Wekelijkse meditatie: De zingende Borg
Jezus zit met Zijn discipelen aan de sedermaaltijd. Er wordt gelezen, gebeden, gegeten en veel gezongen. Jezus zingt, in de donkerste nacht van Zijn leven. De volgende dag zal Hij smartelijk lijden en gekruisigd worden. Wat is het tot verwondering dat de Heere in de laatste nacht van Zijn leven zingt. Jezus weet dat Hij gaat sterven: „Mijn tijd is nabij” (vers 18). En toch zingt Hij.

Een zingende Borg, Die weet dat de dood op Hem wacht. Die weet dat Judas Hem zal verraden. Die weet dat alle andere discipelen aan Hem geërgerd zullen worden. Een zingende Borg, Die weet dat Hij straks gebonden zal worden en naar Kajafas gebracht zal worden. Die weet dat Hij daar zal staan als de Man van smarten. Waarom moest de Zaligmaker deze vreselijke nacht ingaan? Daar is maar één antwoord op: uit oneindige zondaarsliefde.
Christus zingt deze lofzang als Sions betalende Borg. Hij geeft volkomen genoegdoening aan Gods gerechtigheid. Hij buigt onder het recht van Zijn Vader. Hij gaat gebogen onder de last van de zonden van Zijn volk. Vrijwillig draagt Hij de toorn van God over de zonden, omdat Hij Zijn volk liefgehad heeft tot het einde. En nu zingt de Borg uit liefde tot de deugden van Zijn Vader, uit liefde voor Zijn kinderen.
Wat zingt Christus dan in Zijn laatste nacht? Tijdens de sedermaaltijd wordt tot op de dag van vandaag het Hallel gezongen, de Psalmen 113-118. Christus zingt Messiaanse psalmen, die Zijn Borgtocht voorafschaduwen. Hij zingt uit Psalm 116: „Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen.” Wat een troost in deze nacht, als de angsten van de hel Hem treffen.
Nog nooit heeft iemand op aarde deze psalmen zó gezongen
In de donkerste nacht van Zijn leven zingt de Borg ook uit Psalm 118: „De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?” Christus wordt vertroost door deze eeuwenoude woorden. Hij mag verder zingen van de opstanding: „Ik zal niet sterven, maar leven” (vers 17). Nog nooit heeft iemand op aarde deze psalmen zó gezongen als Christus.
Hij zingt Borgtochtelijk het Hallel uit het diepst van Zijn gemoed: „Ik zal Mijn geloften de Heere betalen.” Hij zingt vol overgave: „Dit is de dag die de HEERE gemaakt heeft; laat ons op dezelve ons verheugen en verblijd zijn” (vers 24). Vader, voor deze dag ben Ik naar de wereld gekomen. Dit is de dag van Uw welbehagen. Hij verheugt en verblijdt Zich over de dag van Zijn dood. En dan bezingt Christus ook Zijn hemelvaart: „Doet mij de poorten der gerechtigheid open; ik zal daardoor ingaan, ik zal de HEERE loven” (vers 19). De poort van de hemel is geopend, ook voor Zijn kinderen: „Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan” (vers 20).
En hoe verwerft Hij deze gave voor Zijn kinderen? „Bindt het feestoffer met touwen, tot aan de hoornen van het altaar” (vers 27). Wat een zelfverloochende, opofferende liefde van Christus. Hij noemt Zichzelf het feestoffer. Ik ga de dood in uit liefde tot Mijn Vader, uit liefde tot u, zondaar, zondares. En dan zingt Christus ver over alles heen ook al over Zijn wederkomst: „Gezegend zij hij die daar komt in de Naam des HEEREN” (vers 26).
Hebt u deze Borg lief, Die zó gezongen heeft? Hij laat Zich nog vinden.
Vond u dit artikel nuttig?
- Meer over
- Wekelijkse meditatie




