In de gevangenis valt het verhaal van Zacheüs anders dan in de kerk, ontdekte Hans Dingemanse
De techniek verwisselde Hans Dingemanse voor sociaal werk. Daardoor belandde hij in de wereld van thuislozen, verslaafden en ex-gedetineerden. Zijn woning maakte hij met echtgenote Marieke tot een veilig thuis voor pleegkinderen. „Ik ben meer een doener dan een preker.”
„Het is hier leuk”, laat een onopvallend bordje voor een pand in de Haagse binnenstad weten. Vijf jaar geleden streken Hans (54) en Marieke Dingemanse op deze plek neer. In de royale woonkamer domineert een lange tafel met eromheen tien stoelen. Gastvrijheid is voor het echtpaar essentieel voor het mens-zijn. Daarom willen ze letterlijk plaats bieden aan wie dan ook.
„Vroeger realiseerde ik me niet hoe vaak het woord gastvrijheid voorkomt in de brieven van Paulus”, bekent Dingemanse. „Ik heb ook niet veel preken gehoord over deze vrucht van de Geest. Terwijl het fantastisch is om iemand als gast te ontvangen. Ik ben meer gaan begrijpen van al die maaltijden die in de Bijbel worden beschreven. Het delen van het brood met elkaar blijft bijzonder.”
En hoe bevalt het wonen in zo’n drukke stad?
„Ik zou niet anders meer willen. We zitten dicht bij zee, die blijft voor Zeeuwen trekken, en alleen deze straat toont al een enorme diversiteit. Wonen in een dorp heeft ook mooie kanten, maar het is beperkt. Dit is de wereld in zijn veelkleurigheid, de wereld waarvoor God Zijn eniggeboren Zoon gaf.”
U zou niet meer passen in Zeeland of op de Veluwe?
„Heerlijk om er af en toe een weekje op adem te komen, maar na een paar dagen ga ik de reuring van de stad missen.”
Hoe kwam u als hts’er bij het Leger des Heils terecht?
„Wanneer je terugkijkt op je leven, zie je dat een aantal mensen van betekenis is geweest. In de eerste plaats zijn dat mijn ouders. Ik groeide op in een warm gezin, betrokken op het kerkelijk leven. Pa zat in de kerkenraad, de zendingscommissie en het schoolbestuur en mijn moeder zong in het koor van de kerk. Van timmerman was mijn vader opgeklommen tot hoofd technische dienst bij een woningcorporatie, dus techniek kreeg ik van thuis mee. Al jong had ik een baantje bij een fietsenmaker. Toen ik in 4 havo bleef zitten, ben ik overgestapt naar de mts en daarna doorgestroomd naar de hts.
Pas na vijf jaar theorie ging ik stage lopen. Na een paar weken dacht ik: is dit het nou? Ik had intussen Marieke ontmoet. Die werkte in de jeugdhulpverlening en kwam met verhalen thuis die me intrigeerden. Ik ontdekte dat ik techniek leuk vind, maar mensen veel boeiender. De hts heb ik wel afgemaakt. Voor de eindopdracht kreeg ik een prachtig cijfer. „Jou wacht een mooie carrière in de techniek, Hans”, zei de docent die me naar voren riep. Waarop ik antwoordde: „Ik heb me ingeschreven voor de hbo-studie maatschappelijk werk, omdat ik denk dat je je hart moet volgen.” In techniek regeert de logica, en die is zeker van betekenis, maar je moet vooral leren luisteren naar dat wat binnen in je zit. In deeltijd ging ik studeren aan de Christelijke Hogeschool Ede, naast een fulltimebaan bij het Leger des Heils als groepsbegeleider en ambulant hulpverlener. We waren net getrouwd en er moest ook brood op de plank komen.”

Van wie erfde u het sociale gen?
„Dat zou ik niet weten. Wel kregen we van thuis mee dat je allemaal een taak hebt in de samenleving. Als jochie haalde ik oud papier op voor de zending van de Gereformeerde Gemeenten. Op m’n achttiende nam ik met wat vrienden het initiatief om met Kerst naar Rotterdam te rijden en daar in samenwerking met Stichting Ontmoeting soep uit te delen. Marieke heeft een doorslaggevende rol gespeeld in het ontdekken van mijn sociale betrokkenheid.”
Hoe reageerden uw ouders op de switch?
„Vooral mijn vader had er zijn twijfels bij. „Joh, is daar wel werk in? En wat verdien je ermee?” Dat soort vragen. Die hielden me niet van mijn beslissing af, want het was geen bevlieging. Ik had er goed over nagedacht en samen met Marieke ook voor gebeden. Om te weten welk type sociaal werk bij me paste, dronk ik met een pastoraal werker koffie in een buurthuis, informeerde ik bij de Jeugdbond van de Gereformeerde Gemeenten en bracht ik een bezoek aan de directeur van Exodus, een stichting voor de begeleiding van ex-gedetineerden. Wat die man vertelde, raakte me, door enerzijds de rauwheid van deze wereld en anderzijds de mogelijkheid om voor dit soort gasten van betekenis te kunnen zijn.”
Waarom koos u voor het Leger des Heils?
„We vonden een huisje in Tull en ’t Waal, niet ver bij Utrecht vandaan. Daar kwam een functie vrij bij het Leger des Heils. Het jaar daarna maakte ik de overstap naar Stichting Ontmoeting, die Huize Norel in Epe ging omvormen tot een woon-werkcentrum voor daklozen en ex-gedetineerden. Ik begon er als groepsbegeleider en mentor van een aantal cliënten. Ed van Hell, de toenmalige directeur van Ontmoeting, was een idealist en vond dat we een brug moesten slaan tussen onze populatie en de reformatorische wereld. Dat was fascinerend en tegelijk ingewikkeld. In de reformatorische wereld word je opgevoed met een beeld óver deze mensen, zonder ze ooit te hebben ontmoet. Trek je met ze op, dan blijkt dit beeld niet helemaal te kloppen. Ze groeiden vaak op in een totaal ander milieu dan ik, maar je hebt ook veel gemeen.
Sommige situaties vergeet ik nooit meer. Na een incident moest ik een aantal bewoners daarop aanspreken. Ik kwam de woonkamer binnen en wilde wat gaan zeggen, maar een van die gasten was me voor. „Hé Hans, je bent bang hè? Ik zie het aan je.” Ontkennen had weinig zin. Ik stond daar met door de spanning opgetrokken schouders. In het contact met die mannen heb ik geleerd dat je het verst komt door authentiek te zijn en jezelf niet op te pompen. Daar prikken juist deze mensen dwars doorheen.”
Ging u anders tegen hen aankijken?
„Zeker. Ik ontdekte dat de stap tussen een normaal leven en dakloos raken of crimineel worden niet zo groot is. Dat maakte me milder. Het oordelen over en veroordelen van de buitenwereld, waarin de gereformeerde gezindte sterk is, heb ik afgeleerd. Dat is niet helpend om je plek te vinden in de wereld waarvan ook wij deel uitmaken. Bovendien zijn de dingen vaak niet zwart-wit.
Ik leerde ook dat er altijd mogelijkheden tot verandering zijn. Je valt niet samen met het verleden dat je met je meedraagt. Elk mens is van waarde, geschapen om gezien te zijn. Dat werd mijn levensmotto. De Bijbelse norm mogen we niet loslaten. Strafbaar gedrag moet strafbaar blijven, maar we mogen een mens die de norm heeft overtreden niet afwijzen. Dat is de heldere lijn die Jezus ons voorhoudt. Hij zat aan tafel met allerlei soorten mensen, tot ergernis van de toenmalige kerkleiders.”
Veranderde daardoor uw Godsbeeld?
„Het werd breder. Ik groeide op met het beeld van God als Rechter en Redder. Door mijn werk ging ik zien dat Hij ook Schepper en Vader is. Dat vind je op vele plekken in de Bijbel.”
Plaatste het werk in Huize Norel u voor netelige situaties?
„Uiteraard. Omdat deze mensen soms niet in staat zijn hun gevoel te uiten, kunnen ze ineens met een mes voor je staan. Dat gaat je niet in de koude kleren zitten, maar ik heb er geen trauma aan overgehouden. Vanuit de organisatie werd goede nazorg verleend en er stonden mooie ervaringen tegenover. Sommige uitgevlogen cliënten kwamen nog eens terug om te vertellen dat ze een leuke baan hadden gevonden en de zaken op de rit hadden.”

Waarom keerde u in 2013 terug naar het Legers des Heils?
„Er was nog een tussenjaar bij Stichting Cardia, een organisatie voor ouderenzorg in Den Haag. Aanleiding voor het vertrek bij Ontmoeting waren gezondheidsklachten die het wenselijk maakten dat we in de buurt van de kust gingen wonen. We vonden een huis in Monster, maar een baan in dezelfde sector was er toen niet. Bij Cardia kon ik aan de slag als manager extramurale zorg en dienstverlening. Na drie maanden had ik al door dat deze doelgroep niet bij me past. Ik ben liever bezig met de opbouw dan met de afbouw van het leven en voel me meer thuis bij de rauwheid van de straat. Daardoor kwam ik weer bij het Leger des Heils terecht. We bleven wonen in Monster.”
Voelde u zich als reformatorisch opgevoede jongen een buitenbeentje bij het Leger?
