OpinieWelbeschouwd

De ene familie is de andere niet

Een enkele maand geleden kwamen we met de hele familie bij elkaar rond de honderdste verjaardag van onze grootmoeder. Een unieke gebeurtenis, die in menige familiekring nooit zal plaatsvinden.

Vignet opinie, met een portretfoto van een man met een ronde bril, haar in een scheiding.
Pieter Ariese. beeld RD

Want hoewel Nederland steeds meer honderdjarigen telt –in twintig jaar tijd verdubbelde het aantal honderdplussers– blijft het toch buitengewoon bijzonder om die leeftijd te mogen bereiken én om daar als nageslacht getuige van te zijn.

Het bijzondere karakter van deze mijlpaal werd nog eens onderstreept door de persoonlijke brief van de koning die mijn oma ontving. Ze kreeg ook een schrijven van de commissaris van de Koning. En de burgemeester kwam langs, om samen te poseren voor een foto. Ze kreeg de originele geboorteakte cadeau, waarop in keurig handschrift, zoals men dat honderd jaar geleden nog kon, de namen van oma waren geschreven. Mijn grootmoeder heeft die dag, te midden van een uitdijende bloemenzee, glunderend doorgebracht.

Verwondering was er ook enkele dagen later, op de familiebijeenkomst met het talrijke nageslacht. Ergens in een hotel langs een van de grote rivieren, in een zaaltje dat bijna uit zijn voegen barstte vanwege de hoeveelheid aanwezigen, overhandigde de oudste kleinzoon een plant aan oma. Aan elke tak hing een kaartje met daarop van iedere nazaat een wens. Het geschenk symboliseerde haar inmiddels wijdvertakte stamboom.

Dit heugelijke samenzijn kwam me weer voor de ogen toen ik een verhandeling las van John Charles Ryle. Hij schrijft in ”Christen-zijn in het dagelijks leven” behartigenswaardige dingen over aardse families, naar aanleiding van Efeze 3:15. Ryle noemt familiebijeenkomsten „één van de weinige plezierige dingen die de val van de mens overleefd hebben.” En verderop: „Alles wat ertoe bijdraagt de familiebanden te verstevigen, moet aangeprezen worden.”

Ryle ziet ook de keerzijde, bijvoorbeeld als hij wijst op gezinsleden die hun eigen weg in de wereld gaan of op lege plaatsen die er door sterfgevallen gekomen zijn. Het gebeurt uiteindelijk nog maar zelden dat de hele familie bij elkaar komt. Zo bezien was niet alleen de honderdste verjaardag van mijn oma uniek, maar ook het feit dat we als familie nog met zovelen in goede harmonie bij elkaar konden zijn. Ook al werden meerdere dierbaren node gemist.

Het gaat bij Ryle over de indringende vraag of we lid mogen zijn van Gods huisgezin

Toch gaat het bij Ryle niet om een genoeglijk samenzijn, maar over de indringende vraag of we lid mogen zijn van Góds huisgezin. De ene familie is namelijk de andere niet. En Gods ‘familie’ kent ongekende voorrechten en geheel andere vooruitzichten dan aardse familieverbanden.

In zijn verhandeling beschrijft Ryle in de voor hem typerende eenvoudige, maar trefzekere bewoordingen wie er tot het huisgezin van God behoren. Zij worden lid door nieuwe geboorte. Het zijn de uitverkorenen Gods, die in teder vertrouwen leren zien op Hem Die de overtredingen en de zonde vergeeft, en Die zelfs voor de zwakste grote ontferming heeft. Hun wacht geen onzekere toekomst, in tegenstelling tot aardse families, waarvan het geluk in veel gevallen na zo’n honderd jaar voorbij is, schrijft Ryle…

Hij roept er daarom met klem toe op om tijdens élke familiebijeenkomst elkaar de vraag te stellen: Behoort u al tot het huisgezin van God? Zo richting het einde van het jaar zullen er de nodige ontmoetingen zijn. Laat deze vraag dan in vele huiskamers klinken.

De auteur is adjunct-hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad