de kinderen op straat spelen. Bij een van de huizen staat bij de voordeur een exotische achternaam: ”Familie Lunga”. Hier woont Milalu met zijn vrouw en vier kinderen.
Vanaf de zitbank in de woonkamer van de Lunga’s trekt de buffetkast de aandacht. In sobere bewoordingen vertellen Jacolien en Milalu de verhalen achter de foto’s en voorwerpen. „Dit is mijn moeder”, wijst Milalu naar een zwart-witfoto van een Afrikaanse vrouw. Bovenin staan twee foto’s van zussen van Jacolien die op jonge leeftijd overleden. Op de middelste plank staan de Bijbel en het dagboek van Remi, Milalu’s zoon die in 2022 verongelukte. Bij een zilveren beker van een atletiekwedstrijd staat een foto van Remi die met een hoge sprong over de finish van de renbaan komt. Milalu, trots: „Hij kwam na elke hardloopwedstrijd met een prijs thuis.”
Jacolien is bij de eettafel bezig met met het inpakken van ansichtkaarten voor de webshop van Casa Nathanael. Haar blonde dochtertje helpt op haar manier met het aangeven van enveloppen. Casa Nathanael is de stichting die Jacolien en Milalu oprichtten om een opvangplek voor kansarme kinderen in Congo te steunen. „De naam die we gaven aan onze stichting herinnert aan Remi. Zijn doopnaam is Silvan Nathanael. Remi is zelf niet in Afrika geweest, maar zijn hart lag daar”, vertelt Jacolien. Tijdens het gesprek is ze op de achtergrond aanwezig en vult Milalu soms even aan.
Welke vroege herinneringen hebt u aan uw jeugd in Afrika?
„Ik ben geboren in een dorpje in Congo, dicht bij de plek waar de rivier de Congo eindigt. Dat is in het zuidwesten, waar het land aan de zuidkant grenst aan Angola en aan de westkant een klein stukje kust heeft aan de Atlantische Oceaan. Ik kom uit een gezin met acht kinderen. Mijn vader bemoeide zich weinig met ons. Hij wilde ons als kinderen nog geen geld geven om schriften voor school van te kopen. Mijn moeder droeg veel verantwoordelijkheid. Ze bakte oliebollen die ik dan verkocht aan klasgenoten op school. Ik schaamde me ervoor. Ik vind handelen nog steeds niks.

Ons gezin woonde in een groot, stenen huis. Dat was gebruikelijk in ons dorp. Ik denk dat 80 procent van de mensen in een stenen huis woonde. Alleen echt arme mensen hadden een hut.
Eerst ging ik in ons dorp naar de lagere school. Toen ik groter werd, ging ik twee jaar naar een school wat verder van huis, in Kimpese. Later volgde ik een hbo-opleiding in de hoofdstad, Kinshasa. Mijn oom woonde daar. Hij betaalde mijn opleiding.
De school in Kinshasa was van zendelingen uit Zweden. Mijn ouders waren ook christelijk. Mijn moeder was zondagsschooljuf.
Ik koos voor de richting petrochemie. Petrochemie heeft te maken met olie en hoe je dat kunt verwerken tot brandstof. Ik leerde graag en deed een vakopleiding op dat gebied. Maar mijn vader en oom kregen een conflict over hoe mijn studie bekostigd moest worden. Mijn oom vond dat ik zelf maar aan mijn geld moest komen. Als ik thuiskwam uit school kreeg ik wat zwartgeblakerde restjes rijst. Mijn oom had een winkel en om te verdienen moest ik daar kratten bier gaan verkopen. Ik hield geen tijd over om te studeren. Ik voelde dat ik niet meer welkom was bij mijn oom en tante. Daarom zocht ik zelf een woonplek en ging ik bijles geven aan kinderen om wat te verdienen.”
Wat werd uw beroep?