„Bij Ontmoeting kwam ik al tot de ontdekking dat er meer is dan de reformatorische gezindte. Ik leerde evangelische organisaties kennen waarmee we samenwerkten. Bij het Leger des Heils voelde ik me direct als een vis in het water. Het is een voluit christelijke organisatie.”
De opvattingen van oprichter William Booth waren toch wel wat orthodoxer dan die van het huidige Leger des Heils.
„Dat zie je bij veel kerken, maar de dienstbare houding is gebleven. In de woorden van majoor Bosshardt: „God dienen is mensen dienen en mensen dienen is God dienen.” We doen wat we geloven. Dat past mij als een jas. Twee jaar geleden ben ik met een team naar Londen geweest. We liepen door de straten waar William Booth zijn werk begon, in het donkere Engeland van destijds. Ik ben nog altijd onder de indruk van de moed die hij en zijn vrouw toonden in de strijd tegen onrecht en hun zorg voor mensen naar wie anderen niet omkeken. Dat is een passie die we nog steeds hebben. Oog hebben voor mensen, ongeacht waar ze vandaan komen of wat ze uitgevreten hebben. Die houding probeer ik voor te leven en bij anderen aan te jagen. Ik ben meer een doener dan een preker. Wel vraag ik aan mensen wat voor hen belangrijk is. Dat leidt soms tot een gesprek waarin ik aangeef dat er houvast is te vinden in het geloof in Jezus Christus.”
Wat voor soort leidinggevende bent u?
„Mijn leiderschap kenmerkt zich door vertrouwen, richting en ruimte. Ik hecht groot belang aan een klimaat waarin je fouten mag maken. Je hoeft niet alles goed te doen, maar als er iets verkeerd gaat: meld het! Dan leren we ervan.”
Wat bracht u in 2021 tot de overstap naar het reclasseringswerk?
„Ik blijf graag in beweging. Toen ik directeur van Leger des Heils Reclassering kon worden, heb ik die mogelijkheid dan ook met dankbaarheid aangenomen. Met de combinatie van straf en zorg maakte ik al kennis door mijn werk in Huize Norel. Daar had ik regelmatig contact met reclasseringswerkers. Alles wat ik door de jaren heen heb geleerd en meegekregen, is heel helpend in mijn huidige rol. Als ik in gesprek ben met medewerkers, snap ik precies wat ze bedoelen als ze het over de lastige doelgroep hebben. Door mijn huidige baan heb ik te maken met een breed palet van instanties: politie, justitie, het openbaar ministerie, de rechtspraak, het gevangeniswezen, justitiepastoraat en ketenpartners in de zorg. Die variatie maakt het werk bijzonder boeiend.”
Voor het begin van uw loopbaan was echtgenote Marieke heel belangrijk. Is ze dat nog steeds?
„Absoluut. Als het goed is, raak je in een huwelijk steeds meer met elkaar verweven. We kregen twee mooie dochters en bouwden bewust aan een thuis waar ook anderen welkom zijn. Vanaf ons trouwen hadden we een kamer voor crisispleegzorg beschikbaar. In al die jaren hebben we een kleine dertig kinderen voor kortere of langere tijd een veilige plek geboden. Door mijn werk zag ik dat je daarmee een zaadje van hoop in zo’n kinderleven kunt planten. Dat kan op termijn het verschil maken.”

Het betekende wel dat jullie ook ’s avonds nog bezig waren met hulpverlening.
„Zo ervoer ik dat niet. Natuurlijk gebruik je de opgedane kennis, maar dat is iets anders dan hulp verlenen. Ook onze meiden wisten heel goed met die kinderen om te gaan. Het is altijd een gezinskeuze geweest. Na elke plaatsing evalueerden we. Gaan we hiermee door of zetten we de pauzeknop aan? Terugblikkend kan ik alleen maar zeggen dat die pleegzorg ons veel heeft gegeven. Onze oudste dochter werkt nu op Curaçao in de reclassering, onze jongste dochter in het Midden-Oosten onder kinderen met trauma’s. Ik ben ontzettend trots op ze, al mis ik ze wel.”
Jullie verwisselden crisispleegzorg voor begeleiding van ex-prostituees. Waarom?
„Voor de opvang van jonge kinderen gingen we ons te oud voelen, maar vanuit maatschappelijke betrokkenheid wilden we dan wel iets anders. Marieke deed al bezoekwerk onder prostituees en wist daardoor hoe moeilijk het voor deze vrouwen is om eruit te stappen. In 2019 hebben we samen Stichting Racham opgericht. Het was een stap in geloof, want financiering was niet in beeld. Banken zagen het plan niet zitten. Een ideële investeerder wilde wel geld beschikbaar stellen, mits we een geschikt pand vonden. Toen brak corona uit, maar we bleven ervan overtuigd dat God dit op ons hart had gelegd. We hebben samen gebeden of Hij iets op ons pad wilde brengen. Daarna klapte ik mijn laptop open en vulde bij Funda zoekcriteria in. Meteen kwam dit huis boven: een voormalig bed and breakfast. In 2021 zijn we vanuit Monster hiernaartoe verhuisd. Boven zijn zes studio’s voor de vrouwen, afkomstig uit Nederland en andere delen van de wereld.”
