Vlaamse psychiater Dirk De Wachter: Nederlandse gelovigen zijn mij eigenlijk wel genegen
Zo katholiek als hij worden ze niet meer gemaakt – zegt de Belgische psychiater en hoogleraar Dirk De Wachter (66), bekend van zijn zachtmoedig verwoorde maatschappijkritiek. Dat hij een Bijbels jargon hanteert en een „seculiere priester” werd, is volgens hem dan ook geen toeval. Al verdampte het verlangen naar de hemel en vindt hij het goddelijke in de zorg voor de medemens.
De boeken die hij schrijft, zijn stuk voor stuk bestsellers. Ze vormen een poëtisch protest tegen het al te dwangmatig willen gladstrijken van de kreukels in het leven. ”Borderline Times”, ”De kunst van het ongelukkig zijn”. En sinds kort: ”Wachten”. Want ook na de diagnose en behandeling van kanker wil hij anderen blijven bereiken met zijn „boodschap van medemenselijkheid en verbinding”.
„Dirk wordt overstelpt met vragen. Het kan soms even duren, maar hij reageert altijd”, schrijft zijn uitgeverijagent. En dat doet De Wachter. „Mijn agenda is zeer beladen en mijn energie beperkt”, schrijft de psychiater na een paar weken. „Toch een voorstel. Dinsdag om 9.00 uur, bij mij thuis in Antwerpen. Zou dat voor u kunnen schikken?”
Het schikt. De bekende Vlaming ontvangt journalisten doorgaans in zijn met kunst volgestouwde woonkamer. Daar is hij niet anders dan in de talloze interviews die online van hem te vinden zijn: bescheiden, voorkomend, sprekend met een rustige beslistheid. Een man bij wie het leven bezonken lijkt, puttend uit een reservoir van inzichten die zowel in de behandelkamer zijn gegroeid als tijdens het bestuderen van voor hem dierbare filosofen. Bij wie je aan de boom kunt schudden om vervolgens te merken dat zijn overtuigingen diepgeworteld zijn. Ook waar het gaat over het godsbestaan, of over de hemel, die volgens hem een illusie is.
„De Nederlandse gelovigen zijn mij eigenlijk wel genegen”, begint hij, als hij aan de eettafel heeft plaatsgenomen. „Ik word daar heel erg gerespecteerd, terwijl ik een Vlaamse jongen met een katholieke achtergrond ben. Maar ergens vind ik het prettig om ook die wereld te mogen bereiken. Dat zeg ik zonder enige ironie, voilà.”
Mensen zeggen dat u voor een gelovige kunt doorgaan, maar ook dat u net niet tot de essentie komt.
„O ja, het gaat zelfs nog verder. Ik was een keer in een kale kerk, in het midden van Nederland, waar ik op de preekstoel stond. Daar zei men: „U bent zeer gelovig, maar u weet het nog niet.” Hij glimlacht. „Dat was een goeie. Ik probeer voor een breed publiek – van heel gelovige mensen tot heel ongelovige mensen – iets van betekenis te vertellen. Ik probeer inclusief te zijn.”
Is dat omdat u niemand voor het hoofd wilt stoten?
„Strikt genomen is dat juist, want het is zeker mijn karakter dat ik niemand voor het hoofd wil stoten – ik ben dan ook een psychiater. Maar het is meer dan dat. Positief uitgedrukt: ik wil veel mensen in het hoofd kijken.”
U bepleit onder meer wellevendheid, in uw boek.
„Beleefdheid! Dat vind ik erg belangrijk, ja.”
Daar lijken Vlamingen in het algemeen wel goed in te zijn.
