MuziekBiografie Arvo Pärt

Hoe Arvo Pärt een diepreligieuze componist werd 

Zijn muziek staat steevast hoog in de Klassieke Top 400, de jaarlijkse ranglijst van klassieke muziek van radiozender NPO Klassiek. Zijn werk wordt over de hele wereld uitgevoerd. Wat maakt de muziek van Arvo Pärt zo bijzonder? De biografie die volgende week verschijnt, poogt er een antwoord op te geven.

Oudere man met grijze baard in een zwart colbert met daaronder een wit overhemd. Hij kijkt weg van de camera.
Arvo Pärt in 2008, bij het in ontvangst nemen van de Leonie Sonning Muziek Prijs in Kopenhagen. beeld AFP, Kristian Juul Pedersen

Een piano zet in. Zomaar een paar tonen, in een vast patroon. Dan valt een cello in, met rustige, opgaande en dalende melodieën. Meer wordt het niet, en toch is dit stuk –”Spiegel im Spiegel”– misschien wel het bekendste werk van componist Arvo Pärt. Het werk stond dit jaar op plek 4 in de Klassieke Top 400 van NPO Klassiek. Toch zou Pärt pas later in zijn leven de stijl ontwikkelen die hem nu zo kenmerkt en waarin ”Spiegel im Spiegel” geschreven is.

In zijn diensttijd bleek Pärt geen gevoel voor ritme te hebben

Het is een van de ontdekkingen uit ”Componist van de stilte. In het spoor van Arvo Pärt”, het boek waarmee zelfstandig journalist Twan Geurts als een van de eerste Nederlanders licht werpt op de populairste nog levende componist van hedendaagse klassieke muziek. Het boek is geen standaard biografie. Geurts heeft ervoor gekozen om er de ervaringen in te verwerken die hij opdeed tijdens zijn reizen naar voor Pärt belangrijke plaatsen. Dat levert een boek op dat hij zelf een „biografische reportage” noemt. Zo belandt de lezer in het eerste hoofdstuk in het Arvo Pärt Centrum, een plek waar veel informatie over de componist te vinden is. Het aardige van deze aanpak is dat helder wordt hoe er nu over Pärt wordt gedacht – door musici en kenners aan het woord te laten.

Gebouw in de bossen, met hoge bomen voor de ingang. Het is wit met zwart. 
Het Arvo Pärt Centrum in Laulasmaa, Estland. beeld EPA, Valda Kalnina

Dat Pärt iets zou gaan betekenen op muzikaal gebied, was al jong duidelijk, schetst Geurts. De jonge Arvo komt op het conservatorium van Tallinn terecht om compositie te studeren. Na een verplichte diensttijd mag hij zijn studie afmaken. Leuk detail uit die tijd is overigens dat Pärt geen gevoel voor ritme bleek te hebben. In het militaire orkest bakt hij er in eerste instantie weinig van op de trom. Door goed naar de andere musici te luisteren, lukt het hem toch om de maat aan te geven.

In zijn beginjaren als componist, deels nog tijdens zijn opleiding, maakt hij onder meer zogenaamde twaalftoonsmuziek. Dat is een stijl die in de mode was in de jaren na de oorlog en die door onder anderen Arnold Schönberg is ontwikkeld. Het idee van die twaalftoonsmuziek is dat alle twaalf noten –witte en zwarte toetsen op de piano– even belangrijk zijn en dat de gebruikelijke toonladders losgelaten worden. Erg lang zou deze stijl niet aan Pärt blijven plakken. Ook de zogenaamde collagetechniek, waarbij Pärt in één stuk meerdere stijlen aan elkaar verbond, bleek van tijdelijke duur. Geurts illustreert de verschillende componeerstijlen met talloze muziekvoorbeelden. Zo is het ook voor een minder ingevoerde lezer mogelijk om een beter beeld te krijgen van de ontwikkeling van Pärts stijl door de decennia heen.

Christen

Uiteindelijk komt Pärt via die collagetechniek uit bij de stijl waarmee hij beroemd zou worden: de zogenaamde tintinnabuli-stijl. Het woord ”tintinnabuli” betekent ”klokjes” of ”belletjes” in het Latijn. En inderdaad, in veel van Pärts stukken lijkt het alsof er kleine klokjes te horen zijn. Een van de kenmerken van deze stijl –waarvan ook Geurts niet de finesses geeft– is dat een muziekstuk twee stemmen bevat die aan elkaar gelijkwaardig zijn. In meer traditionele klassieke muziek is de begeleiding ondergeschikt aan de melodie; hierbij dus niet. Het stuk ”Spiegel im Spiegel” is wellicht het bekendste werk geworden dat Pärt maakt in deze door hem ontwikkelde stijl.

Veel van Pärts latere werken zijn uiterst religieus

Terwijl hij bezig is met het creëren van zijn nieuwe stijl, is er ook een ontwikkeling in Pärt zelf gaande. De in het atheïstische Estland opgegroeide componist moet zich voor zijn studie verdiepen in vroege muziek, zoals het gregoriaans en de werken van Bach. Veel van deze muziek is doordrenkt van het christendom. Het raakt Pärt dusdanig dat hij in 1972 samen met zijn tweede vrouw Nora toetreedt tot de Russisch-Orthodoxe Kerk in Estland.