„Ik ging aan het werk bij een raffinaderij. Ik woonde op een militaire basis in Kitona, dicht bij de kuststad Moanda. In die tijd was er oorlog tussen Congo en Angola. De Congolese president steunde rebellen in Angola. Het was een gevaarlijke plek om te wonen, want Angola nam wraak voor de Congolese steun aan het rebellenleger. Op een dag viel er een bom op onze kazerne. Gelukkig ontplofte die niet.
Ik werkte bij verschillende bedrijven, deed onderzoek naar de kwaliteit van oliën. Soms moest ik naar booreilanden. Dan werd ik daar met een helikopter naartoe gevlogen. Maar iedere keer werd mijn contract niet verlengd. Ik had geen netwerk. En hoewel ik kundig was, kregen bekenden of familieleden van de bedrijfsleiding mijn baan. Ik besloot mijn geluk te gaan beproeven in Angola. Er was nog steeds oorlog en de oversteek over de rivier de Congo naar Angola kostte veel geld. Wat ik nog aan geld had, verstopte ik hier.” Lunga wijst naar zijn schoen.
Kreeg u in Angola meer kansen?
„Ik kwam in de hoofstad Luanda. Ik leerde er Portugees, de taal van Angola. Een tijdje was ik docent scheikunde op een middelbare school. Ook in Angola ging ik weer werken in de olie-industrie.
Ondertussen bleef de Angolese burgeroorlog tussen de overheid en rebellen doorgaan. Ik wilde niet langer in Angola zijn. Nu had ik een zwager die een belangrijke functie had in het Angolese parlement. Via hem kon ik het land uit. Ik nam een andere naam aan, zodat ik niet makkelijk teruggestuurd kon worden.
Met een diplomaat en een groep Angolezen vlogen we naar Portugal. Vanaf Lissabon reisde ik via Parijs en Brussel naar Rotterdam. Mijn zwager bleef logeren bij zijn dochter die in Brussel woonde. Ik reisde door naar een kennis van mijn zwager, een man in Gouda. Ik woonde even bij die man thuis. Hij zei dat ik asiel moest aanvragen in Nederland. Dat heb ik toen gedaan.”
Hoe waren uw eerste jaren hier in Nederland?
„Terwijl mijn asielaanvraag liep, woonde ik in asielzoekerscentra: Beekse Bergen, Ede, Hooghalen, Westerbork, Emmen. Ik had geen geldige papieren bij me. In 2004 was ik uitgeprocedeerd. Ik moest weer terug naar Angola. Dat jaar kreeg ik een relatie met een christelijke vrouw. Zij huurde een flat in Leiden en ik trok bij haar in. Daar zat ik ondergedoken.
Rita Verdonk was in die tijd minister voor Vreemdelingenzaken. Ze voerde een streng beleid. In 2005 brak de Schipholbrand uit in het complex waar asielzoekers zaten die weer naar hun land van herkomst moesten. Nederland kreeg het stempel dat vluchtelingen hier gedeporteerd werden. Omroep VARA zond in diezelfde tijd een serie uit: ”26.000 gezichten”. Dat ging over 26.000 uitgeprocedeerde asielzoekers. Door de filmpjes op tv kregen ze een gezicht. Mede door die uitzending kwam er een generaal pardon. Ik was een van die 26.000 mensen die onder dat pardon vielen.”
U woonde een tijd illegaal in Nederland. Hoe was dat?
Lunga duikt ineen, zijn hoofd tussen zijn schouders. „Ik was veel in huis, altijd bang om opgepakt te worden. Ik bracht kranten rond op mijn brommer. Die was niet verzekerd. Op een dag controleerden politieagenten mijn brommer. Toen ze ontdekten dat die niet verzekerd was, namen ze hem in beslag. Ze lieten mij gaan, maar door die ervaring werd ik nog banger.