„De Groningse boer ook. Maar inderdaad, als grove veralgemenisering: Nederlanders zijn wat directer. De afgelopen dagen was ik in Parijs. Daar ben ik vaak. Ik wandelde er een beetje langs de Seine toen er een hele familie aankwam. „Nou!” riepen ze. Toen wist ik al dat het Nederlanders waren. „Bent u niet meneer De Wachter?” Ik zei: „Jawel, in hoogsteigen persoon.” „Mogen we een selfie? Wij zijn groot fan van u.” Vlamingen doen dat niet. Die kijken vanaf de overkant van de straat en smoezen: Is dat niet meneer De Wachter? En zeggen verder niets. Het is alle twee wel oké, eigenlijk.”
Is direct zijn gezond, bezien vanuit uw vak?
„Ik pleit ervoor dat men zich uitspreekt. Mijn boodschap hier in België is: „Alstublieft mensen, zeg toch wat er niet gaat.” Maar, niet op een brutale, uitbrakende, trumpige wijze. Als ik in Nederland spreek, zeg ik vaak: „Jullie zijn beter in het spreken, dat is goed. Wij Belgen moeten dat een beetje leren, wij kijken op naar jullie. Maar nu ga ik even gestreng zijn. Wat jullie even slecht doen als de Belgen is luisteren. Tijd nemen. Wachten. Geduldig en voorzichtig zijn. Verdriet is iets heel kwetsbaars. Daarover kakelen helpt niet. Het vraagt om terughoudendheid en stilte.””
Waarvoor pleit u in uw laatste boek, ”Wachten”?
„Bijna vijftien jaar geleden schreef ik ”Borderline Times”, dat veel aandacht kreeg. Daarop zei men: „U zegt wel wat het probleem is, maar geeft niet aan wat we moeten doen.” Al mijn volgende boeken zijn eigenlijk aanzetten van wat men zou kunnen doen. Geen tips en tricks, maar gedachten. In ”Wachten” deel ik gedachten over al te directe, impulsieve, emotioneel gedreven communicatie en voer ik een pleidooi voor bedachtzaamheid, verbinding, respect en geduld; alles wat in dat wachten is voorzien. Ik schrijf wat over mijzelf, zonder al te intieme dingen te zeggen. Want ook ik probeer mijn weg te vinden in die doordrammende wereld, in die drukdoenerij. Soms lukt dat, soms wat minder. En dat boek gaat overal rond, dus men blijkt nood te hebben aan dat soort ideeën. Wel, voilà.”
U groeide op in de Belgische arbeidersplaats Boom, kreeg een rooms-katholieke opvoeding.
„Zeker. Mijn moeder had twee broers die priester waren. Zo katholiek als ik worden ze niet meer gemaakt.”
Hoe stempelde dat kerkelijke milieu uw jeugd?
„Wij gingen elke week naar de mis, bij nonkel-pastoor. We woonden in het ouderlijk huis van mijn moeder. Dat huis was nog altijd het thuis van mijn twee ooms-pastoor. De ene, missionaris was hij, woonde in Congo. Als hij naar België kwam, bracht hij een aantal zwarte bisschoppen mee, die logeerden in ons huis. Dat heeft mij toch wel gevormd. Als kind vond ik het een rare kleurencombinatie, die paarse soutane op die zwarte huid van de bisschoppen. En mijn andere oom-pastoor kwam elke week zijn was brengen omdat mijn moeder zijn kleding uitwaste. Dan zat hij aan de kop van de tafel en zegende hij ons.”

U bent dus vertrouwd met liturgische taal.
„Men zegt dat ik een Bijbelse taal hanteer_._ Dat zou kunnen. Ik ben psychiater geworden door Gerard Reve. Reve hanteerde een zeer Bijbelse, maar ook een zeer Vlaamse taal. Ik citeer ook altijd Leonard Cohen. Hij hanteert eveneens een zeer Bijbelse taal. De filosoof die ik het meest aanhaal is Emmanuel Levinas, een erudiete filosoof wiens denken diep geworteld is in de Tenach. Het is mijn missie om deze kostbare tradities door te geven in een moderne en seculiere tijd. Want – laat ik nu niet doen alsof ik u naar de mond wil praten – ik leef hier in Vlaanderen in een zeer ontkerkelijkte tijd. Ik zie mijzelf als een christelijke non-theïst, een term die ik gevonden heb.”
