„Drie, twee, een; strak!” Hoe deze christelijke school orde terugbrengt in de klas
Hoge verwachtingen en duidelijke regels. Met een strikt gedragsregime zorgt de christelijke middelbare school De Goudse Waarden in Gouda voor rust en orde in de klas. „We doen hier aan strenge liefde.”

Een voor een druppelen de eersteklassers het lokaal van wiskundedocent Jessamy Bloom binnen. De tafels staan in een klassieke busopstelling: twee aan twee, gericht op het bord. Telefoons zitten in de kluis, petten en oordopjes zijn in het gebouw niet toegestaan. Bloom staat in de deuropening om de vmbo’ers te begroeten. Wie te hard of te rumoerig binnenkomt, maant hij tot kalmte. „Niet rennen. Rustig aan.”
Deze les bespreekt de wiskundedocent een oefentoets die de leerlingen maakten. Een van de scholieren baalt. Haar exemplaar ligt nog in haar kluisje. „Ga maar even halen”, zegt Bloom. „Maar ik zet je wel op te laat vanwege het niet op orde hebben van je spullen.” Consequentie? Een uur nakomen.
Bloom loopt ondertussen tussen de rijen door. Liggen overal boeken en schriften op tafel? Heeft iedereen zijn of haar spullen op orde? Dat blijkt het geval. De docent kan beginnen en dus klinkt het gebruikelijke startsignaal: „Drie, twee, een; strak!” Bij „strak” is het stil.
„Wie heeft de toets niet gemaakt?” vraagt Bloom. Een vinger gaat omhoog. „Dank je wel dat je eerlijk bent”, reageert hij. Eerlijk of niet: het gevolg is ook nu helder. Huiswerk niet gemaakt zonder geldige reden betekent eveneens een uur nablijven.

Straatcultuur
Het lijkt misschien allemaal wat schools en streng, zegt Maria van Welie, directeur van De Goudse Waarden. „Maar leerlingen hebben behoefte aan duidelijkheid. Met onduidelijke regels en consequenties bereik je niks. Je doet scholieren geen plezier met vage grenzen.”
Van Welie is een van de drijvende krachten achter de nieuwe gedragsaanpak die de school sinds 2023 hanteert. Die benadering is gebaseerd op de zogeheten Michaelascholen in Engeland (zie ”Wat zijn Michaelascholen?”).
„Onze leerlingen bewegen de hele dag in drie culturen: de straat, thuis en school”, legt Van Welie uit. „Elke cultuur heeft haar eigen geschreven en ongeschreven regels. Als je op straat een mes trekt, geeft dat je status. Op school word je er meteen voor weggestuurd.”
Veel leerlingen komen de school binnen met lage verwachtingen van zichzelf, viel haar op. „Ze hebben bijvoorbeeld thuis, op school of in hun omgeving te horen gekregen dat ze dom zijn. Daarnaast krijgen ze thuis niet altijd steun of hulp en moeten ze veel dingen zelf uitzoeken. Dat je dan een niet al te hoog zelfbeeld hebt, is te verklaren. Op school draaien we dat om: we leggen de lat juist hoog voor alle leerlingen, ongeacht hun achtergrond. We gaan ervan uit dat ze veel kunnen leren, maar daar hoort wel inzet en een serieuze werkhouding bij.”

