OpinieOpinie

Carons preken op Ambon bevatten propaganda voor VOC

François Caron, een zeventiende-eeuwse Nederlandse predikant op Ambon, moest twee heren dienen: de God van de Bijbel en de VOC. Zijn preek over Psalm 18 laat dat goed zien.

„De preken die François Caron op Ambon hield, dienden in zekere zin ook als middel om de aanwezigheid van de Nederlanders en de VOC te promoten en te versterken.” Foto: de stad Ambon op het eiland Ambon. beeld gettyimages

Zodra de Nederlanders zich in Oost-Indië hadden gevestigd, begonnen ze met kerkdiensten. Begrijpelijkerwijs waren de nieuwe kerken kopieën van de gereformeerde kerken in hun thuisland. Terwijl de predikanten de nieuwe vorm van christendom onder de inheemse bevolking verspreidden, moesten ze concurreren met de islam, stamgodsdiensten en het rooms-katholicisme. In preken werd vaak propaganda gemaakt voor de superioriteit en goedheid van de Nederlanders.

In zijn preken op Ambon keerde Caron zich tegen de islam en stamreligies

Een van de meest invloedrijke predikanten in Oost-Indië was François Caron. Zijn preek over Psalm 18 is een voorbeeld van het gebruik van preken als propagandamiddel.

”Vijanden van God”

François Caron, geboren in 1634, was veertien jaar predikant op Ambon. In het voorwoord van zijn gepubliceerde preken stelde Caron dat hij wilde dat de verzameling preken in de erediensten zou worden gebruikt om christenen in de archipel te helpen groeien in hun geloof. In de preken keerde Caron zich tegen de islam en stamreligies.

De preken dienden in zekere zin ook als middel om de aanwezigheid van de Nederlanders en de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in het land te promoten en te versterken. Dit was met name te zien in de preek ter gelegenheid van de herdenking van de Nederlandse overwinning op het Portugese Fort Victoria op Ambon.

Caron vergeleek de Nederlanders in Oost-Indië met David en de Israëlieten

Caron begon deze preek met Psalm 18:46-47: „De Heer leeft! Geprezen zij mijn rots, geprezen zij de God van mijn heil, de God die mij wraak gaf en volken aan mij onderwierp” (NBV).

Hij legde uit dat David God in deze psalm loofde omdat God hem van zijn vijanden had verlost. In de Maleise vertaling van de psalm die Caron aanhaalde, werd de term ”buitenlanders” gebruikt om de vijanden van Israël aan te duiden. Deze vijanden werden ”buitenlanders” genoemd, legde Caron uit, omdat ze de vijanden van God waren. In het Maleis, zo stelde Caron verder, konden deze mensen ook Hindoestanen of heidenen worden genoemd.

Caron gebruikte zijn interpretatie van Paulus’ brief aan de Efeziërs (2:11-12) om uit te leggen dat de hindoes of heidenen degenen waren die zich afzonderden van het uitverkoren volk van God, de kinderen van Abraham. In de context van Carons preek waarin hij de triomf van de Nederlanders over de Portugezen vierde, was het duidelijk dat Caron de Nederlanders vergeleek met David en de Israëlieten, degenen aan wie God gunst had betoond door hun vijanden uit hun land te verdrijven. De vijanden of vreemdelingen waren de rooms-katholieke Portugezen, die uit hun bolwerk waren gestoten.

Valse goden

Ter ere van de overwinning van de Nederlanders op de Portugezen vroeg Caron de Ambonese christenen om deze gebeurtenis nadrukkelijk te herdenken en God te prijzen voor Zijn oneindige goedheid jegens Zijn volk. De mensen voor wie God goed was geweest, waren de Nederlanders. Zij hadden, door de Portugezen te verdrijven, de Ambonese bevolking een veel beter leiderschap gegeven. Caron stelde dat de Portugezen een volk waren met een grote honger naar macht en een hard hart, terwijl de Nederlanders het land met een goed hart en meer rechtvaardigheid regeerden.

De Nederlanders hadden de meest waardevolle schat meegebracht: de boodschap van verlossing

Caron zei in zijn preek ook dat de Ambonezen voor de komst van de Nederlanders blind waren, omdat ze onder andere valse goden van hout, ijzer en steen aanbaden. Hij bekritiseerde de islam en stamreligies omdat die de mensen leerden valse goden te aanbidden. En het soort christendom dat de Portugezen naar Ambon hadden gebracht, het rooms-katholicisme, stond volgens hem haaks op de leer van het Woord van de ware God.

Caron realiseerde zich natuurlijk wel dat de Nederlanders naar de Molukken waren gekomen met een hoofddoel dat niet veel verschilde van dat van de Portugezen. Hij erkende dat de Nederlanders op Ambon waren om fortuin te vergaren met kruidnagelen en andere dure specerijen, net zoals de Portugezen dat deden.

Maar vervolgens verdedigde hij de aanwezigheid van de Nederlanders op het eiland door te stellen dat de Portugezen alleen maar de rijkdom van het eiland wilden meenemen, terwijl de Nederlanders met de genade en barmhartigheid van God waren gekomen en het ware christelijke geloof brachten. De Nederlanders hadden de meest waardevolle schat meegebracht: de boodschap van verlossing. Die was meer waard dan kruidnagelen, diamanten of parels.

Echte calvinist

Caron moet volledig hebben begrepen dat de VOC op de Molukken was om die te koloniseren. Maar omdat hij een dienaar van de VOC was, mocht hij over zijn superieuren niets kwaads zeggen. Tegelijkertijd was Caron ook een echte calvinist. Hij geloofde dat verlossing alleen van God kwam, door Jezus Christus. Hij legde deze waarheid ruimschoots uit in de preek. Hij maakte duidelijk dat God met de komst van de Nederlanders de deur naar verlossing had geopend. De Nederlanders waren boodschappers van Gods Woord. In lijn met de theologie van het gereformeerd protestantisme geloofde Caron dat het God de Heilige Geest was die de verlossing in het hart van elke gelovige bewerkstelligde.

Caron sloot de preek over Psalm 18 af door nog meer aan te tonen hoe God de Ambonezen had gezegend. Hij riep de mensen daarom op de VOC te danken. De VOC had immers flink wat geld uitgegeven om ervoor te zorgen dat het christendom in het land kon floreren, door predikanten en onderwijzers te betalen en boeken naar de scholen te sturen, zodat de kinderen konden leren. Daarom moedigde Caron de Ambonezen aan om voor de VOC te bidden.

Jaarlijkse viering

Deze preek zou jaarlijks worden voorgelezen tijdens de viering van de overwinning van de Nederlanders op Fort Victoria, zelfs nadat Caron Oost-Indië had verlaten. Deze jaarlijkse viering, samen met het voorlezen van deze preek, bestendigde de boodschap die Caron voor het volk had: God heeft de bevolking van Ambon gezegend door de Nederlanders de overwinning te schenken en de Portugezen te verdrijven.

Deze herhaling zou er uiteindelijk toe leiden dat de Ambonese christenen zijn boodschap als onderdeel van hun eigen geschiedenis gingen beschouwen.

De auteur is hoogleraar geschiedenis van het christendom en de gereformeerde theologie aan het Calvin Seminary in Grand Rapids. Dit artikel is ontleend aan een deel van de lezing die hij op 20 juni hield aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA).