InterviewKerkgeschiedenis

Na een kerkelijk conflict moest dit halve dorp verhuizen

De middeleeuwse kerk in het Friese Hilaard. beeld Sjaak

In het Friese Hilaard moest na een kerkelijk conflict het halve dorp verhuizen. De Doleantie in de negentiende eeuw leidde tot een denkbeeldige muur tussen hervormden en gereformeerden. Nu is die geslecht.

Eeuwenlang staat ze daar al, op een terp aan de rand van het Friese dorp: de Johannes de Doperkerk. Alsof de tijd haar grotendeels heeft overgeslagen. Aan de buitenkant is er sinds 1450 nauwelijks iets veranderd. Nog altijd zijn het dezelfde rode en gele kloostermoppen die het bedehuis zijn kleur geven, nog altijd valt het licht uitbundig door de hoge gotische ramen de kerkzaal binnen.

De romaanse toren met zijn zadeldak is nog wat ouder: hij steekt al sinds 1245 boven de boerenerven uit. Voorafgaand aan een kerkdienst –die om de week op zondagmorgen om 11.00 uur wordt gehouden– of een begrafenis laten twee klokken van zich horen: een kleine uit 1392 en een grote uit 1618.

Binnen, in het gotische kerkschip, zijn de banken verwisseld voor stoelen met rieten zittingen. De donkere houten preekstoel is nog wel dezelfde als in de jaren 1887-1889, toen de Johannes de Doperkerk van (toen nog) Hijlaard het strijdtoneel was van twee rivaliserende groepen. Wekenlang probeerden twee predikanten dezelfde kansel te beklimmen. Gewelddadig werd het nooit, maar met de verhoudingen in het dorp kwam het lange tijd niet meer goed. Binnen enkele jaren waren er twee kerken, twee predikanten en twee stromen kerkgangers. Historicus Kees Bevaart schreef er een boek over: ”Het halve dorp moest verhuizen. De Doleantie in Hijlaard” (uitg. Noordboek).

„Het klagen vertaalde zich al snel in afscheiden”

Kees Bevaart, historicus

Moederkerk

Wat is er in die tijd aan de hand? In bijna 300 gemeenten in de Nederlandse Hervormde Kerk vindt vanaf 1886 de Doleantie plaats. Die naam verwijst naar ”doleren”, het indienen van een klacht. Dat doen deze kerkleden, omdat ze vinden dat er te rekkelijk met de geloofsleer wordt omgegaan. En omdat de kerk te veel van bovenaf wordt bestuurd; daarom willen ze „het juk van de synodale hiërarchie” afwerpen. „Maar het klagen vertaalde zich al snel in afscheiden”, schrijft Bevaart. „En zo trokken de dolerenden weg uit de moederkerk.”

Kees Bevaart, een man met grijs haar, baard en ruitoverhemd, zittend in een tuin.
Historicus Kees Bevaart: „ Uiteindelijk zijn ook die milde mensen meegegaan met de Doleantie.” beeld RD, Anton Dommerholt

Dat gebeurt dus ook op het Friese platteland, in Hijlaard, dat sinds 1991 Hilaard heet. Tientallen dorpelingen vormen op 17 januari 1887 de Nederduitsche gereformeerde kerk (doleerende), die zich in 1892 aansluit bij de Gereformeerde Kerken in Nederland. Bevaart ploos de kerkelijke archieven uit, beschreef wie de hoofdrolspelers waren en ging na welke impact een kerkscheuring op een dorp kan hebben.

Zelf behoort Bevaart tot de vierde generatie na de Doleantie. „Mijn overgrootouders waren er actief bij betrokken, mijn grootouders zijn allebei in het jaar van de Doleantie geboren. In de jaren zestig, in het Zuid-Hollandse dorp waar mijn vader zijn jeugd doorbracht, was die erfenis nog tastbaar. Je ging óf naar de gereformeerde bakker óf naar de hervormde bakker; óf naar de gereformeerde slager óf naar de hervormde slager. Er was geen vijandigheid, geen haat, maar de scheidslijnen waren duidelijk en voelbaar.”

In Hijlaard was de Doleantie onontkoombaar, schrijft u. Waarom?

„Omdat je in zo’n klein dorp, met zo’n 350 inwoners, simpelweg moest kiezen. Niemand kon zich aan de kerkstrijd onttrekken. Misschien alleen die ene man, die voortdurend dronken door Hijlaard liep.

„Over het algemeen heerste er een heel milde sfeer”

Kees Bevaart, historicus

De kerkenraad was de vaste macht in het dorp: mannen met jarenlange ervaring, diep geworteld in de gemeenschap. Predikanten moesten daardoor vaak naar hen luisteren.

Over het algemeen heerste er een heel milde sfeer. Mensen werden niet snel tot de orde geroepen en het kwam zelden voor dat iemand onder tucht werd geplaatst. En toch zijn uiteindelijk ook die milde mensen meegegaan met de Doleantie. Het blijft op een bepaalde manier een raadsel hoe dat precies is gebeurd. Ik had er graag even om het hoekje willen kijken.”

Scheuring

Ds. Johannes Cornelis Sikkel is predikant in Hijlaard als er op woensdag 5 januari 1887 een mede door hem ondertekend verzoekschrift op de kerkenraadstafel ligt. Daarin wordt gevraagd om „bevrijding der gemeente” uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Tientallen leden zetten er hun naam onder. „Misschien omdat de buren dat ook hadden gedaan, of omdat de namen van de dominee en van ouderling Nauta erboven stonden”, vermoedt Bevaart. „De mate van vrijwilligheid is daardoor heel moeilijk vast te stellen. Waren er maar memoires geweest, of persoonlijke notities. Dan had je een inkijkje in hun overwegingen gehad.”

Ruim twee weken later deelt ds. Sikkel vanaf de preekstoel mee dat de kerkenraad heeft besloten om de gehoorzaamheid aan de kerkelijke reglementen op te zeggen en met de synodale hiërarchie te breken. Een groot deel van de manslidmaten én de kerkvoogdij stemt daarmee in. De dolerende kerkdiensten kunnen daarom voorlopig in het hervormde kerkgebouw worden gehouden. De classis Leeuwarden wacht even af, maar al vrij snel wordt ds. Sikkel geschorst.

Donkere houten preekstoel, psalmbord en hoog raam. 
De preekstoel die ds. Johannes Cornelis Sikkel net iets eerder dan consulent ds. Albertus Snethlage beklom. beeld RD

De ring Wirdum wijst predikanten aan die namens de classis in de Hijlaarder kerk zullen preken. Op een zondag in februari maakt zowel ds. Sikkel als consulent ds. Albertus Snethlage uit Boksum zich klaar om de kansel te betreden. Sikkel is al om acht uur bij de kerk, die om negen uur begint, en staat reeds op de preekstoel als de 75-jarige Snethlage de kerk binnenkomt. Die zet zijn bril op, kijkt omhoog en ontdekt dat Sikkel er al is. Na een korte uitwisseling van woorden verlaat Snethlage de kerk.

Ondertussen laat ds. Sikkel de gemeente Psalm 68:1 zingen: „De HEER’ zal opstaan tot de strijd; / Hij zal Zijn haters, wijd en zijd, / verjaagd, verstrooid, doen zuchten.”

De classis besluit in december 1888 de dolerenden het lidmaatschap van de Nederlandse Hervormde Kerk te ontnemen. Zij zijn schuldig bevonden aan „verstoring van orde en rust”. Uiteindelijk gaat ongeveer driekwart van de ruim 300 zielen tellende gemeente met de Doleantie mee, schat Bevaart.

Verhuizen

De kerk blijft in het bezit van de hervormden. „De dolerenden reageerden daar wat murw op. Het conflict speelde al zo lang. Dat hadden ze overigens deels aan zichzelf te wijten, omdat ze het kerkelijk archief niet over wilden dragen.”

