BinnenlandInterview

Nederland werd een thuis voor Surinamers, maar hun roots vergaten ze niet

Sinds de onafhankelijkheid van hun land emigreerden meer dan 250.000 Surinamers naar Nederland. Ze voelen zich er thuis, maar Suriname blijft trekken.

De Surinaamse vlag wappert naast de Nederlandse vlag.
Op 25 november 2025 was het 50 jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd van Nederland. beeld ANP, Sem van der Wal

„Nederland schrok zich een hoedje. Er kwamen heel veel Surinamers in heel korte tijd. Daar waren we niet op voorbereid”, zegt Alex van Stipriaan, emeritus hoogleraar Caraïbische geschiedenis en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, met als specialisatie de Surinaamse geschiedenis en cultuur. Dinsdag 25 november was het 50 jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd. Toen, in 1975, trokken bijna 40.000 Surinamers naar Nederland, 10 procent van het inwoneraantal destijds.

Volgens Van Stipriaan begon de migratiestroom al enkele jaren voor de onafhankelijkheid. Het land verkeerde in onzekerheid, zegt hij. „Mensen waren terecht bezorgd over hoe het met Suriname zou gaan na de onafhankelijkheid. Niet alleen vanwege de broze economie, maar ook omdat verschillende bevolkingsgroepen tegen elkaar werden opgezet door politici.”

Eenoudergezinnen

Sinds de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 kwamen er ruim 250.000 Surinamers naar Nederland, bleek vorige week woensdag uit cijfers van het CBS. Op dit moment wonen er 181.000 mensen in Nederland die in Suriname zijn geboren. Er zijn 189.000 in Nederland geboren mensen met Surinaamse ouders.

Volgens het CBS zijn de meeste Surinamers in Nederland vrouw. Ook zijn er veel eenoudergezinnen. Van de vrouwen van Surinaamse afkomst tussen de 40 en 45 jaar behoort 32 procent tot een huishouden met één ouder. Ter vergelijking: onder Nederlandse vrouwen is dit 12 procent.

Volgens Van Stipriaan heeft dat hoge aantal eenouderhuishoudens met de cultuur en demografie van Suriname te maken. „Gezinnen zonder man zijn kwetsbaarder. Voor hen was het logisch naar Nederland te gaan, omdat daar economische zekerheid was; je kreeg er in ieder geval een uitkering.”

Drugshandel

Nederland had in 1975 moeite met het opvangen van de Surinamers, zegt Van Stipriaan. „We wisten niet waar we ze moesten onderbrengen. Ze zagen er anders uit en hadden een andere cultuur. De enige overeenkomst was dat ze Nederlands spraken. Rond die tijd werden de Bijlmer en Zoetermeer opgeleverd. Eigenlijk waren die bedoeld voor mensen uit achterstandswijken in de grote steden. Nu gebruikte de overheid die om de Surinaamse groepen in op te vangen.”

„Drugs was goed geld verdienen voor werkloze Surinamers”

Alex van Stipriaan, emeritus hoogleraar

Dat zette kwaad bloed bij de Nederlanders, die vonden dat hun huizen en banen werden ingepikt. Daarnaast gaf de levendige drugshandel een negatief beeld over Surinamers, vooral over de afro’s. „Zij zijn gewend buiten te leven, op straat”, duidt de hoogleraar. „Het drugsprobleem was dus heel zichtbaar. Maar voor de werkloze Surinamers was het goed geld verdienen.”

Thuisgevoel

Het duurde niet lang voordat het beter ging met de Surinamers in Nederland. Veel van hen trokken naar het nieuwe Almere. Op dit moment woont daar ruim 11 procent van de Surinaamse gemeenschap. Daarop volgen de regio’s Rotterdam, Amsterdam en Den Haag.

„Surinamers hebben hun plek opgeëist”, zegt Van Stipriaan. „Ze kregen ze een betere positie. Op dit moment zijn bijvoorbeeld best veel bekende Nederlanders (BN’ers) Surinaams, vaak afro’s. Denk aan presentator Humberto Tan en politica Silvana Simons.”

„Surinamers hebben hun plek opgeëist”

Alex van Stipriaan, emeritus hoogleraar

Toch noemt de hoogleraar nog „een vergeten hoofdstuk”. De ervaren discriminatie op huidskleur en ras is bij Surinamers één van de hoogste van alle groepen in Nederland, stelt hij. Dat zou komen doordat Surinamers —en Caraïbiërs— sinds de slavernij extra gevoelig zijn voor kleurverschillen tussen mensen. Ook zijn Surinaamse Nederlanders bijna twee keer zo vaak werkloos dan blanke Nederlanders, blijkt uit cijfers van het CBS. Dat aantal daalt de afgelopen jaren wel.

