Boeren met de ”volstruis”
Het is de grootste loopvogel in zijn soort die de Zuid-Afrikaanse stad Oudtshoorn welvaart bracht en brengt: de struisvogel. In het Afrikaans de ”volstruis”.

Hemelsbreed 350 kilometer ten oosten van Kaapstad ligt Oudtshoorn, de grootste stad van de Klein Karoo. De Klein Karoo is een semiwoestijn waar vlaktes en bergen elkaar afwisselen, in prachtige tinten en begroeiingen van onder meer doornstruiken, cactussen en acacia’s. In de zomer kunnen de temperaturen er oplopen tot rond de 40 graden Celsius. In dit gebied floreert de struisvogel, die van de hitte houdt.
Overal tekent het markante silhouet van de struisvogel het landschap van de Klein Karoo: het mannetje zwart gevederd, het vrouwtje bruin. Jaarlijks reizen duizenden toeristen naar Oudtshoorn, dat bekendstaat als de struisvogelhoofdstad van Zuid-Afrika.
Koos Steyl (72) verzorgt rondleidingen op de struisvogelfarm van de familie Keller, die in 1867 in Oudtshoorn neerstreek. Hij werkt sinds vijftien jaar op Mooiplaas en wijst op de imponerende natuur met de Swartberge op de achtergrond, waar ooit de Voortrekkers overheen trokken. Steyl is verknocht aan struisvogels. „Een volstruis op de boerderij kan 50 tot 60 jaar oud worden – in het wild leeft hij korter, daar zijn natuurlijke vijanden zoals de leeuw, hyena, luipaard en de jakhals. Die hebben het dier echter niet bovenaan hun voorkeurslijstje staan omdat ze eerst in een bos veren moeten bijten voordat ze bij het vlees kunnen komen”, zegt Steyl met een lach.
VOC
Oudtshoorn werd in 1689 ontdekt tijdens een VOC-expeditie onder leiding van vaandrig Izak Schrijver. Medio de achttiende eeuw werden de oorspronkelijke bewoners –de Khoi ofwel hottentotten– verdreven en overvleugelden kolonisten de nederzetting. In 1847 werd de plaats vernoemd naar een kleindochter van baron Pieter van Reede van Oudtshoorn (1714-1773), gouverneur van de Kaapkolonie. De boeren zagen winst in de struisvogel. Van ongeveer 1850 tot de Boerenoorlogen (1880-1902) en in het begin van de twintigste eeuw draaide de struisvogelbusiness op volle toeren. Oudtshoorn baadde in weelde en overal verschenen ”vederpaleizen”. Je ziet dat terug in de architectuur: weelderige huizen met glas in lood, siersmeedwerk en torentjes, het gebouw van de Nederduitse Gereformeerde Kerk en het Le Roux Dorpshuis, dat nationaal erfgoed is.
Rond 1860 streken Joden uit Litouwen in Oudtshoorn neer die de handel in struisveren een internationale dimensie gaven. „Voor de Eerste Wereldoorlog leverde de struisveer evenveel geld op als goud en diamanten”, weet Steyl. „Aan het begin van de twintigste eeuw woonden er meer miljonairs in Oudtshoorn dan bij de goudmijnen. Maar na de Eerste Wereldoorlog deed de auto zijn intrede en daar pasten de dames met hun gevederde hoeden en opsmuk niet in.” De mode veranderde, er was minder belangstelling voor de veren. De struisvogelsector zakte in.
Vlees
Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de boeren bij elkaar om zich te beraden op de toekomst van de struisvogelteelt. Ze richtten een coöperatie op. Vervolgens kwam de waarde van het vlees van de struisvogel in het vizier. „Het vlees van de struisvogel is rood, mager en rijk aan proteïne en ijzer”, zegt Steyl enthousiast. „Het past uitstekend in een gezond leefpatroon.”
Hij voegt eraan toe dat alles van de struisvogel wordt gebruikt: tot de botten toe, die worden vermalen tot diervoeder. En niet te vergeten het leer, dat bekende modehuizen gebruiken voor luxe en trendy schoenen, jassen, tassen en portemonnees. Hij wrijft met zijn hand over een stuk leer. „Kijk, het is echt struisvogelleer als het glad is als je de ene kant op wrijft en je de nopjes voelt als je in tegenovergestelde richting wrijft.”
Broedmachine
Na 1945 waren er niet voldoende struisvogels om in te zetten voor de vleesmarkt. „Vervolgens vonden we de broedmachine uit”, aldus Steyl. Hij opent de deur naar de ruimte van het bedrijf waar de broedmachine staat: 9 grote warmtekasten die elk 1000 eieren bevatten, die er 35 dagen over doen om geschikt te zijn voor de ‘verloskamer’. Hij doet een deur open en haalt er een struisvogelei uit: het weegt 1 tot 1,5 kilo. „In negen maanden tijd legt een struisvogel gemiddeld zestig eieren. Een deel ervan is bevrucht en gaat naar de broedmachine, het andere deel wordt gebruikt voor onder meer consumptie.”
In de ‘verloskamer’ haalt Steyl een ei uit de kast. Een deel van de eierschaal is opengebroken, het struisvogeltje zit er opgevouwen in en is klaar om uit het ei te kruipen. Dan haalt Steyl uit de onderste rij een struisvogelbaby en neemt die in zijn handen.
Veren
Verderop in de Karoo, in de omheinde „voerkampen”, leggen struisvogels hun eieren. Steyl: „Een struisvogel eet per dag 7,5 kilo voer, een mix van luzerne, mais, soja en kalk. De dieren hebben de ruimte. Het bedrijf van Keller bezit 5000 hectare grond, maar gebruikt er slechts 250 voor de exploitatie van de struisvogels. Hier lopen ongeveer 6000 tot 7000 struisvogels die eieren leggen voor de broedmachine. Hun veren worden gebruikt voor de productie van plumeaus en boa’s. De struisvogel voelt er niets van als we hem van zijn veren ontdoen. En de veren groeien snel aan.” Jaarlijks gaan er 24.000 struisvogels naar de slacht voor het vlees. Steyl pakt wat voer en laat wat struisvogels uit zijn hand eten.
Van 2011 tot 2015 gold er een verbod van de Europese Unie op de import van struisvogelvlees vanwege vogelpest. Dat trok een zware wissel op de Zuid-Afrikaanse economie. Maar sinds het verbod werd opgeheven, bloeit de struisvogelteelt weer als tevoren.