Veel landbouwgrond en huizen in het dorp zijn van de Hervormde Kerk. „Plotseling konden de nieuwe, liberale machthebbers alle dolerenden naar buiten werken. Dat was de definitieve slag: tientallen mensen moesten verhuizen, vaak naar buurgemeenten. Sommigen emigreerden.”

Vrijgekomen woning van een dolerende wordt aangeboden aan iedere belangstellende, „mits van liberale richting”

Een van hen, Tietje Pieters Kuperus, haalt het landelijke nieuws. De hervormde kerkvoogdij plaatst een advertentie in de Leeuwarder Courant, waarin haar huis, nummer 39, wordt aangeboden aan iedere belangstellende, „mits van liberale richting”. Voor Abraham Kuyper is dit een welkome aanleiding om in kerkblad De Heraut het gedrag van de „synodalen” scherp te bekritiseren.

Hijlaard was een redelijk behoudende gemeente. Waarom vonden veel kerkleden de Doleantie nodig?

„Ik denk dat vooral persoonlijke verhoudingen een rol speelden. Het conflict begon met een schoolstrijd. De burgerlijke overheid wilde voor een paar gezinnen een openbare school oprichten, terwijl de kosten daarvan door de hele gemeenschap gedragen moesten worden. Dat zette veel kwaad bloed: men had net een christelijke school gesticht en moest vervolgens ook nog meebetalen aan een openbare school.

Die openbare school werd bezocht door de kinderen van drie boeren uit het buitengebied. Veel mensen zeiden: die kunnen toch net zo goed naar een dorp verderop? Dat was voor hen nauwelijks verder. Maar die boeren wilden een openbare school, en zij vonden daarvoor steun bij de burgerlijke gemeente, waarin de liberale stroming dominant was.

Je kunt dus zeggen –en misschien heb ik dat in mijn boek niet sterk genoeg benadrukt– dat met de schoolstrijd de verhoudingen in het dorp aanzienlijk waren verhard. De mensen die in het schoolbestuur zaten, waren vaak dezelfde mensen die ook in de kerkenraad en in andere bestuurlijke verbanden actief waren. Zo werd er in feite een streep door het dorp getrokken.”

Kerkbouw

Omdat de oude Johannes de Doperkerk in handen van de hervormden blijft, krijgt Hijlaard een dolerend kerkgebouw, ruim 100 meter verderop. Ouderling W.T. Nauta, die timmerman is, maakt tekeningen en berekeningen. Een bouwvergunning wordt snel verleend, met de voorwaarde dat er op zondag geen klokgelui mag plaatsvinden. Binnen een paar maanden is de kerk klaar: het gebouw van rode en gele bakstenen wordt op 27 januari 1889 in gebruik genomen. Aan het verbod op klokgelui houdt de kerkenraad zich niet.

Kerk van rode en gele bakstenen.
De voormalige gereformeerde kerk (nu een koptische kerk) in Hilaard. beeld Sjaak Verboom

U schrijft nauwelijks over de theologische overwegingen om met de Doleantie mee te gaan. Speelden die een rol?

„Ja, maar het blijft lastig om daar precies achter te komen. Neem ds. Sikkel, die in 1885 in Hijlaard kwam. Hij stond bekend als iemand met een stevig orthodox stempel. De predikant weigerde vanaf het begin deel te nemen aan de ringvergaderingen van naburige, vaak vrijzinnigere gemeenten.

In eerste instantie dacht ik: misschien had de kerkenraad ook wel moeite met het zingen van gezangen, of met een bepaalde theologische opvatting, en sloot een deel van de gemeente zich daardoor bij de Doleantie aan? Maar die bleken nooit een grote rol te hebben gespeeld. Ds. Sikkel liet gewoon gezangen zingen. Daarmee was voor mij duidelijk dat de gezangenkwestie geen punt was, zoals je misschien binnen een orthodoxe stroming zou verwachten.”