Veel van zijn latere werken zijn dan ook uiterst religieus. Zo schrijft hij in 1968 –overigens nog vóór zijn toetreding tot de kerk– al het ”Credo”, met de voluit belijdende tekst ”Credo in Jesum Christum” (”Ik geloof in Jezus Christus”). Na de ontwikkeling van de tintinnabuli-stijl zet hij een groot aantal religieuze teksten op muziek: onder meer de Lofzang van Maria en de Lofzang van Simeon, het geslachtsregister van Jezus uit Lukas 3, en ”Adam’s lament”, de klaagzang van Adam na de zondeval, waarvoor hij een tekst van een orthodoxe geestelijk leider gebruikt. Overigens is in zijn muziek goed merkbaar dat hij tot de Russisch-Orthodoxe Kerk behoort; zo schrijft hij ook een lofzang op de heilige Nicolaas en een ”Salve Regina”, waarin Maria als hemelkoningin en voorspreekster aanbeden wordt. Maar vaststaat dat geloof voor Pärt een zeer belangrijke rol speelt.

Romantisch

Onder zijn landgenoten wordt Pärt al vrij snel populair. Het regime moet echter weinig van hem hebben: lange tijd is Pärt een persona non grata in het door de Sovjet-Unie in de tang gehouden Estland. Zijn muziek zou te modern en te westers zijn. De muziek die in de Sovjet-Unie werd gewaardeerd, moest romantisch zijn, in de stijl van Rachmaninov en Tsjaikovski.

Het gaat zelfs zo ver, dat hem in 1980 opgedragen wordt het land te verlaten. Dit doet Pärt. Via Oostenrijk komt hij in Berlijn terecht. Daar krijgt hij een plek als een soort artist in residence; er wordt zelfs een woning voor hem en zijn vrouw geregeld. Het warme welkom in Berlijn staat in schril contrast met zijn ontvangst door de westerse muziekscene. Zijn bekendheid in het westen is nog niet zo groot en lang niet elk stuk dat hij componeert, valt in de smaak. Geurts suggereert dat de westerse muziekwereld nog niet klaar was voor de diepreligieuze werken die Pärt schreef. „In de seculiere wereld van wereldstad Berlijn bestond een grote afstand tot de religieuze onderwerpen die Arvo en Nora Pärt zo ter harte gingen.” Uiteindelijk weet hij via cd-opnames van zijn werk door gerenommeerde ensembles alsnog zijn weg te vinden naar het grote publiek.

In 2010 keert Arvo Pärt terug naar Estland. Hij vestigt zich met zijn vrouw in Laulasmaa, de plaats waar het Arvo Pärt Centrum staat en waar ”Componist van de stilte” begint. In de laatste hoofdstukken van het boek blijft Geurts wat meer in het heden. Hij spreekt met diverse bronnen: onder anderen Michael, een van de zonen van Arvo en Nora. Hij is de enige van Pärts kinderen –uit een eerder huwelijk heeft hij twee dochters– die de muziek in is gegaan. Ook komt Raoul Boesten aan het woord, een Nederlandse dirigent van een amateurkoor dat voor een project samengewerkt heeft met Arvo Pärt.

Sinds enkele jaren geeft de inmiddels 90-jarige componist geen interviews meer

Eén bron ontbreekt: de componist zelf. Ondanks het feit dat Arvo Pärt nog leeft, kon Geurts hem voor zijn boek niet spreken. Sinds enkele jaren geeft de inmiddels 90-jarige componist geen interviews meer. Wel citeert Geurt ruimhartig uit een aantal interviews die de Italiaanse musicoloog Enzo Restagno in 2004 met het echtpaar voerde en die opgetekend zijn in het boek ”Arvo Pärt im Gespräch”.

Michelangelo

De vraag waarom de muziek van Pärt aanslaat bij een groot publiek, kan met een enkel boek niet helemaal worden beantwoord. Misschien zit het hem in de schijnbare eenvoud van de melodieën. Misschien in de combinatie tussen de klanken en de eeuwenoude woorden uit de christelijke liturgie. Of in de kracht van de stiltes in de muziek. „In de stiltes kan wat net geklonken heeft werkelijke resoneren”, citeert Geurts een anonieme cursist aan een Pärt-workshop. Het verklaart meteen de titel van het boek.

Pärt blijft zelf bescheiden onder zijn succes. Geurts citeert een voorval waarbij een omstander aan Pärt vraagt hoe het componeren in zijn werk gaat. De componist verwijst in zijn antwoord naar Michelangelo, de Italiaanse beeldhouwer die beweerde dat de sculptuur van zijn beroemde David al in het marmer verborgen zat. „De muziek bestaat al, in de wereld om ons heen, ook zonder componist. Elke sculptuur zit al besloten in een steenblok, de beeldhouwer hoeft het er alleen uit te bevrijden. Zo is het ook met mijn muziek, die bestaat al, die heb ik zelf niet bedacht. Ik haal als componist de schil van de aardappel, de muzikant kookt hem en zet hem op tafel, maar het was God die de aardappel liet groeien.”

Manuscript van een muziekstuk, dat op een houten tafel ligt. 
Manuscript van Pärt in het Arvo Pärt Centrum. beeld AFP, Raul Mee

Dát het luisteren naar Pärts klanken iets uitwerkt, wordt wel duidelijk uit het voorval waarmee Geurts zijn boek begint. Arvo en Nora moeten in 1980 Estland –dan nog behorend tot de Sovjet-Unie– verlaten. Via Letland en Litouwen bereiken ze de grens met Polen. Daar doen de grenswachten moeilijk. Ze willen weleens weten wat er in al die koffers zit. Muziek, zo blijkt. Partituren, maar ook cassettebandjes met opnamen en afspeelapparatuur. Geheel onverwachts geven de grenswachten aan dat ze iets willen horen. En wat gebeurt er: na het klinken van Pärts muziek gaat de grens als vanzelf open.

Boekomslag met rechts een oudere man met baard en profil die in een boek met muzieknoten aan het schrijven is.  

Componist van de stilte. In het spoor van Arvo Pärt

Twan Geurts

uitg. Balans

328 blz.

€ 26,95