Overpeinzingen bij de jaarwisseling: ”Deze wereld gaat voorbij”
Openbaring 21:6: „En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.”
Christus zegt in deze profetie tegen Johannes: „Het is geschied.” Dat wordt uiteengezet in Openbaring 16 en 17. De wereld is tot haar einde gekomen. Zo spreekt Christus over de wereld. De heerlijkheid van de wereld gaat voorbij als in een oogopslag en Christus roept tot hen die de wereld in hun beide armen hebben: „Het is geschied”, het is voorbijgegaan, er is niets meer van over. Het is voor de Heere slechts één woord. Hij spreekt: „Het is er”, en het stond er; Hij zal zeggen: „Laat alle dingen voorbijgaan”, en in het einde is alles voorbij.
Wij beginnen met de wereld alsof zij voor altijd van ons zal zijn, maar onze Heere zegt in één moment: „Neem het van hen”, en het is gebeurd. Het is niet voor niets dat het afbreken van deze herberg van hemel en aarde in zo weinig woorden wordt uitgedrukt: „Het is geschied”, want het is een makkelijke zaak voor de Almachtige om de pinnen in Zijn hand te nemen die deze schone tent in stand houden, en als Hij eraan trekt, zorgt Hij ervoor dat de tent in één keer neervalt.
Dat lezen we ook in Openbaring 7:1: vier engelen worden ingebracht, „houdende de vier winden der aarde”, alsof zij de wereld in hun handen hebben en alsof zij haar gereedhouden om haar als een laken op te vouwen. En o, wat een strijd en drukte maakt een mens om een lapje van dat laken in handen te krijgen! Hij staart er zijn ogen blind op en steekt er zijn nek voor uit, om een stukje van dit laken met gaten erin en een stukje van deze aarde te krijgen. Maar „de hemel is weggeweken, als een boek dat toegerold wordt” (Openbaring 6:14), als perkament dat samengerold wordt. De schone geschiedenissen zijn als vijgen, die door de arm van de Almachtige worden afgeschud en op de grond vallen. En wat meer is, met één aanraking van de hand van de Almachtige, of één slag van Zijn kleine vinger, of één ademtocht uit Zijn mond, als Hij zegt: „Het is geschied”, zullen de draagbalken van de muren van het huis instorten.
Wees niet als de kleine kinderen die aan de waterkant schuilplaatsen van zand bouwen, terwijl de vloed komt en al hun plezier bederft, of een stortbui, en hen verdrijft van hun spel. Mensen zijn altijd bezig met luchtkastelen bouwen. Werkelijk, wij zijn zoals de kleine kinderen die aan de rivierkant het water in onze handen houden. Zij denken (in hun kinderlijkheid) dat zij het water in hun handen kunnen houden, terwijl het ondertussen tussen hun vingers doorloopt.
Sleepnet
En wat zegt God over eer, rijkdom, genoegens, land, mooie huizen en veel geld? Datzelfde ene woord: „Het is geschied.” Vraag hun die eens de wereld tot hun beschikking hadden en uitgestrekte landerijen bezaten, wat ervan overblijft. Wat blijft er over van zo veel duizenden? Wat heeft de wereld meer dan hun naam? En wat als ook hun naam in de vergetelheid raakt? Want wat is hun naam? Tien of elf letters van het abc.
Ik denk dat de wereld het grote sleepnet van de duivel is, dat duizenden heeft gevangen en gedood. U zegt dat u er zeker van bent? Dan zeg ik u dat u niet ver van de hemel bent verwijderd.
Het tweede in dit vers is een beschrijving van Christus. „Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde.” Onze Heere biedt hier het water des levens aan, maar eerst laat Hij zien wat Hij is, namelijk de eerste en de laatste letter van het alfabet. De Oude van dagen, de eeuwige Zoon van God van de eeuwige God.
