InterviewWetenschap

Het geloof in de Bijbel wringt voor professor Boersma niet met zijn werk als wetenschapper

Reformatorische studenten geneeskunde lopen steevast aan tegen medisch-ethische dilemma’s tijdens hun opleiding. „Blijf er niet mee zitten, maar zoek ons op”, adviseert prof. Eric Boersma van het Erasmus MC in Rotterdam.

Man in wit overhemd op een loopbrug.
Prof. Eric Boersma richt zich in zijn onderzoek op patiënten met hart- en vaatziekten. Hij bestudeert welke oorzaken hebben geleid tot de ziekte. beeld Dennis Wisse

Eric Boersma (59), hoogleraar klinische epidemiologie hart- en vaatziekten aan het Erasmus MC in Rotterdam, heeft inmiddels 34 werkzame jaren achter de rug. Allemaal in de medische wereld.

Hoe komt u als ingenieur in de medische wereld terecht?

„In mijn middelbareschooltijd was ik helemaal geboeid door wiskunde. Ik wilde dat vak studeren. In Delft, want dat was dicht bij huis. Ik dacht niet na wat ik daarna met mijn studie kon. Best wel naïef.

Na een jaartje militaire dienst moest ik toch een baan zoeken. Ik werd op het Dijkzigt Ziekenhuis (nu Erasmus MC) aangenomen bij de afdeling cardiologie, als consulent voor vragen op het gebied van statistiek. Eerlijk gezegd had ik toen geen idee in wat voor wereld ik terecht was gekomen.

Ik hielp databases opzetten voor medisch specialisten die daar onderzoek mee gingen doen. Op het moment dat ze de gegevens hadden verzameld, gaf ik adviezen over de juiste statistische bewerking.

Uit mijn contacten met die specialisten merkte ik dat het medische wereldje mij wel lag. Hun onderzoek boeide me zo, dat ik dacht: waarom ga ik zelf geen onderzoek doen? Dus heb ik mijn wens aan een hoogleraar cardiologie kenbaar gemaakt. En of hij mij daarbij wilde begeleiden.”

En daarna?

„Zo heb ik promotieonderzoek gedaan, en daarna de academische ladder doorlopen van universitair docent, hoofddocent en hoogleraar. Ik begeleid zo’n vijftien promovendi op onderzoekslijnen binnen de klinische epidemiologie.”

Wat is klinische epidemiologie van hart- en vaatziekten voor medisch specialisme?

„We richten ons in het bijzonder op patiënten met hart- en vaatziekten. We bestuderen wat heeft geleid tot de ziekte die de patiënten hebben. We proberen ook factoren te achterhalen die te maken hebben met het ziekteverloop. Ten slotte zoeken we naar verbeterde behandelingen van de patiënten.”

Hoe zien die onderzoekslijnen eruit?

„Eén onderzoekslijn is gericht op prognostisch onderzoek. We verzamelen daarbij herhaaldelijk bloed van patiënten. Daarin zoeken we bepaalde biomarkers, verklikkerstofjes. Het beloop daarvan koppelen we met gebeurtenissen in het leven van de patiënt. Die kan bijvoorbeeld overlijden, of opnieuw worden opgenomen met een hartinfarct of hartfalen. Je kunt op deze manier relevante biomarkerpatronen ontdekken.

Verder houd ik me ook bezig met onderwerpen in de hoek van big data, kunstmatige intelligentie (AI) en machine learning. Door de komst van snelle computers kunnen we gemakkelijker onderzoek doen in grote en complexe databestanden van patiënten met hart- en vaatziekten. Ook doe ik onderzoek naar het verband tussen stress, slaapkwaliteit en hart- en vaatziekten.”

Ten slotte ben ik geïnteresseerd in onderzoeksmethodologie: hoe zet je nu een goede studie op? Waar moet je op letten als het gaat over de inclusie van patiënten? En als het gaat om uitvoering, data-analyse en statistische bewerking?

Eén belangrijk onderwerp is: vrouwen en hart- en vaatziekten. Ik leid samen met een collega uit Utrecht een landelijk consortium, gesubsidieerd door de Hartstichting.”

