„Wie zegt dat de kerk het geestelijk Israël is, ís vervangingstheoloog”

Ouweneel overhandigde zaterdag zijn boek aan de Messiasbelijdende Jood Marc de Klijn.  beeld RD

„Je bent geen consequente gereformeerde theoloog als je geen vervangingstheoloog bent”, stelt prof. dr. Willem Ouweneel. „Beide vormen een Siamese tweeling. De Bijbel zegt echter nergens dat de kerk het geestelijke Israël is of een deel van Israël is.”

Hij schrijft dat in zijn zaterdag gepresenteerde boek ”Het Israël van God. Ontwerp van een Israëltheologie” (uitg. Gideon Academic, Hoornaar). Ouweneel publiceert zijn lijvige boek van bijna 800 pagina’s als supplement van zijn evangelisch-dogmatische reeks, het dertiende deel. Hij begint zijn dogmatische bezinning traditioneel met uitvoerige exegetische beschouwingen –het Schriftplaatsenregister telt in het nieuwe deel bijna veertig bladzijden–, weegt de verschillende interpretaties en verwoordt tenslotte zijn eigen visie.

Die is kortweg gezegd: de kerk wordt geen Israël en Israël wordt geen kerk. Joden en niet-Joden zijn fundamenteel verschillend, al worden ze door geloof en wedergeboorte één in Christus. Maar de christelijke gemeente is „een eigen project” van God, te beginnen bij Handelingen 2 waar de Heilige Geest wordt uitgestort. De kerk bestaat dus niet in het Oude Testament noch vanaf het begin van de wereld. De uiteindelijke toekomst ziet Ouweneel hierin dat het bekeerde en herstelde Israël het middelpunt van het Messiaanse rijk zal zijn, waar de Messias (Christus) vanuit (het aardse) Jeruzalem zal regeren.

In zijn gehele boek neemt Ouweneel vooral de zogenoemde vervangingstheologie op de korrel, vooral in gereformeerde kring nog aanwezig. Hij spreekt consequent van ”supersessionisme”, ontleend aan het Engelse ”supersede”: in de plaats komen van. De kerngedachte daarvan is dat de kerk het ”ware, geestelijke Israël” is. Gods beloften worden afgenomen van het etnische Israël, vergeestelijkt en door de kerk geannexeerd. Het vergeestelijken is „een hermeneutische dwaling van de eerste orde”, aldus Ouweneel.

Ouweneel is scherp: in de theologie van de vervangingsleer liggen de wortels van het antisemitisme verborgen. Christenen hebben gedurende vele eeuwen Israël en Jezus ontdaan van hun joodse kenmerken en daarmee zelfs argumenten aangereikt om de joodse afwijzing van Jezus te verstevigen. De kerk kreeg de zegeningen, Israël de vervloekingen. De kerk heeft de verwachting van het aardse koninkrijk vervangen door de verwachting van de hemel.

De vervangingsleer heeft volgens u nog steeds een enorme macht. Hoe komt dat?

„Het heeft te maken met het lezen van de Schrift vanuit een heel lange traditie. Ik lees de Schrift ook vanuit een bepaald paradigma, alleen ben ik mij daarvan bewust. Ik fileer Schriftgegevens in de hoop dat we zo op grond van de Schrift elkaar kunnen vinden. Maar daar ben ik eigenlijk ook niet optimistisch over want als je de kerk ziet als het geestelijke Israël, interpreteer je alle teksten vervolgens in dat kader. Gelukkig zeggen aanhangers van de vervangingstheologie mooie dingen over onder meer een massale bekering onder de Joden, maar de landbelofte en het etnische Israël blijven een sjibboleth. Wie zegt dat een bekeerd Israël opgenomen wordt in de kerk, denkt in termen van vervanging, al gruwt hij van dit woord.”

U stelt dat Israël en de kerk náást elkaar blijven. En toch geen tweewegenleer?

„Nee, er is geen andere weg van behoud zonder het werk van de Heilige Geest en zonder het volbrachte werk van Christus. Daarin delen jood én heiden. Ik zie ontzettend veel overeenkomsten tussen joden en christenen. Ook al kennen sommige Joden Christus niet persoonlijk, zij zullen door Zijn genade behouden worden als zij Hem oprecht gezocht hebben. Ik houd me vooral aan Romeinen 2:11-16, en dat betekent dat het mijns inziens mogelijk is dat sommigen van hen Christus pas zullen kennen of erkennen op het moment van sterven of bij de wederkomst.”