Als nu Christus eeuwig leeft, dan is het ook eeuwig levende líéfde. Want Christus heeft geen liefde die op een dag ontstaat; die liefde was ook gisteren in Hem. De liefde van mensen en de liefde van een koning worden ten koste van veel nagejaagd, en toch sterven zij. Hun liefde sterft met hen en vaak sterft hun liefde vóór zij zelf sterven. Maar wie zoekt de liefde van Christus, die niet verandert? Ja, dit is een zaak van aanbidding en verwondering dat Christus aan ons, nietige stervelingen, heeft gedacht vóór wij bestonden. En dat onze zaligheid zo oud is als de eeuwigheid, zo oud als Christus en Christus is zo oud als God! Werkelijk, wanneer God op een bepaald moment begonnen zou zijn om zondaren lief te hebben, zou Zijn liefde een begin hebben en wanneer Zijn liefde een begin zou hebben, dan zou Christus Zelf een begin hebben, omdat de liefde één is met Zijn wezen en natuur.
Laten we het dan ook voor dwaasheid houden om zo’n oude vriend als Christus te verlaten. En laat ons geloof zich ook onder verzoekingen en verlatingen hieraan vastklemmen: de Alfa en de Omega verandert niet, de verandering ligt in ons.
Water des levens
Het derde in de woorden van de tekst is een belofte van het water des levens aan de dorstigen. „Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet” (Jesaja 55:1 en Johannes 4:14).
Christus roept op de markt dat de bron vrij toegankelijk is. Daaruit leren we dat dorstige en hongerige zielen het meest geschikt zijn voor het water des levens. Wat! (zult u zeggen), zijn niet állen dorstig? Ja, allen missen het leven van God en het levenssap van de genade en allen zijn verbrand en verdroogd aan de wortel, maar niet allen hebben door wat zij missen.
Hier is werkelijk een bijzondere vertroosting voor zwakken die zeggen: O, ik weet dat Christus goed doet aan gelovigen, aan hen die zich bekeren en aan hen die Hem liefhebben, maar ik durf niet, ik kan niet tot geloof, bekering, hoop en geduld komen. Mijn armen zijn te kort om zo hoog te komen.
Dan vraag ik u: hebt u een verlangen, een honger naar geloof, bekering en liefde? Nu, ik druk u op uw hart, spreek de waarheid! Ik geloof dat u het niet kunt ontkennen. Dan nodigt de Heere u te komen, de bron staat open voor u. Want honger en dorst hebben alles met beweging te maken en dat zijn de twee eigenschappen die het eerst beginnen met het leven, want ieder pasgeboren kind is levendig en heeft trek in eten en drinken.
Maar, zegt u, ik ben vaak in mijn ziel aan de poort van de dood. Ik heb geen geloof noch gevoel. Ik sta zelfs op het punt te zeggen dat God mij niet liefheeft en dat de bron op dit moment niet voor mij bestemd is.
Zou u graag bij de bron zijn? Ik denk dat u niet kunt wegblijven. Zelfs wanneer het eb is in het leven van de kinderen van God, wanneer geloof, troost, vreugde, liefde en de gebedsgestalte weg zijn, blijft er een verlangen naar de aanwezigheid [van God]. Ik spreek tot het geweten van Gods kind: lieg niet.
Toen David dacht (Psalm 6) dat God in toorn tot hem sprak, stelde hij een scherpe vraag: „Hoe lang, Heere?” Ik denk dat hij als een hongerig dier over de afrastering keek. Hij zou zo graag een mondvol hebben. Hij zocht een opening in de afrastering van zijn twijfels, om erdoorheen te breken. Zo is het ook met Gods kinderen, in hun dorst naar het water van de bron des levens.
Het kind in het huis van Christus dat het meest lastig is en het hardst roept om zijn eten, is het beste kind dat Christus heeft. Van een kind dat elk uur van de dag huilt om eten en drinken, zeggen we: Hij wil graag liefde. Maar hoe lastiger de kinderen van Christus zijn, hoe meer welkom zij zijn. Hij houdt het meest van die kinderen die zich niet schamen en altijd roepen: „Helaas, ik heb zo’n erge honger, lieve Heere Jezus, ik brand van dorst, o dat ik een geopende koele fontein vond!”