Mm, ik denk niet dat dat kan, een christelijke non-theïst zijn.
„Natuurlijk kan dat niet! Maar het is ook prettig om iemand te zijn die niet kan.”
De secularisatie kreeg vat op uw familie. Hoe ging dat?
„Mijn oom-missionaris trad uit, net als veel andere priesters. Vijftien jaar oud was ik. Hij schreef met de hand een brief aan de paus, maar kreeg een onpersoonlijk standaardantwoord terug. Dat vond-ie raar. Mijn andere oom werd in 1976 parochiepriester. Ik weet het nog goed. Hij werd in een overvolle kerk ingehaald, met twaalf priesters en de bisschop. De kerk was nog triomfantelijk. Later, toen hij oud was en moest stoppen, waren er in die grote kerk nog maar een paar oudere mensen overgebleven. Het is allemaal voorbij. Ik ben psychiater geworden, een seculiere priester. Dat is allemaal geen toeval hè.”
Hoe kon het allemaal wegsijpelen, die devotie, de toewijding?
„Het is niet verdwenen.”
Het Godsgeloof verdween, toch?
„In kerkelijke zin wel ja. Maar niet in fundamentele zin. Ik denk dat de mens een spiritueel wezen is. En dat het niet-weten – ik ben wetenschapper aan een universiteit – een heel belangrijk deel van het mens-zijn is. De mens is een mysterie. Ik denk dat de goddelijkheid verschijnt in de zorgvraag en de blik van een ander. Wat ik nu ga zeggen is provocerend, maar ik denk dat mijn beleving van de goddelijkheid veel diepgaander is dan de kerkelijkheid die ik als kind heb meegemaakt, waar dat een cultuurkerkelijkheid was. Pas op, natuurlijk was mijn moeder een gelovige, maar dat had toch veel te maken met ”m’as-tu-vu” (zoals in het Frans spottend gezegd wordt over dikdoenerij en opzichtigheid, EHvS.) Wij kleedden ons op ons zondags om naar de mis te gaan. Mijn moeder had een winkel, het was belangrijk om gezien te worden. Er werd verder ook niet zo veel nagedacht over de betekenis. Het was een gewoonte, een sociaal gegeven. Iedereen deed het.”
In interviews stelt u soms de retorische vraag: „Hebben we met het badwater ook niet het kind weggegooid?” Wat is ”het kind” volgens u?
„Medemenselijkheid, barmhartigheid. Mijn oom-missionaris werd begraven. Op zijn uitvaart sprak hij nog door een brief, waarin hij zei: „Of de hemel bestaat, dat weet ik niet, maar de boodschap van Christus vind ik nog altijd zeer belangrijk.” Dat vind ik ook.”

Wat is de boodschap van Christus?
„Heb elkander lief.”
En ook: Heb God lief boven alles.
„Dat heb ik niet gezegd. Dan gaan heel veel mensen van deze tijd zeggen: Ophouden nu, komaan.”
Als God ter sprake komt, gaat het mis?
„Het woord God veroorzaakt – ik spreek over het Vlaamse land – bij vele mensen een allergische reactie.”
Kunnen er liefde en medemenselijkheid zijn zonder dat er een Bron van liefde is?
„Die bron zit in de mens. Dat is het goddelijke van de mens. Het duivelse zit ook in de mens, laten we nu niet ineens naïef gaan denken. Maar de goddelijkheid – dat is de levinasiaanse, horizontalistische theologie – verschijnt in de blik van de zorg vragende medemens. Help mij, ik ben in nood. Er springt een barst in de zelfgenoegzame, ingebunkerde ikkigheid van de egocentrische mens, als die zegt: Wat kan ik voor u doen? Daar komt het licht binnen.”
De donut van het leven heeft een gat in het midden, schrijft u in een hoofdstuk over de filosofie van Heidegger. Filosoof Blaise Pascal schreef dat alleen God Zelf deze „oneindige afgrond” kan vullen.
