Nieuwe wet in de strijd tegen schijnzelfstandigheid
Minister Van Hijum wil een volgende stap zetten om het aantal schijnzelfstandigen terug te dringen. Een nieuwe wet moet de gewenste duidelijkheid bieden.

„Straks gaat de Belastingdienst handhaven op schijnzelfstandigheid, maar duidelijke wetgeving? Ho maar.” Met dit argument probeerden zzp-belangenorganisaties afgelopen najaar het kabinet over te halen op zijn schreden terug te keren.
Tevergeefs. Sinds 1 januari 2025 kan de fiscus schijnzelfstandigen weer een naheffingsaanslag opleggen. Daarmee is de toon gezet.
Deze week zette minister Van Hijum (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) een nieuwe stap. De minister diende een wet in bij de Tweede Kamer die het onderscheid tussen werknemers en zzp’ers moet verduidelijken – in vaktaal de ”Vbar”.
Duidelijkheid
Het is geen gemakkelijke opgave om de al zo lang gewenste duidelijkheid te bieden. Eerdere pogingen mislukten. Zekerheid vooraf, middels een verklaring of modelovereenkomst, bleek geen oplossing. De webmodule evenmin.
Het nieuwe hoofdstuk in deze jarenlange zoektocht heet dus Vbar. Deze wet moet werkgever en werkende het antwoord bieden op de vraag of er in hun werkrelatie sprake is van een gezagsverhouding. Dat element blijkt cruciaal in het onderscheid tussen schijnzelfstandige/werknemer en zzp’er. Gezag hoort bij een arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer; niet bij ondernemerschap.
Geen zekerheid
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de nieuwe wet geen zekerheid biedt aan zzp’ers. Als er géén sprake blijkt van een gezagsverhouding dan is dat wat het is, voor deze groep. Een zelfstandige kwalificeert zich daarmee voor de Belastingdienst niet automatisch als ondernemer.
De Vbar is te vergelijken met een bijsluiter. Een bijsluiter die aan de definitie van het begrip arbeidsovereenkomst, zoals opgetekend in het Burgerlijk Wetboek –boek 7, artikel 610– wordt toegevoegd.
Deze bijsluiter bevat een stappenplan. Stap één is om aan de hand van vijf criteria vast te stellen of er sprake is van een zekere vorm van werknemerschap. Dat wordt duidelijk aan de hand van vragen als: worden er instructies gegeven? Wordt de werkende gecontroleerd? Verricht hij zijn werkzaamheden zij-aan-zij met werknemers in loondienst?
Financieel risico
Als er, ook al is het maar beperkt, indicaties zijn dat er sprake is van werknemerschap, dan volgt stap twee. Opnieuw vijf criteria waaruit moet blijken of er sprake is van ondernemerschap. Denk aan vragen als: ligt het financieel risico van het werk bij de werkende? Is de opdracht van korte duur?
Uiteindelijk moet tegen elkaar afgewogen worden welk van de twee het zwaarst weegt: het element werknemerschap of ondernemerschap. Die afweging bepaalt het uiteindelijke antwoord op de vraag of er sprake is van een gezagsverhouding.
Interim-manager
Ter illustratie geeft het ministerie van Sociale Zaken het voorbeeld van een interim-manager die een manager in loondienst vervangt bij ziekte. Deze interimmer doet doorgaans twee tot drie van dit soort klussen per jaar voor een periode van enkele maanden. Hij staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en heeft een eigen website. Is hij werknemer of zzp’er?
Alles afwegende is hier sprake van „werken in dienst van”, concludeert het ministerie. De optelsom aan indicaties die wijzen op werknemerschap weegt in deze situatie zwaarder dan de aanwijzingen voor ondernemerschap.
Mug
Als het aan minister Van Hijum ligt, treedt de nieuwe wet tegen schijnzelfstandigheid per 1 juli 2026 in werking. Om die datum te halen, zal Van Hijum de wet nu hij nog demissionair minister is door de Tweede Kamer moeten loodsen.
De VVD loste al een eerste schot voor de boeg. „Deze wet schiet met een kanon op een mug: hij beperkt de vrijheid van zzp’ers en zorgt voor onduidelijkheid”, meldde Tweede Kamerlid Martens-America op het sociale medium X. Haar partij zal de wet niet steunen.
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- Zzp'ers
- Sociale Zaken
- Belasting








