BinnenlandInterview

En wéér is er een gynaecoloog die kinderen verwekte met eigen zaad: hoe kon het zo misgaan?

Zeker zestien kinderen verwekte een Arnhemse gynaecoloog met zijn eigen sperma, bleek dinsdag uit onderzoek. Het is het zoveelste voorbeeld van een gynaecoloog die over de schreef ging. Wat ging er mis?

Witte jas met het logo van Rijnstate erop. 
Een Arnhemse gynaecoloog gebruikte meermaals zijn eigen zaad bij vrouwen die naar het ziekenhuis kwamen voor kunstmatige inseminatie. beeld ANP, Sem van der Wal

De arts, voormalig gynaecoloog Alex Schmoutziguer, voerde in de jaren zeventig en tachtig kunstmatige inseminatie uit bij het Elisabeth Gasthuis in Arnhem, dat later met twee andere ziekenhuizen Rijnstate werd. Een aantal keer gebruikte hij daarbij zijn eigen zaad, zonder de wensouders daarover te informeren. Dat deed hij naar eigen zeggen op momenten dat een geplande donor niet kwam opdagen en een vrouw anders een vruchtbare cyclus zou missen.

„We roepen mensen die vermoeden donorkind van hem te zijn op zich te laten testen”

Hans Schoo, bestuurder Rijnstate

De zaak kwam aan het rollen toen de arts eind 2024 tijdens een andere kwestie aan zijn advocaat bekende wat hij had gedaan, vertelt bestuurslid Hans Schoo van Rijnstate. „Toen dat aan het licht kwam, hebben wij gelijk gezegd: Dit moeten we tot op de bodem uitzoeken – vooral in het belang van de donorkinderen.”

Inmiddels is duidelijk dat de arts zeker zestien kinderen met zijn eigen zaad heeft verwekt. Het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger. Schoo: „We roepen mensen die vermoeden donorkind van hem te zijn op zich te laten testen bij expertisecentrum Fiom, waar we mee samenwerken. Daarnaast kunnen wensouders met ons in contact komen als ze in behandeling zijn geweest bij deze arts en daarover vragen hebben.”

Een man in grijs pak. 
Hans Schoo. beeld Rijnstate

Afwachtende houding

De achterliggende jaren kwam Rijnstate vaker negatief in de publiciteit vanwege misstanden met donorzaad. Zo bleek in 2015 dat er meermaals sprake was van overschrijding van het maximumaantal van 25 nakomelingen dat een donor mag verwekken.

Hoe kon het zo structureel misgaan in het ziekenhuis? In het dinsdag gepubliceerd rapport ”Het incident voorbij” legt een onafhankelijke commissie vijf kernproblemen bloot. Zo waren verantwoordelijkheden versnipperd, werden misstanden gezien als losstaande incidenten en had het ziekenhuis een afwachtende houding.

Ook beschouwde het ziekenhuis kunstmatige inseminatie als een praktische medische oplossing voor onvruchtbaarheid, zonder oog te hebben voor het perspectief van het toekomstige kind, de relationele gevolgen en de identiteitsvragen die later zouden ontstaan. Vragen van donorkinderen werden dan ook te smal-medisch beantwoord, zegt prof. Jan Kremer, hoofd van de onderzoekscommissie.

Sinds ongeveer een jaar pakken we dit anders aan, zegt bestuurder Schoo. „We vinden het belangrijk om vragen van donorkinderen zo goed mogelijk te beantwoorden. Daarom hebben we een team ingericht met onder meer een medisch maatschappelijk werker, een gynaecoloog en een klinisch geneticus, aan wie mensen hun vragen kwijt kunnen.”

Ook Kremer merkt dat Rijnstate de laatste maanden grote stappen heeft gezet. „Ik zie dat ze het gesprek op een andere manier voeren, andere deskundigen erbij betrekken en oprecht geïnteresseerd zijn in donorkinderen.”

„Nog steeds komen er in Nederland kinderen ter wereld met wel 200 tot 300 halfbroers en -zussen”

Prof. Jan Kremer, voorzitter onderzoekscommissie

Biologische afkomst

Vorige maand organiseerde Rijnstate een bijeenkomst met donorkinderen van de gynaecoloog. „Halfbroers en halfzussen maakten hier kennis met elkaar”, vertelt Schoo. „Een aantal van hen leek op elkaar.”

De gynaecoloog die hen verwekte, is drager van een erfelijke ziekte. Wat dat betekent voor de zestien donorkinderen, is nog niet bekend. Schoo: „Begin april weten we daar meer over. Dan zullen we eerst de kinderen daarover informeren.”

Voor donorkinderen is het vaak belangrijk om hun biologische afkomst te weten, zegt Kremer. „Dat geldt niet voor iedereen. Er zijn er ook die niet de behoefte hebben om hun vader te ontmoeten.” De 85-jarige Schmoutziguer is volgens de voorzitter bereid om in gesprek te gaan met zijn donorkinderen.

Ook bij andere ziekenhuizen kwamen de achterliggende jaren misstanden met donorzaad aan het licht. In veel gevallen speelden die problemen zich af in de jaren zeventig en tachtig. „Er waren toen nog geen wetten, geen protocollen, geen regels”, verklaart de hoogleraar. „Het was ook ongebruikelijk om te praten over biologisch ouderschap. Het draaide volledig om sociaal ouderschap. Pas sinds het makkelijker is om DNA-onderzoek te doen, beseffen we hoe belangrijk het voor kinderen is om te weten wie hun biologische ouders zijn.”

Sinds een wetswijziging in 2004 mogen klinieken geen anoniem donorzaad meer gebruiken. Toch is Kremer nog niet tevreden over de huidige praktijk rond kunstmatige inseminatie. „Ondanks die wetswijziging zijn er nog klinieken die zaad van anonieme buitenlandse donoren gebruiken. Hierdoor komen er in Nederland nog steeds kinderen ter wereld met wel 200 tot 300 halfbroers en -zussen. Dat vind ik echt niet kunnen.”