De scholieren hebben daarnaast nogal eens moeite met autoriteit, constateert Christine Bos, afdelingsleider van het praktijkonderwijs. „Scholieren kunnen denken: waarom zou ik luisteren naar een volwassene? Dat doe ik op straat ook niet en thuis ook niet.”
Gevolg is onrust in de klas. Van Welie: „Nederlandse klaslokalen zijn internationaal gezien opvallend rumoerig. Dat is kwalijk, want het werkgeheugen van een kind kan maar een beperkt aantal prikkels aan. Als klasgenoten in de gordijnen hangen en de docent de regie kwijt is, zit het hoofd vol met ruis. Dan kun je de lesstof net zo goed in de prullenbak gooien.”
Niet prettig
Wis- en natuurkundedocent Adriaan Bok, inmiddels 24 jaar werkzaam op De Goudse Waarden, kan zich de oude situatie op school nog goed herinneren. „Brutaal gedrag, niet luisteren, de straatcultuur die in de klas terugkwam en tegenvallende schoolresultaten: iedereen op school voelde wel aan dat het zo niet prettig werken was.”
Als hij op een dag een artikel leest over de strenge en voorspelbare aanpak op de Michaelaschool in Londen, legt hij dat in het postvak van directeur Van Welie. Die belt hem dezelfde dag nog op. „Ik was erg enthousiast over het concept. Juist omdat álle docenten werken volgens dezelfde aanpak. We liepen er nu steeds tegenaan dat elke docent het op z’n eigen manier deed. Voor leerlingen is dat verwarrend.”
Met subsidies uit het Nationaal Programma Onderwijs, opgezet om corona-achterstanden in te halen, volgde het hele team een jaar lang scholing in „effectief gedrag”, een vertaling van de principes van de Michaelaschool naar de Nederlandse context. „We hebben gezegd: Dit wordt niet een project voor een paar docenten, maar dit gaan we met z’n allen doen”, aldus Van Welie. „We wilden af van het idee dat elke docent z’n eigen bedrijfje in de klas runt. Juist eenheid is belangrijk voor het slagen.”
Kinderachtig
En dus zit het docentenkorps meerdere middagen bij elkaar voor een gedragsscholing. Dat betekent onder meer oefenen met eenvoudige, maar strakke routines: bij de deur staan, leerlingen een voor een binnenlaten, overal dezelfde startzin gebruiken, vaste afspraken over vergeten spullen en gevolgen daarvan.
„We moesten ineens allemaal op dezelfde manier gaan werken”, herinnert Arianne ten Cate, docent en zorgcoördinator zich. „Ik vond het vrij kinderachtig om op een middelbare school met iets als „drie, twee, een; strak!” te gaan werken.”

„Je hebt als docent inderdaad het gevoel dat je autonomie moet inleveren”, zegt Bart-Jan de Bas, docent gym. „Opeens moesten we allemaal hetzelfde doen. Bij de deur gaan staan, leerlingen een voor een binnen laten komen, straf geven voor kleine dingen. Hoewel ik nu enthousiast ben en het effect zie, vond ik dat destijds lastig.”
Ruimte om van de basisregels af te wijken hebben docenten inderdaad niet, zegt Van Welie. „Als één docent wegkijkt bij een telefoon of pet, weten leerlingen dat. De norm is 100 procent: iedereen doet mee. Dat betekent niet dat we nooit een telefoon zien, maar wel dat docenten allemaal hetzelfde doen als we er een zien. En dat we bij de start van de les allemaal in de deuropening staan. En dat we het allemaal noteren als een leerling zijn of haar werk niet op orde heeft. Ik heb gezegd: Als je dat niet ziet zitten, is De Goudse Waarden misschien niet jouw plek. Eén docent heeft de school toen verlaten. Overigens is hij later weer teruggekomen.”
Pythagoras
Een verdieping lager dan het lokaal van docent Jessamy Bloom, staat wiskundedocent Alex van Zutphen bij het bord. Op het scherm prijkt een zogeheten rechthoekige driehoek. Zijn lokaal oogt, net als dat van Bloom, vrij traditioneel: met de tafeltjes in een twee-aan-twee-opstelling. Leerlingen werken niet met laptops, wel heeft iedere scholier een zogeheten wisbordje, waarop hij met een stift kan schrijven.