U bent ook voorzitter van het bestuur van het Hart en Vaat Instituut van het Erasmus MC. Wat doet dat instituut?

„Het is een netwerk dat iedereen bij elkaar brengt die binnen het Erasmus MC iets doet met hart- en vaatziekten. De letterlijke afstanden binnen het Erasmus MC zijn groot, waardoor onderzoekers en zorgverleners elkaar niet altijd gemakkelijk weten te vinden. Met het Hart en Vaat Instituut proberen we die afstanden te overbruggen. Samenwerking voorkomt dat we allemaal hetzelfde wiel aan het uitvinden zijn.”

Wat is uw meest invloedrijke wetenschappelijke onderzoek?

„Dat in 1996 gepubliceerde onderzoek ging over de behandeling van hartinfarctpatiënten. Die kregen een stolseloplossend medicijn toegediend in het ziekenhuis. Daarna was het even afwachten of het ging werken of niet. Destijds was al bekend dat hoe vroeger je startte, hoe beter dat was voor de patiënt. Maar hoeveel beter, dat wist eigenlijk niemand.

Toen heb ik als wiskundig jongetje een literatuurstudie gedaan en aangetoond dat behandeling binnen het eerste uur veel schade voorkomt. Een patiënt moet daarom zo snel mogelijk in het ziekenhuis terechtkomen voor een dotterbehandeling en het plaatsen van een stent.

Aanvankelijk was dotteren nog experimenteel en moesten cardiologen het vooral doen met stolseloplossende medicijnen: een dure variant die heel goed werkte, maar wel ernstige bijwerkingen kon geven en een goedkope die minder effectief, maar wel veiliger was. Wat geef je dan? Dat was dus een kosten-batenprobleem met een ethische component. Vanuit mijn wiskundige achtergrond heb ik gewerkt aan een protocol, waarmee arts-assistenten ter plekke bij de patiënt een afweging konden maken. Daarop kijk ik nog steeds met veel genoegen terug.”

U bent vorig jaar mei vicevoorzitter van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CGB) geworden. Wat doet dat college?

„Als college beoordelen we op basis van wetenschappelijk onderzoek of een middel werkt, en of de werking in gunstige verhouding staat tot de bijwerkingen.

Het CBG maakt met vergelijkbare organisaties uit andere Europese landen deel uit van de EMA, de European Medicine Agency, een adviesorgaan voor de Europese Commissie. De EMA neemt uiteindelijk een meerderheidsbesluit over een middel. De Europese Commissie neemt dat advies over en verstrekt vervolgens een handelsvergunning aan de fabrikant.”

Een gevoelige kwestie is dat de medische sector vaak wordt verweten steekpenningen aan te nemen van de farmaceutische industrie.

„Wij willen elke schijn van belangenverstrengeling vermijden. Dat is bij het CBG en de EMA heel strikt geregeld. Als je tot vijf jaar geleden iets hebt gedaan voor een farmaceut, of een subsidie hebt gekregen voor onderzoek van die industrie, mag je niet meedoen aan de discussie. Die regels zijn heel streng. Volkomen terecht natuurlijk.”

U bent ook lid van de Gezondheidsraad. Soms moet de raad uitspraken doen over zaken die in de reformatorische achterban als controversieel gelden, zoals over vaccins in coronatijd. Vindt u dat lastig?

„Eigenlijk niet, want ik hoef over vaccins geen uitspraken te doen. Ik ben lid van de vaste commissie Voeding van de Gezondheidsraad, en niet actief op het terrein van vaccins. Als je lid bent van een vaste commissie, ben je bij koninklijk besluit ook automatisch lid van de Gezondheidsraad. Als een soort cadeautje; mensen vinden het relevant om dat op hun CV te kunnen zetten.”

Wat merkt onze maatschappij van uw werk?

Lachend: „Dat is een gewetensvraag. Ook heel lastig te beantwoorden, omdat veel van mijn onderzoek erg academisch is. Het verbeteren van het protocol voor de behandeling van patiënten met een hartinfarct is wellicht het meest tastbare. Laat ik het zo zeggen: ik ben betrokken bij de opleiding van medici, en geef ze les op het gebied van statistiek. Ik hoop dat ze daardoor betere artsen worden. Dan heb ik mijn steentje bijgedragen. Al is het eindresultaat moeilijk in een getal uit te drukken.”