„Ja, maar dan zeg ik: Dat is de goddelijkhéíd. En die zit in de verbinding tussen mensen. Dus het is niet zo, voor mij, dat we dan kunnen afwachten, naar de hemel kijken en kunnen zeggen: Vul het gat! Nee, engagez-vous, de straat op! De vervulling zit ’m in de kleine goedheid, la petite bonté. Dat wat ik voor een mens kan doen. Wat ook maar een gedachte is hè. Als mensen een andere gedachte hebben, is dat geen enkel probleem natuurlijk. Dit boek dient ook niet om klakkeloos gevolgd te worden, maar om te laten nadenken. Dat heb ik graag.”
Een ander concept waaraan u veel aandacht schenkt, is het ”Zum tode leben”. Het leven krijgt zin in het aangezicht van de dood.
„Absoluut.”
Is dat niet heel cynisch, uitzichtloos?
„Ah nee! Juist heel mooi. Dat is de paradox. Omdat we eindig zijn, willen we betekenis. Anders wás het maar, déden we maar. De eindigheid van het aardse leven noopt ons tot zin. Dat is Heidegger hè, ik heb dat zelf niet uitgevonden. De waarachtige zin zit in de zorg voor de ander. Als dat cynisch is, weet ik het niet meer hoor.”

Dat is volgens u de essentie van het leven?
„Ja. Barmhartig, liefdevol. Mit einander sein. Met elkaar zijn.”
U bent behandeld voor kanker die zich in 2021 openbaarde. U schrijft: „De lastigheid is er nog, maar het leven is goed.”
„Heel erg goed. Momenteel heb ik nogal wat ademhalingsproblemen, met name ’s nachts. Maar ik ben liefdevol omringd. Door mijn geliefde, mijn kinderen. Mijn familie.”
Ongemak verdragen is een thema in uw boeken. Kunt u het goed, verdragen?
„Het lukt tot hiertoe wel, ja. Het leven is zo genadig voor mij, dat het echt een schande zou zijn om het niet te verdragen. Ik meen dat, maar ik kan mij voorstellen dat als ik achteruit zou gaan en veel pijn zou hebben, ik niet meer zo stoïcijns zou spreken. Maar momenteel vind ik het leven een heel groot genoegen. Omdat ik zo goed omringd ben door de levenden en ook door de doden. Ik ben heel goed omringd door de doden.”
Wat bedoelt u daarmee?
„De dood is zeer nabij gekomen. Blijft ook nabij, medisch gezien. De kans dat ik na mijn ingreep nog vijf jaar zou leven, was statistisch gezien 40 procent. Op 1 oktober zijn we vijf jaar verder. Zoals het er nu uitziet, hoor ik bij die 40 procent. Maar het blijven precaire cijfers en ik ben een wetenschappelijk denkend mens. De kans dat ik binnen nu en enkele jaren ga sterven, is reëel. Dus de dood is iets waarmee ik leef. En vandaar dat de doden aanwezig zijn. Misschien ook door het ouder worden hoor. Ik ben meer bezig met mijn ouders dan 25 jaar geleden, toen zij nog leefden.”

Wie uw boek leest, ontdekt de waarden die u koestert. Ouders, geef prioriteit aan de kinderen in plaats van aan een carrière, zo adviseert u. En: Duik niet door alcohol bedwelmd meteen met elkaar in bed. Verder wijst u op de tol die echtscheiding eist.
„Voorzichtig zeg ik dat allemaal hè. Ik zeg niet dat het móét. Ik stel de vragen.”
Van mij mag u moralist zijn.