„Wat is 8 in het kwadraat?” vraagt Van Zutphen aan de tweedeklassers. „64”, antwoordt een leerling. „En 6 in het kwadraat?” „36.” „En samen?” „100.” „Mooi”, zegt Van Zutphen. „Maar ik wil niet de schuine zijde in het kwadraat weten, ik wil de gewone schuine zijde. Wat moet ik nu doen?”
Sommige leerlingen schrijven hun antwoord op hun wisbordje en houden dat in de lucht. „De wortel van 100 is 10”, legt Van Zutphen uit. „Als we dat naast de tekening leggen, zien we: dit is inderdaad een rechthoekige driehoek.” Even later draait hij de som om. Hij doet alsof hij de schuine zijde niet weet, rekent met de twee rechthoekszijden uit of het wel kan kloppen. „Zo controleer je of het echt een rechthoekige driehoek is”, vat hij samen.
De docent wiskunde geeft willekeurige beurten. Elke leerling kan op elk moment een vraag krijgen. „We werken hier met veel directe instructie en zogeheten controle van begrip”, legt Van Welie uit. „De docent legt kort uit, checkt met wisbordjes of iedereen het snapt en gaat dan verder. Op die manier weet je als docent of leerlingen de stof begrijpen.”
Oortjes
Een beetje stevig is het allemaal wel, vinden de eersteklassers Ano Bontebal, Fien Egberts en Merel Uittenbogerd . „Bij ons mag er minder op school dan bij vrienden of vriendinnen”, zegt Merel. „Het is wel streng”, vindt Ano. „Vooral met spullen. Als je een boek vergeten bent, moet je meteen nakomen. Ik moest al een paar keer nablijven.” Fien vindt het „eigenlijk wel goed. Als je niets bij je hebt, kun je toch geen les volgen. Dan kun je net zo goed ergens anders gaan zitten. Nu weet iedereen: dit zijn de regels. Het is streng, maar wel eerlijk.”

En het telefoonverbod? „Ik mis mijn telefoon niet echt”, zegt Fien. „Iedereen praat nu meer in de pauze. Op andere scholen zitten ze alleen maar op hun scherm.” Ano zou graag muziek luisteren met oordopjes. „Maar ik snap wel dat de school het niet wil.”
Strenge liefde
Binnen het team vallen vaak de woorden ”tough love” (strenge liefde, LdH), zegt afdelingsleider Bos. „We hebben hoge verwachtingen van onze leerlingen. Maar we zien ook uit welke omstandigheden ze komen. Een deel van hen heeft het niet zo makkelijk. Juist dan werkt het goed om te zeggen: Dit is het speelveld waarbinnen je je mag bewegen. Dat geeft veiligheid.”
Volgens zorgcoördinator Ten Cate is de strengheid en voorspelbaarheid juist voor kwetsbare leerlingen fijn. „Als de regels voor iedereen gelijk zijn, bepaalt niet de luidste of stoerste leerling hoe het in de klas gaat. Hoe meer rust en structuur er in de lessen is, hoe meer tijd je aan de lesstof kunt besteden. Daar help je scholieren mee.” Van Welie: „En als een leerling dan merkt dat hij ook daadwerkelijk hogere cijfers haalt, zorgt dat voor meer motivatie.”
Gedragsmal
Kritiek op de Michaelascholen in het Verenigd Koninkrijk is onder meer dat er weinig ruimte is voor het individu. Alle leerlingen worden immers door dezelfde gedragsmal gehaald. Hoe zien de docenten op De Goudse Waarden dit? „Ik kan de kritiek begrijpen”, zegt gymdocent De Bas. „Maar ik ervaar niet direct een tegenstelling tussen het uiten van individualiteit en duidelijke kaders. We stellen grenzen aan het gedrag van leerlingen, niet aan hun persoon.”
Scholen die willen werken met een dergelijke aanpak moeten zich realiseren dat het veel van een team vraagt, zegt Van Welie. „Je verlangt van docenten dat ze eigenheid opgeven. Ze moeten zich conformeren aan bepaalde afspraken die je met elkaar maakt.”
Daarnaast gaat de aanpak van De Goudse Waarden op het eerste oog in tegen de pampercultuur die soms in Nederland heerst, zegt afdelingsleider Bos. „Scholieren leren hier dat ze zich hebben te houden aan afspraken, niet bij elke eerste tegenvaller moeten opgeven en het de moeite waard is je ergens voor in te spannen. Dat zijn vaardigheden waar ze later veel aan hebben.”







