Drie generaties Molukkers over hun geschiedenis: „We leven nu hier, maak er iets moois van”
„Onze ouders praatten nooit met ons over wat ze hadden meegemaakt. Ze keken vooruit en wilden vooral dat wij een goed leven zouden krijgen.” Drie generaties Molukkers in Barneveld over verleden, heden en toekomst. „Wij zijn geen Indonesiërs, wij zijn Molukkers.”

Hoogzwanger was zijn moeder toen ze na een zeereis van 38 dagen in Nederland aankwam. Eén dag later, op 17 mei 1951, werd Joop Kols (nu 74) geboren in een kliniek in Woerden. In de barakkenkampen van De Schaffelaar en De Biezen in Barneveld groeide hij op. „Een leuke tijd. Lekker voetballen en kattenkwaad uithalen. Op de gereformeerde School met de Bijbel kreeg ik Hollandse vrienden. Later besefte ik dat het voor mijn ouders en grootouders een forse vernedering is geweest dat ze direct toen ze hier arriveerden een ontslagbrief kregen. De Nederlandse overheid is haar beloften niet nagekomen.”
Als kind ving Joop weleens wat op van gesprekken van zijn vader met andere mannen in het kamp. „Nu weet ik dat hij in 1942, na de Japanse inval, verzetsstrijder werd, zeventien jaar oud. Hij vocht in Nieuw-Guinea. Bij aankomst in Nederland was hij 25. Mijn moeder is geestelijk ziek geworden, waarschijnlijk van de trauma’s die ze in de oorlogstijd opliep. Mijn vader heeft het echter goed doorstaan. Hij was vooruitstrevend. We leven nu hier, maak er iets moois van en blijf studeren, zei hij. Hij wist dat ik van sport hield en stimuleerde dat.”

Begrip
De voetballerij werd Joops wereld. Hij was bij de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond voetbaltechnisch docent en werkte aan projecten in het jeugdvoetbal, het meisjesvoetbal, in het buitenland, onder andere op de Molukken, en met spelers uit het betaalde voetbal en trainde elftallen in de hoogste regionen van het amateurvoetbal.
In de Nederlandse samenleving vond hij zijn weg. „Rond de Molukse acties in de jaren zeventig was dat wel lastig. Als Molukker werd ik daar op aangesproken. Twee keer werd ik in die tijd aangehouden. Ik moest mijn kofferbak openen, want ik was een donkere jongen.
Het harde geweld van de treinkapingen en de schoolbezetting is niet goed te praten, maar ik begreep die jongens van de tweede generatie wel. Een baan konden ze vaak maar moeilijk vinden – ik was een uitzondering. En ze waren gefrustreerd. Nederland had hun ouders, die onder valse voorwendsels hiernaartoe waren gehaald, in de steek gelaten. De militairen die de Nederlandse vlag hadden verdedigd, trouw aan de koningin, mochten hier eerst niet werken en kregen maar een paar gulden per week voor levensonderhoud. Nederland bekommerde zich amper om hen. Pijnlijk en respectloos was dat. Aanvankelijk waren ze staatloos. Geen Nederlander, geen Indonesiër. Mijn vader werd pas in 1963 genaturaliseerd.”
Wortels
Kols geeft nu vaak op scholen gastles over de Molukse geschiedenis. „Nuttig werk. Ik merk dat nogal eens wordt gedacht dat Molukkers hier als gastarbeiders zijn gekomen.”
De strijd voor een zelfstandige staat op de Molukse eilanden, de Republik Maluku Selatan (RMS), is volgens de Barnevelder onder Molukkers in Nederland naar de achtergrond gedrongen. „De identiteit is verschoven van de politiek naar de cultuur, naar gewoonten en sociale gedragsregels en naar de Molukse keuken. Ik voel me nog helemaal Molukker. Mijn wortels verloochen ik niet. Alleen zijn we inmiddels toe aan de vijfde generatie. De idealen zijn er, maar eerlijk gezegd zijn die moeilijk te realiseren. Twaalfduizend kilometer verderop moet de strijd gestreden worden, maar Indonesië staat dat niet toe en de wereldmachten helpen ons niet.”
Verborgen verdriet
Mona Tamaëla (59), geboren in De Biezen, hoorde in haar jeugd weinig over de RMS. „Als er al over gesproken werd, was dat tussen de volwassenen. Wij kinderen moesten dan buitenspelen. Mijn ouders spraken nooit over de oorlogsjaren. Mijn moeder vertelde zowaar kort voordat ze verhuisde naar een verpleeghuis in Wageningen eindelijk iets over de oorlog. Haar vader zat in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Zij moest geld zien te verdienen voor oma en de andere kinderen. „Ik moest olie verkopen”, is het enige wat ze erover heeft gezegd. Onze ouders wilden ons niet belasten met hun verleden. Wij mochten hun verdriet en pijn niet zien. Wij moesten het goed hebben, dat was voor hen belangrijk.”