Ik vond het wel fijn om naar de kerk te gaan. Ik ging met mijn vriendin mee naar de gereformeerde gemeente in Leiderdorp. Daar werd ik goed ontvangen. Mensen waren er betrokken en belangstellend. Ze hielpen me ook om een verblijfsstatus te krijgen. Ik moest aantonen dat ik in de periode van 2004 tot 2007 steeds in Nederland had gewoond. Mensen uit de gemeente bevestigden: „Ja, Milalu is al die tijd bij ons in de kerk geweest.””
Zijn in die tijd ook uw oudste kinderen geboren?
„Ja. In 2005 werd Louisa geboren en in 2008 Remi. Maar kort daarna kreeg hun moeder een andere vriend. Ze ging bij me weg en ik bleef met twee kinderen achter. Ik deed in die tijd een werken-lerentraject. In het azc in Emmen was ik begonnen met een opleiding installatietechniek. Toen ik mijn verblijfsvergunning kreeg, ging ik verder met die opleiding en werkte ik een paar dagen per week bij een installatiebedrijf. Het was een heel moeilijke tijd. Hoe moest ik voor de kinderen zorgen en mijn opleiding en werk blijven doen? Gelukkig waren er mensen uit de kerk in Leiderdorp die oppasten op Louisa en Remi.”
Hoe hebt u die situatie uiteindelijk opgelost?
„Een Ethiopische vriend zei tegen mij: „Meld je aan bij deze reformatorische datingsite, opzoeknaarjou.nl.” Zo leerde ik Jacolien uit Kampen kennen. Ik had een goede klik met haar. We trouwden in 2011.”
Een foto van die dag laat het stel zien: Milalu in een zwart pak, Jacolien in een zwarte jurk met witte rand, Louisa en Remi in prachtige kleertjes. Het gezin ging in Kampen wonen. Lunga had verschillende banen tot hij in 2016 aangenomen werd als conciërge op het Hoornbeeck College. „Ik werk daar nog altijd en heb het er goed naar mijn zin.”

Toch zal het niet altijd makkelijk zijn om de enige kleurling te zijn op het werk of in de kerk. Hoe ervaart u dat?
„Soms maken mensen slechte grappen of onhandige opmerkingen. Ik hoor docenten dingen zeggen waaruit ik opmaak dat ze denken dat Afrikanen een lager IQ hebben. Als ik zoiets merk, geef ik meteen een reactie. Ik wil daar niet mee blijven lopen.
In de kerk waar wij lid zijn, de oud gereformeerde gemeente in Nederland in Kampen, helpt het mij dat ik getrouwd ben met een refovrouw. Maar Afrikanen zullen zich daar niet snel welkom voelen. Zij zoeken toch naar een kerk waar ”health and wealth” gepreekt wordt en waar ze opwekkingsliederen kunnen zingen. De kerk in Leiderdorp was actief met evangelisatie. Ze kwamen daar gewoon met een auto naar het azc om vluchtelingen naar de kerk te laten komen. En ik zie dat er in de gereformeerde gemeente in Kampen ook wel meer mensen komen die naar Nederland zijn geëmigreerd. Maar onze gemeente doet niet aan evangelisatie, dus ik denk niet dat er veel mensen met kleur aan zullen sluiten.”

U moest met uw vrouw bouwen aan een samengesteld gezin. Hoe was dat?
„Het is goed en christelijk dat een kind in verbinding blijft met de eigen moeder. We hebben ons best gedaan om Remi en Louisa contact te laten houden met haar. Zij had daar ook recht op. Maar de kinderen wilden niet meer naar haar toe. Ik zei tegen hen: „Je achtergrond kun je niet verwijderen, probeer het.” Maar uiteindelijk brak de band.
Jacolien werd moeder van Remi en Louisa en van onze gezamenlijke kinderen: Fabian, Celina en Yannick. Zij kwamen uit liefde en werden binnen een huwelijk geboren. Ook vanuit mijn achtergrond is het niet goed dat kinderen uit een buitenechtelijke relatie geboren worden. Kinderen horen te komen wanneer je getrouwd bent. Dan ben je meer met elkaar verbonden. Je kunt het dan ook kerkelijk verantwoorden.