Daarnaast neemt het thuisgevoel van Nederlandse Surinamers af, zegt Van Stipriaan. Vooral bij de tweede en derde generatie daalt dat volgens de emeritus hoogleraar. „Uit onderzoek blijkt dat Surinamers zich van alle migrantengroepen in Nederland hier het meest thuis voelen. Maar veel van hen voelen zich aangesproken door de huidige politieke trend van Nederland voor de Nederlanders. Het idee is: vandaag zijn de moslims doelwit, morgen wij.”


„Als ik er klaar voor ben, ga ik terug naar Suriname”

Een lichtgetinte jongeman in een donker pak met stropdas op Nike-schoenen.
Faizel Ashruf. beeld Faizel Ashruf

Faizel Ashruf (25): „Drie jaar geleden verhuisde ik van Suriname naar Nederland voor mijn studie bedrijfskunde aan de Hogeschool Rotterdam. Ik kom uit Paramaribo. Mijn vader wilde me hoger op de maatschappelijke ladder krijgen. En ik wilde zelf ook doorstuderen. In Suriname is het onderwijs daarvoor niet goed genoeg. Je moet er de hele maand werken voor 300 of 400 euro. Omdat het leven duur is, verkiezen de meeste Surinamers werk boven een studie. In Nederland mag je als Surinaamse student zestien uur per week werken. Aan het eind van de maand heb je dan 800 euro én gestudeerd. Dat scheelt veel.

Als ik mijn bachelor heb, ga ik voor een master. Daarna blijf ik om werkervaring op te doen. Ik weet bijna zeker dat ik, als ik er klaar voor ben, terugga naar Suriname. Er is onlangs olie en gas gevonden. Na alle jaren waarin Suriname economisch heeft gestruggeld, kan het een welvarend land worden.

„De meeste Surinamers in Nederland zijn hun roots niet vergeten”

Faizel Ashruf, Surinamer

De meeste Surinamers in Nederland zijn hun roots niet vergeten. Daar ben ik trots op. Ze zijn heel vriendelijk en gastvrij en gaan vaak terug naar Suriname. Zelf wil ik niet in Nederland blijven wonen, maar wel op zijn minst mijn studie afmaken.

Het jubileum van Suriname vier ik dit jaar met mijn studentenvereniging Surinamese Students Association, waar ik ”chairman” van ben. We gaan naar een feestje in Rijswijk met traditionele muziek en dj’s. Toen ik in Suriname woonde vond ik eigenlijk dat Suriname helemaal niet onafhankelijk hoefde te zijn. Nu heb ik een dubbel gevoel. We zijn, pats-boem, van afhankelijkheid naar onafhankelijkheid gegaan. Het was alsof je een kind de macht geeft. Dan gebeuren er domme dingen.

Vooral de oudere Surinamers zouden liever geen onafhankelijkheid hebben gehad. Maar de mensen van mijn leeftijd zijn er nu wel blij mee. Je moet als land ouder durven worden, zelfstandig. Daarom ga ik over een jaar of tien terug naar Suriname. Om te helpen het land op te bouwen.”


„In Suriname werden we als Nederlandse toeristen gezien”

Een donkere vrouw met lang, zwart haar in traditionele Surinaamse kleding: een witte jurk met geborduurde, gouden bloemen en een paarse hoed/muts.
Peggy Bouva. beeld RD

Peggy Bouva (47): „In Suriname zeggen we: „Wi eygi sani.” Dat betekent zoiets als trots zijn op je erfgoed, op je zelfredzaamheid. Daar is alle reden toe, na vijftig jaar onafhankelijkheid. Maar ook voor bezinning, want er is nog genoeg te doen in het land.

Ik ben niet in Suriname geboren. Mijn ouders zijn als kind nog voor de onafhankelijkheid naar Nederland gekomen. Mijn jeugd bracht ik door in Schiedam. Nu woon ik in Rotterdam-Zuid, samen met mijn twee dochters. Ik was vijftien toen ik voor het eerst naar Suriname ging. Dat was heel bijzonder, want ik zag het land waar mijn vader en moeder waren geboren.