Als vijfjarige verhuisde Mona naar een stenen huis in een wijk met veel Molukse buren. „Ik had vooral Nederlandse vriendinnetjes en maar één Molukse vriendin. Met Molukse kinderen speelde ik nooit, hooguit met neefjes en nichtjes. Tijdens de treinkapingen was ik te jong, een jaar of negen, om goed te weten waar het om ging. Alleen mochten sommige vriendinnetjes ineens niet meer met mij spelen. Dat ik Molukse was speelde voor mij geen rol. Ik was gewoon Mona. Mijn kleurtje zagen mijn vriendinnetjes niet eens. Ik kreeg dezelfde opvoeding als Joop: We leven nu eenmaal hier, maak er wat moois van.”
Begraafplaats
Mona’s ouders waren vijftien jaar toen ze in Nederland kwamen. Haar vader was later monteur op een legerplaats. „Mijn opa van vaders kant was gesneuveld in de oorlog met Japan. Mijn opa van moeders kant, sergeant-majoor Willem Tuhusula, was in De Biezen kampoudste. Hij sprak goed Nederlands. Aan zijn inzet dankt onze Molukse gemeenschap een eigen gedeelte op de algemene begraafplaats in Barneveld. Dat heeft geen enkele andere Molukse wijk in Nederland. Ik ben trots op hem.”
Mona, managementassistent bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de afgelopen vier jaar gemeenteraadslid voor een lokale partij, noemt zichzelf „een Barneveldse van Molukse afkomst. Buiten de deur ben ik Mona. De Molukse cultuur geldt vooral binnen vier muren, thuis en in de familiekring. Ik vind wel dat Molukkers hun traditie, die met de term adat wordt aangeduid, moeten kennen. Ze moeten weten waar hun ouders, opa en oma en hun overgrootouders vandaan komen. Belangrijk zijn ook de pela’s, die eeuwenoude bondgenootschappen tussen Molukse dorpen, gebaseerd op wederzijdse hulp, respect en vaak een verbod op onderlinge huwelijken. Daar ben ik ook bij neven en nichten scherp op: je trouwt niet met iemand van een peladorp.”

Maleis
In de Molukse geschiedenis ging Mona zich pas verdiepen toen ze betrokken was bij een boek dat in 2006 verscheen over 55 jaar Molukkers in Barneveld. „Daarvoor interesseerde de geschiedenis van mijn eigen familie mij meer dan de Molukse historie in het algemeen. Pas toen ontdekte ik wat een strijd onze grootouders en ouders hebben geleverd, eerst door te vechten voor de Nederlandse driekleur, daarna voor een goed bestaan voor hun kinderen in Nederland.”
Met de Molukken heeft Mona „niet veel. Mijn voorouders hebben er geleefd, daar liggen mijn wortels en die wil ik niet verloochenen, maar ik heb verder niet de drang om daarnaartoe te gaan. Mogelijk ben ik toch te Nederlands. Alleen als het moet spreek ik Maleis. Ik versta alles, maar als ik met mijn oma Maleis sprak, lag ze in een deuk. Praat maar gewoon Nederlands, dan versta ik je beter, was haar reactie.”

