OpinieOpinie

Eer van God en eenheid met Christus centraal in gereformeerd belijden

In de gereformeerde belijdenis kan ”rust in God” nooit de plaats van ”verzoening door voldoening” innemen. Die belijdenis zet namelijk in bij de eer en soevereiniteit van God en loopt uit op de vereniging met Christus.

Standbeeld op een stadsplein.
„Calvijn focust zijn theologie op de soevereiniteit van God maar plaatst deze in brede christologische kaders.” Foto: standbeeld van Calvijn op het Calvijnplein in Boedapest (Hongarije). beeld Getty Images

Cors Visser, directeur van Kerkpunt, schrijft in het artikel ”Speel verzoening niet uit tegen rust in God” (RD 3-11) dat de rust in God vandaag de dag een belangrijke toegangspoort tot én onderdeel is van het Evangelie. Hij reageert op het artikel ”Wegglijden verzoeningsleer maakt herdenking Reformatie erg nodig” (RD 29-10) van ds. J. Lohuis. Mensen die van buiten in de kerk komen, mogen volgens hem deze rust zeker wel zoeken en ook vinden bij God. Visser moet echter niet vergeten dat wij van nature rustzoekers zijn in plaats van zoekers van de eer van God. En dit laatste is nu juist het centrale punt in de theologie van Calvijn.

In het zalig worden of de redding van zondaren gaat het dan primair om de eer van God en pas daarna –dus langs deze weg– om het behoud of de zaligheid van mensen. Calvijns theologie is echter te dynamisch om deze te vangen onder dit ene thema van de eer of heerlijkheid van God. Met net zo veel recht en reden kan gesteld worden dat de dragende gedachte van Calvijns theologie en prediking in de ”unio cum Christo” (de eenheid met Christus) is gelegen.

Helemaal genáde

Vanuit de beweeglijkheid van Calvijns theologiseren en preken kan worden gesteld dat de ”gloria Dei” (heerlijkheid van God) door hem structureel en steevast wordt verbonden met de ”unio cum Christo” (eenheid met Christus), als de twee brandpunten van een ellips. Als het kenmerkende van de gereformeerde prediking kan dan worden genoemd dat zij theologisch van inzet (dus bij God begint) en christologisch van opzet (dus uitloopt op Christus) is. Anders gezegd: het gaat om God en daarna, langs deze weg, om ons en onze zaligheid in Christus.

Juist in Zijn afwezigheid is God schrikbarend aanwezig in Zijn heiligheid

In dit belijden is genade helemaal genáde en God helemaal Gód, Die doet wat Hem behaagt dan wel zondaren roept tot het heil en heilzaam roept vanuit Zijn eeuwig welbehagen. De volharding der heiligen wordt overigens niet beleden als een ononderbroken opgaande lijn, maar als een vaak onderbroken zigzaglijn met soms scherp uitschietende pieken, zowel naar boven als naar beneden.

Vrije genade

De theocentrische inzet van het reformatorische belijden bij de eer van God vooronderstelt haar eerbiediging van de soevereiniteit van God, waardoor dit belijden primair alle mensen in Adam schuldig stelt voor het aangezicht van God. Deze theocentrische inzet bij de soevereiniteit of vrijmacht van God is daarmee van wezenlijk belang en bepalend voor de Bijbelse en gereformeerde genade- en geloofsleer.

Godsbewustzijn in de westerse cultuur is grotendeels omgeslagen in geseculariseerde verharding

Het Evangelie wordt dan ook gepresenteerd als ”Evangelie”. De mens heeft het verdiend dat God hem in zijn zonde en vervloeking zou hebben laten liggen. Maar God heeft dat niet gewild en niet gedaan en dat is pure genade. En daarmee vrije of soevereine genade.

Tijdgeloof

Het gereformeerde belijden ontneemt ons zodoende de vanzelfsprekendheid waarmee wij het Evangelie zouden menen te kunnen ”annexeren”, bijvoorbeeld door ”rust in God” als kernelement van het Evangelie te zien. Dit belijden is heel direct verbonden met Gods recht en genade ofwel met Zijn genade door recht. Daaruit volgt weer dat de christologie steevast in een theologische setting staat. Ze draait dus om God. Niet vanwege een logische orde maar vanwege een geestelijke heilsorde, die bij God begint en uitloopt op Christus. Daarbij krijgt de theologische inzet een christologische opzet.

De Bijbeltekst „Hij is de HEERE –de Ik zal zijn die Ik zijn zal– en Hij doe wat goed is in Zijn ogen” (1 Samuël 3:18) is dan overduidelijk een nadere bepaling van Gods doen. Op deze manier fundeert het gereformeerde belijden het Evangelie in de soevereiniteit van God. Anders zou zij het Evangelie op losse schroeven zetten om vervolgens een onzeker tijdgeloof te baren, waarmee zij dan tegelijkertijd het recht verloren zou hebben nog langer gereformeerd te heten.

Leegte

Calvijn focust zijn theologie op de soevereiniteit van God. Men zou Calvijn echter misverstaan als men daarin niet zou meenemen dat hij deze zelfde belijdenis van Gods soevereiniteit in brede christologische kaders plaatst. Het behoort immers mede tot de afgrondelijke crisis van ons postchristelijke tijdperk dat we buiten maar ook in de kerk nauwelijks meer enige notie hebben van de heiligheid van God. Daaraan zijn we ontzonken en daarom zo diep gezonken in pseudoreligieuze vormen en normen, die met elkaar de leegte van de afwezigheid van God uitmaken en zó invullen. Niettemin is Hij juist in Zijn afwezigheid schrikbarend aanwezig in Zijn heiligheid.

Het godsbewustzijn in de West-Europese en Amerikaanse cultuur is grotendeels omgeslagen in geseculariseerde verharding en heeft, sterker dan men zich doorgaans bewust is, zijn weerslag gehad op het kerkelijke leven. Ongetwijfeld heeft dit te maken met de autonomie (zichzelf tot wet zijn) van de ontkerstende westerse (ook kerkelijke) mens en zijn dienovereenkomstig gewaand en verwaand onafhankelijkheidsbesef. Aanknopend bij de moderne vraag ”Waar is God?” zal zij verkondigend antwoorden: „Zie, hier is uw God!”

De auteur is hervormd emeritus predikant.