BinnenlandInterview

„Geslotenheid in de kerk over suïcidaliteit is gevaarlijk”

Praat in de kerk over suïcidaliteit. Die oproep doet Christina Hennipman-Herweijer, onderzoeker en beleidsadviseur bij de christelijke ggz-instelling Eleos. Want in gemeenten wordt nog veel te veel gezwegen over dit beladen onderwerp, stelt ze.

Zonnestralen breken door een glas-in-loodraam in een oude kerk.
Christina Hennipman-Herweijer onderzocht de rol van religie voor mensen die leven met een suïcidale naaste. beeld André Dorst

In aanloop naar de Wereld Suïcidepreventie Week van 8-14 september presenteert Hennipman, voorheen werkzaam als verpleegkundige in een ggz-kliniek, nieuw onderzoek, in samenwerking met het UMC Utrecht en het Kennisinstituut christelijke ggz.

Portret van vrouw met bril en halflang bruin haar.
Christina Hennipman. beeld Christina Hennipman

U onderzocht wat de rol van religie is bij de ervaring van het leven met een suïcidale naaste. Waarom?

„Vorig jaar publiceerde ik een artikel waarvoor ik onderzocht wat er al geschreven is over de impact van het leven met iemand die suïcidaal is. Religie bleek nog nergens aan bod te zijn gekomen. Terwijl religie bij uitstek iets is dat betekenis kan geven aan het leven.”

U sprak met zeventien christenen die nauw betrokken zijn op een suïcidaal persoon. Wat viel u op?

„We zagen een tweedeling. Enerzijds sprak ik mensen met een persoonlijke relatie met God die geloofden dat hun naaste na een suïcide naar de hemel zou gaan. Zij konden de situatie aan Hem overgeven. Anderzijds waren er ook mensen voor wie God veel verder weg staat en die heel bang zijn dat als hun naaste suïcide pleegt, diegene in de hel komt. Suïcidepreventie staat dan niet meer in het kader van iemand beschermen voor de dood, maar van iemand moeten wegslepen bij de hel vandaan. Dat is een onvoorstelbare last op iemands schouders. Deze groep gaf ook aan dat God niet ter verantwoording geroepen mag worden.”

Er lijkt een verschuiving gaande in het denken over de eeuwige bestemming van iemand die suïcide pleegt in de gereformeerde gezindte, onder meer te zien in rouwadvertenties. Is die ontwikkeling wetenschappelijk te onderbouwen?

„Mij zijn geen onderzoeken bekend die dat beeld bevestigen. Tegelijk herken ik wel dat het denken hierover verandert.

Een van de mensen die ik sprak, komt uit de Gereformeerde Gemeenten en herkende ook dat er een verschuiving gaande is. Tegelijkertijd is hij binnen de gemeenschap steeds aan het zoeken bij wie hij zich veilig genoeg voelt om iets te delen over zijn worsteling op dit punt.”

Eerder onderzocht u ook hoe mensen in de algemene bevolking omgaan met een suïcidale naaste. Zijn er hierin verschillen tussen christenen en niet-christenen?

„Ja, onder alle christenen was de zorg voor de naaste echt opvallend. Bij seculiere mensen klonk meer de boosheid door: wat doe je mij aan? Onder christenen sprak ik mensen die konden accepteren dat er een poging tot zelfdoding zou komen, maar tegelijkertijd wilden doen wat in hun macht was om zelfdoding te voorkomen. Onder niet-christenen hoor je soms ook: doe het maar, maak er maar een eind aan, want dan ben ik ook van mijn strijd af. Dit kan ook spelen bij christenen en zegt iets over de intensiteit van het samenleven met iemand die suïcidaal is. Juist daarom viel mij in het onderzoek onder christenen op hoe trouw zij zijn en naast hun geliefde blijven staan.”

Wat zijn de belangrijkste aanbevelingen uit uw onderzoek?

„Ik richt me in deze publicatie vooral op verpleegkundigen in ggz-klinieken en roep hen op oog te hebben voor de naasten. Verpleegkundigen lopen continu op een afdeling rond en zijn heel laagdrempelig aanwezig voor familieleden of vrienden van cliënten. Betrek naasten waar dat kan, bijvoorbeeld tijdens gesprekken over een weekendverlof.

Daarnaast pleit ik ook voor meer openheid. In families, in de kerken. Ik heb mensen gesproken die niets wisten van de suïcidale gedachten van hun moeder. Want ja, daar praat je niet over. Dat is gevaarlijk, want het gevoel er alleen voor te staan is één van de factoren die kunnen leiden tot zelfdoding.

Voor naasten is het erg belangrijk dat juist binnen de kerk aandacht is voor hun eenzaamheid en machteloosheid, omdat de kerk een belangrijk sociaal vangnet is. Daarnaast is dit de plek waar geloofsvragen beantwoord kunnen worden, zodat zij hier niet alleen mee hoeven te worstelen en het geloof tot steun kan zijn.

Vaak is er bij een crisis, als iemand bijvoorbeeld een suïcidepoging heeft gedaan, wel aandacht vanuit de kerk. Die sijpelt daarna echter weg, terwijl naasten blijvend in angst leven. Daarom hebben gemeenteleden de verantwoordelijkheid om ook na een halfjaar nog eens te vragen: joh, hoe is het nu met je?”

Denkt u aan zelfdoding? Praat erover. Neem gratis en anoniem contact op met 0800-0113 of chat op 113.nl.