Hoe verloopt het?
„De vrouwen hebben hun eigen professionele hulpverleners. Wij zijn gewoon Hans en Marieke, die veiligheid bieden en steun verlenen. Marieke richt zich op de pastorale kant, ik regel vooral de praktische zaken en houd wat afstand. Deze vrouwen zijn vooral mannen tegengekomen die hen misbruikten in plaats van waardeerden. Hun gevoel van eigenwaarde is daardoor tot een minimum gedaald. Ik begrijp hun wantrouwen en hoop hun te laten zien dat er ook integere mannen zijn.
Iedere vrijdagavond eten we met elkaar aan deze tafel. Ik kook dan, dat vind ik leuk. We openen de maaltijd met gebed. Aan het eind deelt Marieke wat uit de Bijbel en vraagt ze of er gebedspunten zijn. Die nemen we mee in het dankgebed. Soms bidt een van de vrouwen. Meer dan eens ben ik verrast over het geloof dat ze wisten te behouden, ondanks alles wat hun is aangedaan. Sommigen kwamen onder valse voorwendselen naar Nederland, waar ze niet in de zorg maar achter de ramen terechtkwamen.
Samenleven met deze vrouwen betekent soms ook dat je wordt geconfronteerd met de duisternis en machten vanuit occulte belasting die ze met zich meedragen. Ik ben er nooit bang voor geweest dat ze me zouden verleiden; wel dat de duivel een wig zou drijven in mijn eigen huwelijk. Hij is er niet blij mee dat we met deze vrouwen samenleven in het licht en de liefde van Jezus delen. Daarom is het belangrijk dat mensen voor ons en onze stichting bidden. Dit kun je niet alleen.”
Wat deed uw werk met uw visie op de samenleving en de politiek?
„We zijn de verbinding met elkaar kwijtgeraakt. Bij het Leger des Heils zeggen we: Samenleven doe je niet alleen. Het omzien naar elkaar is verschraald, waardoor de betekenis van het gezin, het kerkelijk leven en het verenigingsleven nog sterker zijn geworden. Door het ik-gerichte neemt de eenzaamheid toe. Ik erger me ook aan het economische nut dat op de voorgrond staat. Alles is gerelateerd aan geld en functionaliteit, mensen worden gezien als middel om iets te bereiken. Hebben ze minder capaciteiten, dan worden ze afgeschreven. Dat staat me tegen. Kijk naar wat mensen nog wél kunnen.”
Ging u ook anders over gevangenisstraf denken?
„Niet echt. Het is goed dat er een norm wordt gesteld, maar ik heb ook gezien dat straf alléén nergens toe leidt. Gedetineerden moeten na die straf verder, met zichzelf en hun omgeving. Terwijl ze in de gevangenis zitten, moet je al in hen gaan investeren. Daarom is het straf én hulp, straf én re-integratie, straf én begeleiding. In de hoop dat ze vrijkomen met het besef dat ze iets te herstellen hebben. Want ze hebben wel slachtoffers gemaakt, soms zelfs mensen om het leven gebracht.”

Spreekt u als directeur nog met gedetineerden?
„Bij werkbezoeken op locatie doe ik daar mijn uiterste best voor. En ik woon als vrijwilliger een aantal keren per jaar een kerkdienst bij in een gevangenis. Dat houdt me dicht bij de mensen voor wie ik mijn werk doe. In een dienst die ik pas bijwoonde, ging het over Zacheüs, een man die dingen deed die niet door de beugel konden en bij de mensen niet geliefd was. Maar hij wilde Jezus zien en klom in een boom. Bij die boom staat Jezus stil en Hij zíét hém. Bij gedetineerden valt die boodschap echt op een andere manier dan in de kerk. Ik voel me daar in zekere zin ook meer op m’n plek dan in de kerk. Alle opsmuk is eraf.”
Welk Bijbelgedeelte kreeg voor u veel betekenis?
„Psalm 72, in een wat nieuwere berijming.
Hij is de Redder van de armen,
Hij hoort hun noodgeschrei,
Hij is met koninklijk erbarmen
Hun eenzaamheid nabij.
Het kostbare van elk mensenleven is gaandeweg meer op gaan lichten. Door het werk dat ik doe en door de ontmoetingen die ik heb gehad. De zondige kant van de mens wist niet uit dat hij het beeld van God draagt. En deze God is veel groter dan wij denken.”
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- Samenleven
- RDMagazine
- Beste van RD