Toen ik 21 was, ben ik met mijn zusje op vakantie naar Suriname gegaan. We hadden toen de vrijheid om het land te verkennen, voordat we familie bezochten. Wat ik heftig vond, was dat we gezien werden als Nederlanders, als toeristen. Ik voelde me heel Surinaams en dacht: ik ben één van jullie. Maar de mensen daar hadden zoiets van: je praat anders, je ziet er anders uit, je gedraagt je anders. Eigenlijk was dat ook zo.

„Mijn vader sprak altijd met heel veel liefde over Suriname”

Peggy Bouva, Surinaamse Nederlander

Toch zie ik mezelf als een kind van Suriname. Mijn vader sprak altijd met heel veel liefde over het land. Zijn verlangen was om zijn oude dag in Suriname te slijten, maar hij is overleden toen hij 59 jaar was. Daarom heb ik de diepgewortelde wens om voor mijn pensioen nog naar Suriname te kunnen verhuizen en mijn steentje bij te dragen aan de gemeenschap daar.

De afgelopen vijftig jaar onafhankelijkheid was het vallen en opstaan. Het land heeft tijd nodig om op eigen benen te kunnen staan. Als ik een mooie baan krijg aangeboden, zou ik er wel naartoe verhuizen. Nu werk ik binnen het sociaal domein bij gemeentes. Ook verzorg ik lezingen over het onderzoeken van familiegeschiedenis en geef ik kinderen les op een weekendschool. Het is mijn ultieme droom om dat in Suriname te mogen doen.”


„Bijzonder trots op ons familiebezit in Suriname”

Een donkere, kale man met een grijze sik en een ronde bril kijkt in de camera. Hij draagt een groen overhemd met een gele ster op een rode ondergrond op de schouders en het borstzakje, de kleuren van de vlag van Suriname.
Leendert Dennen. beeld RD

Leendert Dennen (73): „De generatie na mij heeft niet zo’n sterke binding met Suriname. Wij als ouders moeten daarvoor zorgen. Mijn zeven kinderen en negen kleinkinderen hebben zich in Nederland ontwikkeld, voor hen is Suriname een vakantieland. Ik ga ernaartoe omdat in het land mijn wortels liggen. Ik ben er geboren.

Toen ik 23 was ging ik in mijn eentje van Paramaribo naar Nederland. Ik wilde me verder scholen in het buitenland. En omdat Nederland het moederland was, leek me dat een logische keus. Sindsdien woon ik in Den Haag. Voor mijn gevoel werd ik met open armen ontvangen. Ik was elektrotechnicus en kon binnen een week al aan de slag.

Mijn hele leven woon ik al in de Schilderswijk. In de volksmond is het een achterstandswijk, maar ik voel me niet op achterstand. Het is hier best toeven. Mijn kinderen zijn hier opgegroeid totdat ze uit huis gingen en ze zijn allemaal goed terechtgekomen. Er zijn kansen genoeg, maar je moet ze benutten en pakken.

„Ik probeer me in te zetten voor de Afro-Surinaamse gemeenschap in Den Haag”

Leendert Dennen

Zelf heb ik dat gedaan door me te scholen en mee te doen in de samenleving. Ik heb me goed aangepast. Ik ben ook voorzitter van de Surinaamse vereniging De Molenwijk. Die bestaat al 37 jaar. Op die manier probeer ik me in te zetten voor de Afro-Surinaamse gemeenschap in Den Haag.

Ik heb de onafhankelijkheid in Suriname meegemaakt. Toen ik tiener was juichten mijn vader en moeder die toe. Als land moet je een keer zelfstandig worden om te kunnen ontwikkelen. Sommige mensen waren het daar niet mee eens, zij gingen naar Nederland. Anderen bleven achter en probeerden er samen met de regering iets van te maken.

In Suriname heeft mijn familie nog twee plantages, stukken erfgrond. Ze zijn al 140 en 160 jaar in ons familiebezit en we zijn er bijzonder trots op. Onze voorvaders hebben de grond gekocht na de afschaffing van de slavernij. Ik behoor tot een van de achterkleinkinderen en probeer vanuit Nederland mijn broers en zussen te ondersteunen met het onderhouden van de plantages, bijvoorbeeld op administratief gebied. Mijn kinderen probeer ik hierbij te betrekken. Twee van hen hebben nu al veel contact met mijn familie in Suriname. Dus als ik wegval, weet ik zeker dat ze de band met de familie zullen behouden. Dat stelt me gerust.”