O, het is een zoete zaak om altijd zo te jammeren, te huilen en de deuren van Christus’ voorraadkamer te zoeken en het oog op Christus gevestigd te houden als Hij in het wijnhuis gaat, in die schone, heerlijke wijnkelder van Zijn Vader, waar vele wijnen zijn, en volg Christus op de voet! Dus in één woord: Heeft u een goede maag? Veel honger en dorst? Welnu, dan zult u verzadigd worden met de genade van Christus.
Nu, wie worden uitgesloten van de bron van Christus? Antwoord: Zij die een slechte drank hebben gekregen van de duivel, vol van wellust, trots en hebzucht, vol van liefde tot de wereld. Dat zijn zij die geen begeerte tot Christus hebben. Helaas, wee mij! Christus staat naast de bron en roept: „Ik weiger u Mijn hand.” De Heere Jezus geve hun een braakmiddel, dat zij weer gezond mogen worden en hongerig naar Christus, want tot dat moment zullen zij niet geschikt zijn om Hem te ontmoeten.
Een zacht bed
Zeg mij, bent u een zondaar die dorst naar Christus? Dan is uw ziel dodelijk ziek, terwijl u Hem ontvangt. Is iemand afgemat, vermoeid en verreisd? Leg hem neer op een zacht bed, droog zijn zweet af en geef hem een koele, verfrissende drank. Zo kunt u ook geen woord spreken tot een ziel die verbroken is onder de zonde om hem op te beuren, maar u kunt hem wel tot de gekruisigde Christus brengen. O, dat is een zacht bed! Zijn zondige ziel, uitgestrekt op de open wonden en het warme vloeiende bloed van Christus. O, dat is een zacht bed! O, slechts een deel van het bloed van Christus is al een verfrissende en verkoelende drank voor hem! Een slaaf van de hel, die weet dat hij gemaakt is tot een vrije erfgenaam van de hemel, o, dat is aangenaam!
Maar Christus is de verkoelende, heilzame Bron, „de Fontein van water, die springt tot in het eeuwige leven”. Nu, laten we dit eens op onszelf toepassen: als Christus zo’n levende Bron van water is, hoe komt het dat er onder het Evangelie zo veel droge en verdorde zielen zijn? Ik antwoord: God heeft echt geen ijzeren slot op de fontein van het leven gemaakt, maar Christus opent de bron, midden onder ons, door Zijn Woord en sacramenten. Christus en Zijn boodschappers hebben uitgedroogde zielen geroepen. Maar nu, voor zover wij kunnen zien, zal Hij de bron weer sluiten. Hij heeft de middelen tot het leven uitgestald, Hij heeft de deuren van Zijn kraam geopend om ze gratis uit te delen, aan eenieder die het wil nemen, maar Hij heeft geen kopers. Daarom moet Hij Zijn waren inpakken en weggaan, want de mensen dorsten niet naar Zijn water. De een dorst naar hoogheid en eer, een ander naar wellust en geld en een derde dorst naar zondige genoegens. Er zijn maar weinig magen die naar Christus verlangen.
In deze dure wereld wordt niets meer gratis verstrekt. Maar Christus zal Zijn woord niet veranderen. Bij Hem zijn alle dingen gratis te verkrijgen en u bent welkom omdat alles is voldaan. In deze wereld zijn klederen of geneesmiddel niet gratis, maar Christus schenkt witte klederen, ogenzalf en alles voor niets. Zondaren zeggen: „Heere, wat vraagt U voor het water des levens?” Hij antwoordt: „Niets, en toch bent u welkom.” Christus speelt niet de koopman met Zijn waren en Hij maakt geen winst, maar Hij roept: „De bron is vrij toegankelijk.”
Vond u dit artikel nuttig?
- Meer over
- Oud en nieuw
- Terugblik 2025