Eerst kon ik in de kerk in Leiderdorp mijn kinderen ook niet laten dopen. Ik was daar geen lid. Maar toen ik met Jacolien getrouwd was, zijn Louisa en Remi nog in die gemeente gedoopt, in het bijzijn van hun moeder.”
Er leek wat rust te komen in jullie gezin. Tot de dag waarop Remi op 14-jarige leeftijd verongelukte. Wat herinnert u zich van die dag?
„Dat was een klap in ons gezin. Waarom, dacht ik. We hebben al zoveel meegemaakt, komt nu dit er nog bij? Het was woensdag 29 juni 2022. Het was een hectische dag. Jacolien kwam thuis uit de nachtdienst. De drie jongste kinderen moesten op tijd naar de basisschool, zij hadden een schoolreisje. Remi had een sportdag bij het Heerderstrand en ik moest later ook naar mijn werk. Remi’s vriend stond al te tikken op het raam, maar ik zei: „Nee, we gaan eerst nog Bijbellezen en bidden.” Ik weet niet welk instinct dat was, maar ik nam de tijd om nog met Remi mee te lopen. „Fijne dag! Hoe laat ben je thuis?” „Vijf uur”, zei Remi.
Ik ging die dag naar mijn werk, was om halfvier weer thuis. Om vijf uur werd ik ongerust. Remi was er nog niet. Ik zat op een muurtje in de achtertuin te wachten, terwijl Jacolien binnen aan het eten koken was. Toen kwam een politieauto de straat in. Jacolien deed de voordeur open en rende even later schreeuwend naar mij toe: „Remi is gestorven!” De agenten hadden een blauwe rugtas bij zich die van Remi was. We gingen mee in de politieauto.
Langs de Kamperstraatweg bij Kamperveen stopte de auto. Daar was Remi. Hij was door een auto geschept, zijn achterhoofd op de voorruit. Daarna was hij door de lucht gevlogen en met een klap neergekomen. Mensen hebben nog geprobeerd hem te reanimeren, maar hij had een schedelbasisfractuur. Er was niets meer aan te doen. Remi’s lichaam moest nog worden onderzocht. Jacolien en ik gingen zonder Remi weer naar huis.” Lunga wijst naar de zithoek: „Daar moesten we aan de andere kinderen vertellen dat hun broer niet meer leefde.”
Wat een vreselijke dag en wat een lege plek in jullie gezin. Wie missen jullie in Remi?
„Remi was een vrolijke jongen. Hij was een verbinder. Als er iets mis was gegaan, kwam hij daarop terug en kon sorry zeggen. Hij was ook bezig met het geloof. Hij zocht de Heere.
Wij lazen verschillende boeken over rouw, ook christelijke boeken. Alles wat gebeurt heeft toch een reden? Daarom mogen we met onze vragen ook terugkomen bij de Heere. Job zegt: De Heere Zelf geeft, de Heere Zelf neemt. Als Remi bij de Heere mag zijn, dan is dat toch een goede plek? De Heere kent ieders hart, ook het hart van Remi. Dat is voor ons als ouders een troost en een hoop. En we voelen: als iemand sterft, blijft de liefde toch. Onze zielen zijn met elkaar verbonden.”

Is helder geworden hoe dit ongeluk heeft kunnen gebeuren?
„De bestuurster van de auto zegt dat ze een black-out heeft gehad en zich niets kan herinneren van wat er gebeurde. Ze is van de weg geraakt op de plek waar Remi fietste. Omdat het een verkeersovertreding was, spande de officier van justitie een rechtszaak aan. De vrouw heeft het niet bewust gedaan, maar toch houden wij vragen.”
Jacolien, met verontwaardiging: „Er waren daar twee plekken langs de weg waar ze rust had kunnen nemen.”