„Ik moet echt uitkijken voor een bepaalde mate van beroepsdeformatie”

Eric Boersma, hoogleraar Erasmus MC

U bent lid van de gereformeerde gemeente in Nederland te Alblasserdam. Is uw geloofsovertuiging wel eens een belemmering geweest voor uw wetenschappelijke functioneren?

„Ik moet echt uitkijken voor een bepaalde mate van beroepsdeformatie. Ik ben veel met modellen bezig. Met behulp van zo’n model benaderen we patiënten; kunnen we levensverlengend handelen of hun kwaliteit van leven verbeteren? Het gevaar ligt op de loer om te veel vanuit zo’n model te denken. En er onvoldoende bij stil te staan dat feitelijk Iemand anders de gang van ons leven bepaalt en niet zo’n model. Op dat punt moet ik mezelf af en toe wel aanspreken. Aan de andere kant vind ik het heel mooi als een nieuw model wordt gepubliceerd. Daar kan ik echt van genieten.”

En congressen die op zondag vallen?

„Medische congressen duren meestal vier dagen, en de zondag zit er altijd bij. Op zondagen moet ik verstek laten gaan, al zouden ze me hebben ingepland voor een presentatie. Indien mogelijk zoek ik een lokale christelijke gemeente op, maar meestal blijf ik in mijn hotelkamer. Collega’s doen daar niet moeilijk over.

Maar het hindert me wel in mijn wetenschappelijke werk. Want omdat ik op zondag geen voordracht kan houden, ben ik terughoudend om een voorstel voor een presentatie in te dienen.

Mijn promovendi hebben, voor zover ik weet, geen christelijke achtergrond. Zij dienen wel voorstellen in en presenteren die zo nodig ook op zondag. Het heeft voor mij iets dubbels. Mijn naam staat daar ook bij, maar ik ben er dan niet om hen te ondersteunen. Of dat helemaal zuiver is, daar kun je een vraagteken bij zetten. Maar ik ben bereid om zover te gaan.”

Hebt u daarover ook gesprekken met collega’s?

„Het is hier een seculiere omgeving. Mensen in mijn omgeving weten dat ik christelijk ben. Ik ben niet iemand die dat heel erg uitvent, maar ik steek het ook niet onder stoelen of banken als het ter sprake komt. Ze kijken mij er niet scheef op aan, het wordt me ook niet nagedragen.

Vanwege mijn christelijke overtuiging probeer ik iedereen fair te behandelen. Aan de andere kant heeft mijn meegaandheid misschien ook te maken met mijn karakterstructuur. Ik ben niet geneigd om dingen op de spits te drijven.

Zo nu en dan, en dat is verrassend, kom ik toch wel eens een collega tegen die ook een christelijke achtergrond heeft. Dan heb je ook wel eens een fijn gesprek.”

„Ik denk dat de medische wetenschap prima kan functioneren zonder de evolutietheorie”

Eric Boersma, hoogleraar Erasmus MC

In de medische wetenschap speelt de evolutietheorie een belangrijke rol. In hoeverre hebt u daarmee te maken?

„Collega’s van me doen meer aan genetische epidemiologie in de hoek van hart- en vaatziekten. Die redeneren bij een genetische afwijking die een hoger risico geeft op hart- en vaatziekten vanuit het evolutiedenken. Ze redeneren zo dat de variatie aan genen is ontstaan tijdens miljoenen jaren van evolutie. In die zin heb ik ermee te maken.”

Wat denkt u dan?

„Ja, dat zal wel; maar ik geloof er niet in. Ze constateren anno nu een feit. En waar dat vandaan komt, is niet relevant voor ons.”

Zegt u hiermee ook dat de evolutietheorie niet relevant is voor de medische wetenschap?

„Er wordt veel geredeneerd vanuit de evolutietheorie, maar ik denk dat de medische wetenschap prima kan functioneren zonder deze theorie.”