Nooit assimileren
Voor Aquelgio Muskita (23) is zijn Molukse origine juist bepalend. Al sinds de basisschool. „Ik kreeg dat van huis uit mee. Mijn moeder en mijn oma namen me mee maar de kerk en naar Molukse feesten. Ik ben opgevoed met: We zijn geen Indonesiërs, we zijn Molukkers. Mijn opa zei altijd: Integreren mag, assimileren (opgaan in de Nederlandse cultuur, JK) nooit. Je mag nooit vergeten waar je vandaan komt, we hebben zo’n mooie cultuur, hield hij me voor. Ik heb er veel emotie bij, met het jaar wordt het meer. Zeker rond de herdenking op 25 april. Het stoort me dat in schoolboeken amper iets over de Molukkers staat. Ik lees alleen over de treinkapingen en motorclub Satudarah. De kapingen zijn relevant, maar dat is maar 1 procent van ons verhaal.”
Op zijn rechterarm heeft Aquelgio een tatoeage laten zetten met twee rozen („Die staan voor mijn overgrootouders”) en het jaartal 1951. „Als iemand ernaar vraagt, kan ik ons Molukse verhaal doorgeven. Velen van de eerste generatie vertelden nooit over hun leven. Vermoedelijk door een posttraumatische stressstoornis, die toentertijd niet werd onderkend.”
Supertrots
Nederlander wil Aquelgio zich niet noemen. „Ik ben in Nederland geboren, ik ben een Nederlandse inwoner, ik spreek de taal, maar gezien de offers die mijn grootouders brachten en wat hun onder de Nederlandse vlag is aangedaan, zal ik nooit van mijn leven zeggen dat ik een Nederlander ben. Ik ben supertrots dat ik een Molukker ben. Ook wie voor de helft of voor een kwart Moluks bloed heeft, al is het maar één druppel, is een Molukker en moet daar trots op zijn.” De jonge Barnevelder, die nu les in vechtsporten geeft, beoefende op wereldniveau taekwondo en nam altijd de Molukse vlag mee naar zijn internationale wedstrijden.
Aquelgio heeft de Molukken bezocht. „Ik zag er hoe de Indonesische overheid daar de Molukse cultuur en identiteit probeert uit te wissen door bijvoorbeeld transmigratie. Er zijn veel Javanen naartoe gebracht. Voor Molukkers is er weinig werkgelegenheid en ze worden systematisch arm gehouden. De bodem is superrijk aan grondstoffen, maar daarvan komt niet veel bij het Molukse volk terecht. De eigen Molukse taal staat onder druk. De overheid wil één Indonesisch volk, terwijl de afstand Ambon-Jakarta gelijk is aan Amsterdam-Istanbul. Een Nederlander en een Turk zijn toch ook geen landgenoten?”
Thuis
Op voorouderlijke grond „viel alles op zijn plek. Ik voelde me niet op vakantie, maar thuis. In mijn DNA zitten meer generaties die daar leefden dan generaties hier. Toen ik terug moest naar Nederland, was dat heel emotioneel. Het was alsof ik mijn huis achterliet.” Joop Kols herkent dat: „Ik had dat thuisgevoel ook, andere Molukkers die meereisden niet.”
„Bijzonder trouwens wat Aquelgio zegt. Zo’n sterke emotie kom ik maar bij weinig Molukse jongeren tegen”, merkt Joop op. „Die zijn er zeker wel”, reageert Aquelgio. „Op festivals en feestjes spreek ik veel jonge Molukkers die ook veel voelen bij onze cultuur en er alles over te weten willen komen. Of ze nu uit Assen of Moordrecht komen, ze gaan automatisch bij elkaar staan.”
Hoe het hier en daar met de Molukkers verder gaat? „Als volk hebben we al veel moeten verduren. Elke keer kwamen we er weer bovenop door saamhorigheid en eenheid. Uiteindelijk weet alleen God hoe het zal lopen.”
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- Molukkers in Nederland
- Beste van RD




