Is ook de Bonairezaak baanbrekend voor het klimaatrecht?
De rechtbank in Den Haag oordeelde dat de Nederlandse staat onrechtmatig heeft gehandeld met de inwoners van Bonaire door hen onvoldoende te beschermen tegen klimaatverandering. In hoeverre betekent deze uitspraak een nieuwe doorbraak in de klimaatrechtspraak?

Nederland zette al eerder de toon met een klimaatzaak die de wereld overging. In 2015 oordeelde de Haagse rechtbank in de Urgendazaak dat de overheid de uitstoot van broeikasgassen door Nederland met 25 procent moest verminderen voor het einde van 2020. Voor het eerst tikte een rechter een staat op de vingers omdat die niet voldoende deed om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Het gerechtshof bevestigde het oordeel van de rechtbank in 2018 en ook de Hoge Raad liet de uitspraak in 2019 staan.
De Urgendazaak zorgde voor een wereldwijde toename van klimaatzaken. Met steeds weer de terugkerende vraag: als klimaatverandering zo’n urgent probleem is, doet de overheid dan wel genoeg om dat probleem aan te pakken?
De Bonairezaak had vooraf de potentie om historie te schrijven. Het ging namelijk om een van de eerste vonnissen sinds de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die in 2024 oordeelde dat klimaatverandering de mensenrechten bedreigt. De zaak volgt bovendien kort op het advies van het Internationaal Gerechtshof van afgelopen zomer: landen hebben een zorgplicht voor hun onderdanen rond klimaat.
Of de Bonairezaak internationaal net zo veel opschudding en navolging zal krijgen als de Urgendazaak, blijft de vraag. Toch kan de uitspraak zeker historisch worden genoemd. Om meerdere redenen.
In de eerste plaats omdat het voor het eerst is dat een staat volgens een rechter onrechtmatig handelde door zijn eigen inwoners onvoldoende te beschermen tegen klimaatverandering. Met andere woorden: het schortte aan maatregelen voor klimaatadaptatie. Tot nu toe draaiden klimaatzaken meestal om vermindering van uitstoot en het halen van klimaatdoelen – ook wel klimaatmitigatie. De Nederlandse Staat moet van de rechter in 2030 een adaptatieplan hebben draaien waarin ook aandacht is voor Bonaire.

Klimaatrecht gaat daarmee dus niet alleen meer over het beperken van de opwarming, maar ook over het beperken van de schade door die opwarming. Daaronder valt volgens de rechter bijvoorbeeld ook het beschermen van cultureel erfgoed en de eigen manier van leven. Op Bonaire dreigt bijvoorbeeld gevaar voor de historische slavenhuizen en de traditionele visserij.
Ten tweede verlegt de argumentatie van de rechter een belangrijke wissel. Voor het eerst werd klimaatbeleid expliciet verbonden aan discriminatie: Caraïbische Nederlanders kregen niet dezelfde behandeling als Europese Nederlanders. Tot een paar jaar terug was er nog niets geregeld voor klimaatadaptatie op Bonaire.
Sterker nog: kwetsbare eilanden, zoals Bonaire, vragen zelfs om zwaarder beleid, aldus de rechtbank. Gelijke behandeling betekent immers niet dat overal hetzelfde beleid wordt gevoerd, maar dat er maatregelen op maat komen. Klimaatbeleid wordt met deze uitspraak nog nadrukkelijker een eerlijkheidsvraagstuk: wie het hardst wordt geraakt, moet eerder en beter worden beschermd.
Een derde reden waarom deze zaak een krachtig signaal afgeeft, is de toepassing van het nieuwe toetsingskader voor klimaatrechtszaken dat het Europees Hof in Straatsburg in 2024 introduceerde. Dat kader schetst hoe de rechtspraak zich verhoudt tot de politiek. Dat is relevant, omdat bij eerdere zaken kritiek klonk. De rechter zou op de stoel van de politiek gaan zitten.
Het nieuwe vonnis volgt dit kader nauwgezet en laat zien dat ‘Straatsburg’ geen dode letter is. Volgens het Europees Hof –en nu dus ook de Haagse rechter– hebben landen beperkte beleidsvrijheid als het gaat om de noodzaak van klimaatbeleid en de hoogte van klimaatdoelen. Die moeten in lijn zijn met internationale verdragen. Als dat niet zo is, kan een rechter ingrijpen. Welke klimaatmaatregelen worden gekozen, ligt bij de politiek. Al waarschuwde de rechter nog wel dat maatregelen geschikt en proportioneel dienen te zijn en niet op de lange baan mogen worden geschoven.
De Nederlandse klimaatdoelen moeten volgens de rechter dus scherper. Binnen 18 maanden moet nationale wetgeving volgen met bindende klimaatdoelen. Ook ontbreken tussendoelen en een duidelijk pakket aan maatregelen voor de lange termijn.
De rechter benadrukte expliciet niet te willen bevelen hóé de Nederlandse staat klimaatbeleid moet voeren. „Die keuze is voorbehouden aan de andere machten binnen de trias politica.” Nu zijn dus het nieuwe kabinet en de Eerste en Tweede Kamer aan zet.
Reageren? Dat kan via onderstaand formulier:





