Jaloezie tussen boomers en millennials
Millennials –geboren tussen 1980 en 2000– zijn de eerste generatie die het in economisch opzicht minder zal hebben dan de voorgaande.

In het Boekenweekessay ”Ik zou uw dochter kunnen zijn” stelt filosoof Doortje Smithuijsen de spanning en jaloezie tussen millennials en babyboomers (geboren tussen 1946 en 1964) aan de orde. De boomers maakten een flinke economische stap voorwaarts, kochten huizen die steeds meer waard werden en hadden vaste banen. Jonge mensen kregen het besef mee dat ze een gouden toekomst tegemoetgingen, maar werden in die verwachting teleurgesteld. De vrees om te dalen op de maatschappelijke ladder leidt tot „existentiële paniek”.
Smithuijsen (1992) typeert beide generaties vanuit Randstedelijk perspectief met veel ironie en zelfspot: samen vormen ze een ongelukkig gezin. Ze relativeert de wederzijdse jaloezie door op te merken dat „zo’n beetje de volledige overige wereldbevolking” graag zou willen ruilen met de problemen waar boomers en millennials zich druk over maken.
Intussen is er wel iets fundamenteel veranderd in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Smithuijsen schetst hoe een naoorlogse generatie zich ontworstelde aan „strenggelovige huishoudens” en hun kinderen ervan doordrong hoe speciaal ze waren en dat ze vooral gelukkig moesten zijn. „Ze zeiden niet: „wees gehoorzaam”, maar: „wees jezelf”.” De millennials groeiden op met de belofte dat ze op weg waren naar een „ultiem vervullend leven” – en werden daarin teleurgesteld. Een samenleving waarin de liberale economie de maat der dingen bepaalt en internationale bedrijvigheid stelselmatig boven het welzijn van burgers wordt gesteld, biedt inderdaad (te) weinig perspectief. „Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding”, zegt Jezus in Lukas 12.

Ik zou uw dochter kunnen zijn
Doortje Smithuijsen
uitg. CPNB
62 blz.
€ 5,25
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- Boekrecensies
- Boekenweek
- Generaties