Abraham Kuyper was de grote voorman van de Doleantie. Reikte zijn arm tot in Hijlaard?

„Kuyper zelf was helemaal niet zo prominent aanwezig in Hijlaard. In veel beschrijvingen van de Doleantie lees je dat iedereen meteen met Kuyper meeging zodra hij iets zei. Dat was misschien in Amsterdam zo, maar zeker niet in de kleinere gemeenten in de buitengebieden.

Ik had bijvoorbeeld graag willen weten wie er in Hijlaard allemaal abonnee waren op kranten en bladen als De Standaard en De Heraut, maar dat vertelt het verhaal niet. Ik vermoed dat enkele leiders een abonnement hadden, maar veel zullen het er niet zijn geweest. Ik denk dan ook niet dat gewone ambachtslieden en arbeiders zich erg in de geschilpunten hebben kunnen verdiepen.

Ds. Sikkel was overigens wel een echte Kuyperiaan. Later vertrok hij naar Amsterdam en naar Den Haag en verwierf hij een prominente positie binnen de Gereformeerde Kerken. Zijn Hijlaardse ervaringen zullen daarbij zeker van betekenis zijn geweest.”

Is de Doleantie in Hijlaard te vergelijken met die in andere plaatsen?

„Op veel plekken bleven de grote boeren en fabrikanten hervormd, terwijl ambachtslieden en kleine arbeiders, die vaak trouw wilden blijven aan de oude waarheden, zich bij de Doleantie aansloten. Maar in Hijlaard ging dat niet helemaal op. Bij de grote boeren was de verdeling ongeveer fiftyfifty: sommigen werden dolerend, anderen bleven hervormd. Maar dat betekende niet dat ze elkaar nooit konden verdragen. Enkele jaren na de Doleantie startten de boeren samen een coöperatieve melkfabriek, wat laat zien dat economische belangen soms belangrijker waren dan kerkelijke scheidslijnen.”

Kopten

Na de Doleantie beheersten de rechtzinnige gereformeerden het dorp, terwijl de hervormden in meerderheid sterk vrijzinnig waren, stelt Bevaart. „Er liep een denkbeeldige muur door Hijlaard.”

Maar die muur brokkelt langzaam af, naarmate de tijd verder tikt. De hervormde predikant van Hijlaard is in 1962 aanwezig bij de herdenking van 75 jaar de Doleantie en hij mag zelfs even het woord voeren. „Er is een muur tussen ons”, zegt hij. „We zijn nog niet zover om die muur omver te werpen, toch kunnen wij over deze muur elkaars hand nog geven.”

Dat gebeurt in 1994, als hervormden en gereformeerden een Samen-op-Weggemeente vormen, met een gezamenlijk kerkblad. Op 15 mei 2009 wordt dat de protestantse gemeente Hilaard, met zo’n 190 leden. Die kerken sindsdien weer onder één dak: dat van de oude Johannes de Doperkerk. Nu zijn dat er 122, zegt kerkelijk werker Lammie de Vries. „Op een zondag zitten er ongeveer dertig in de kerk.”

In het gereformeerde kerkgebouw aan de Van Aylvaleane 12 vindt in september 2000 de laatste kerkdienst plaats. Twee weken later wordt het gebouw verkocht aan koptische christenen, die het bedehuis omdopen tot Kerk van de Heilige Maagd Maria en Sint-Paulus van Thebe. Een marmeren plaat aan de gevel meldt dat de koptische paus Tawadros II, „de 118e opvolger van St. Marcus de Evangelist”, op 4 mei 2015 de kerk heeft ingewijd.

Boven de deur van de kerk, waar de gereformeerden zo voor gestreden hadden, staat nog altijd te lezen: ”Anno 1888. De Heere zal het voorzien. Gen. 22.14”.

Omslag boek

Het halve dorp moest verhuizen. De Doleantie in Hijlaard

Kees Bevaart

uitg. Noordboek

346 blz.

€ 29,90

Reageren? Dat kan via onderstaand contactformulier:

Populaire artikelen