„Van mij niet. Ik heb geleerd, ook in mijn praktijk, dat ik open kan staan voor heel verschillende meningen. Tot mijn 40e, 45e levensjaar dacht ik: in mijn vriendenkring valt het wel mee met de echtscheidingen. Iedereen blijft goed volhouden. Maar vanaf dat moment volgden de scheidingen elkaar op als vallende dominostenen. Mijn vrouw en ik vormen een van de weinige koppels die nog samen zijn. Is dat goed, is dat slecht? Het is wat het is. Ik zie om mij heen vele vrienden het goed stellen met hun tweede of derde partner. Daar wil ik niet moralistisch over spreken. Maar er is één principe waarin ik heel moralistisch ben, en dat is: zorg voor uw kinderen. Omdat ik elke dag in mijn praktijk beschadigde mensen zie die door hun ouders zijn verworpen, mishandeld en misbruikt. Daarom.”
Is al die ongebondenheid in deze tijd, waarbij alles voor het ego en voor zelfexpressie moet wijken, de keerzijde van het afwerpen van hiërarchie?
„Dat heeft daarmee te maken ja. Iedereen wil zich zo ontplooien dat men zich in de plooien niet meer terug kan vinden.”
Ergens slaan we door?
„Samen zeker. Verbinding is het essentiële punt waar ik in al mijn boeken over spreek. Vandaar dat mijn vrouw zegt: „Bij jou is het eigenlijk altijd hetzelfde.” Het is goed om een vrouw te hebben die je met beide voeten op de grond houdt.”
Wat waardeert u in wat er in de afgelopen decennia gebeurde en waar ziet u het misgaan?
„Ik zie jonge mensen zich blijvend engageren. Dat stemt mij hoopvol over de toekomst. Ik zeg dat met nadruk omdat we in de hoogtes en laagtes van de tijd momenteel op dat gebied in een fase van ikkigheid zitten. Maar ik ben ervan overtuigd dat de mens niet kapotgaat, dat zo’n fase ook altijd weer voorbijgaat. En ik zie dat jonge mensen van alles voor elkander doen. Ik zie ze nadenken over hun omgang met werk en gezin, relaties, kinderen, engagement, met armoede, met migratie, met onrecht. Dat kan niet vernietigd worden.”

Dus u bent hoopvol over wat een mens kan?
„Ja, maar ik zie wel dat er intussen vreselijke dingen kunnen gebeuren. Op de lange termijn ontwikkelt een mens zich ten goede. Wij leven nu beter dan honderd jaar geleden. In mijn geboortestreek, waar mensen leefden van de baksteenindustrie, kwam destijds veel kinderarbeid, alcoholisme, mishandeling en misbruik voor, verschrikkelijk. Dat is veranderd. Intussen hebben we wel twee wereldoorlogen gehad, met ongekende verschrikkingen. Daarom moeten we niet naïef zijn en zeggen dat het goed gaat. Neen, we moeten ons engageren. De enige manier om de wereld hoopvol te houden, is verbonden blijven.”
In de Bijbel staan prachtige teksten over wachten. Ik ben ze niet tegengekomen in uw nieuwste boek.
„Alhoewel ik ernaar refereer, vermijd ik al te expliciet Bijbels te schrijven. Ik ben daarin voorzichtig en bedachtzaam. Want ziet u, volgende week geef ik een interview aan het Humanistisch Verbond. Rabiate antiklerikalen. Ach, ik steek daar nu wat de draak mee, dat zijn ook lieve mensen. Maar zij zullen zeggen: „Allemaal akkoord met uw verbinding en medemenselijkheid, maar alstublieft, zwijg over die God! Duizend jaar miserie, martelingen en vervolgingen!”
Als ik mij versmal, word ik in een hoek gedrukt. Die man zegt wel dat hij niet in de hemel gelooft, maar eigenlijk is hij een gelovige die doet alsof. Nee, ik doe niet alsof.”
Waarom zou het erg zijn als mensen dat denken?
„Omdat dan een groot publiek dat ik graag wil bereiken, zou zeggen: Vreet uw boekje op en ga voor een ander prediken. Dat zou een grote mislukking zijn van mijn missie.”
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- RDMagazine
- Het Gesprek
- Beste van RD