Ervaart u wel eens botsingen tussen uw vak en geloofsovertuiging?

„Nee, eigenlijk niet. Alhoewel, botsingen zitten er misschien op het gebied van de maakbaarheid van de samenleving in relatie tot zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus over de voorzienigheid. Ik ben me ervan bewust dat ik meewerk aan de maakbaarheid van de samenleving. Met mijn modellen en wiskundige redenering probeer ik hart- en vaatziekten uit te bannen en de kwaliteit van leven van mensen te verbeteren. Ik ben me ervan bewust dat dat toch enigszins wel op gespannen voet met elkaar staat.”

„Een studie gynaecologie kan ingewikkeld worden; dat moet ik er eerlijk bij zeggen”

Eric Boersma, hoogleraar Erasmus MC

Wat zou u reformatorische jongeren die medische wetenschappen willen gaan studeren, willen meegeven?

Resoluut: „Vooral doen. Het zou wel heel apart zijn als wij zouden constateren dat je als christen geen geneeskunde kunt studeren. Al kan het bij een specialisme als gynaecologie wel ingewikkeld worden.”

Waarom ingewikkeld?

„Je zult een standpunt moeten innemen over abortus en vruchtbaarheidsbehandelingen. Wat voor advies ga je geven na prenatale screenings, een NIPT-test bijvoorbeeld; meestal draait een negatieve uitslag uit op een abortus. Of neem de hele vruchtbaarheidsproblematiek: hoever ga je mee met IVF en embryoselectie? Anderzijds zou ik het ook heel spijtig vinden als er straks geen christen-gynaecoloog meer bestaat.”

Hoe kunnen ze zich voorbereiden op die seculiere, medische wereld?

„Tegen mensen die geneeskunde willen studeren zeg ik: Zorg dat je beslagen ten ijs komt. Wat dat betreft, heb ik veel gehad aan het boek ”De dingen hebben hun geheim” van prof. Arie van den Beukel. Met name over het punt van bewijsvoering. Kijk, ik ben wiskundige en houd dus heel erg van stelling-bewijsredeneringen. Hij bracht mij tot het inzicht dat de logische bewijsvoering in de wiskunde wel heel erg uitzonderlijk is.”

Waarom is bewijsvoering in de wiskunde uitzonderlijk?

„In alle andere vakgebieden gaat dat anders. Er is een algemeen framework waarin je werkt. Je hebt een hypothese, je doet onderzoek, verzamelt empirische data en kijkt of die jouw hypothese bevestigen of ontkennen. Zo probeer je bewijs op te bouwen. Van den Beukel maakt in zijn boek een vergelijk met de rechtbank. Er kunnen harde bewijzen zijn, zoals DNA-sporen, maar er kunnen ook verbale getuigen zijn; en zo probeert de rechter alles afwegend tot een oordeel te komen.

Die metafoor heb ik goed onthouden, ook voor de vraag naar het Godsbestaan, die de studenten zeker zullen krijgen. Dat wordt heel mooi beschreven in 1 Johannes 1: „Hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens.”

Vervolgens gaat het om de vraag: hoe betrouwbaar vind je die getuigen? Hoe betrouwbaar vind je dé Getuige met een hoofdletter in Gods Woord? Dat is iets wat ik niet op een ander kan overbrengen. Ik constateer dat ik dat getuigenis betrouwbaar vind en het daarom geloof. Dat staat niet op gespannen voet met mijn werk als wetenschapper. Ik kan daarom ook uitleggen aan mijn collega’s waarom ik in het bestaan van God geloof, en geloof dat Hij van betekenis is voor mijn leven.

„Mocht een christenstudent steun zoeken, ik ben altijd bereid tot een gesprek; zoek me gewoon op”

Eric Boersma, hoogleraar Erasmus MC

Ik raad de studenten aan om contact te zoeken met medechristenen die geneeskunde studeren. En ik ben niet de enige christelijke hoogleraar die zich beweegt binnen de medische wetenschap. Mocht iemand steun zoeken, ik ben altijd bereid tot een gesprek; ik weet dat ook anderen daartoe bereid zijn. Zoek ons gewoon op.”