Milalu: „Uiteindelijk kreeg ze een jaar rijontzegging en een taakstraf van 160 uur. Al zou het tien jaar zijn, de straf staat nooit in verhouding tot wat Remi overkwam. Maar we zijn blij dat justitie meewerkte. Het was belangrijk dat er een uitspraak kwam.”
Rouw kan echtparen verbinden, maar het gebeurt ook dat verdriet juist uit elkaar drijft. Hoe was dat bij jullie?
Milalu: „Ik was druk met mezelf, met mijn vragen, met mijn werk. Ons huwelijk kwam in de verdrukking. Jacolien ging een heel andere weg dan ik. Dat had een grote impact. We hebben hulp gezocht. Mensen van de kerk steunden en begeleidden ons. En nu zijn we toch nog bij elkaar, er is weer meer verbinding gekomen.
Ik heb mij altijd gestraft gevoeld. En was Remi’s overlijden ook niet een straf van God? Wat wilde de Heere daarmee tegen mij zeggen? Ik had dingen geheimgehouden in mijn asielprocedure. Het was voor mij alsof God mij daarmee bleef achtervolgen. Ik wist dat de waarheid boven tafel moest. Abraham loog over Sara, maar dat was en is geen excuus voor mij. Ik blijf maar om vergeving vragen. David heeft ook veel gezondigd. Kan ik ook vergeving krijgen? Dat is een grote vraag voor mij. Ik heb destijds gelogen over mijn afkomst, gezegd dat Angola mijn geboorteland was en dat ik vanwege de burgeroorlog niet meer terug kon. Nu staat geregistreerd dat ik een Angolees ben. Ik kan dat juridisch niet meer veranderen, maar het is de waarheid niet.”
Jacolien mengt zich weer even in het gesprek. „Ik weet dit allemaal nog maar twee jaar. In 2024 maakten wij een rootsreis naar Angola. We gingen ook naar Congo en Milalu wilde speciaal naar een dorpje. De avond voor we daar naartoe gingen zei hij: „Morgen gaan we mijn moeder ontmoeten.” „Maar die leeft toch helemaal niet meer”, was mijn reactie. Toen bleek plotseling dat onze kinderen nog wel een oma hadden.”
Milalu: „Ik wist al die jaren niet hoe ik het moest zeggen.”
Jacolien, met een vlakke stem: „Een paar jaar daarvoor was Milalu’s vader al overleden. Toen maakte Milalu geld over voor een begrafenis. Hij zei dat dat voor een oom van hem was.”

Er heeft veel tussen jullie in gestaan. Toch richtten jullie samen Casa Nathanael op om een kindertehuis in Congo te ondersteunen. Waarom?
Milalu: „We voelen dat we dit als christenen moeten doen. Congo is zo verarmd. Toen ik er nog woonde, was het openbaar vervoer goed en hadden veel mensen een auto. Nu is het land er slechter aan toe. De regering verkoopt kobalt en de bevolking lijdt daaronder.
Het tehuis is in Luozi, het dorp waar mijn moeder woont. In het tehuis worden kinderen opgevangen die een onveilige thuissituatie hebben. Mijn broer zit in het bestuur van de stichting, maar verder houden we familie er juist buiten om belangenverstrengeling te voorkomen. Mensen denken soms dat ik deze stichting heb om reizen naar familie te bekostigen. Maar we houden dat gescheiden van elkaar. Ik hoop dat donateurs ons het vertrouwen willen geven.
Casa Nathanael verbindt Jacolien en mij weer met elkaar. Ik heb door de stichting ook meer contact met mijn familie. Dat we iets kunnen betekenen voor kinderen in mijn geboorteland geeft nieuwe moed.
Lang heb ik mijzelf verborgen. Op welke manier moest ik mijn geheimen vertellen? Maar na Remi’s overlijden kon ik niet langer een masker blijven dragen. Het is een opluchting voor mij dat ik na jaren eindelijk de waarheid heb verteld.”
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- RDMagazine
- Beste van RD
- Het Gesprek











