Zeven jaar na het Stint-ongeluk in Oss begint de strafzaak
Meer dan zeven jaar na het dramatische ongeluk met de Stint-bolderkar in Noord-Brabant gaat de rechtszaak tegen de producenten van het voertuig van start. Dit ging eraan vooraf.

Een Stint-bolderkar reed op 20 september 2018 het spoor op bij een spoorwegovergang in het Brabantse Oss en werd aangereden door een trein. Vier kinderen kwamen om het leven. Een ander kind en de begeleidster van de kinderopvang die het elektrische voertuig bestuurde, raakten zwaargewond.
Dinsdag staan twee bedrijven en twee leidinggevenden van die bedrijven voor de strafrechter in Den Bosch. Een van hen is Stint-oprichter Edwin Renzen.
Veiligheidseisen
De remmen van de Stint deden het niet, dat leek aanvankelijk de reden dat het voertuig die septemberdag met grote vaart het spoor op reed. Maar wat er precies misging bij de Stint in kwestie, is altijd onduidelijk gebleven. Wel bleek uit onderzoek al snel dat de Stints, waar er destijds zo’n 3000 van rondreden in Nederland, helemaal niet veilig genoeg waren om de weg op te mogen.
Kort na het ongeluk besloot verantwoordelijk minister Cora Nieuwenhuizen (Infrastructuur) daarom de bolderkarren van de weg te halen. Dat besluit werd in december 2018 definitief na aanvullend onderzoek van TNO.
Uit de onderzoeken bleek onder andere dat de Stint bij het remmen niet genoeg stilstond. Ook kon het voertuig door de werking van de accu onbedoeld vertragen of stilvallen. Daarnaast voldeed de Stint niet aan meerdere Europese richtlijnen.
Gebreken
In 2023 kondigde het openbaar ministerie vervolging aan van twee leidinggevenden van de Stint-bedrijven. Zij waren volgens het OM op de hoogte van een aantal van de gebreken van het voertuig en zouden hier niets over hebben gezegd. Dit zou blijken uit rapporten van deskundigen, correspondentie tussen de verdachten en klanten en afgeluisterde telefoongesprekken. Ook hoorde justitie medewerkers van de bedrijven als getuigen.
De twee leidinggevenden worden daarnaast verdacht van fraude. In het verzoek aan het ministerie van Infrastructuur in 2011 om de Stint aan te merken als bijzondere bromfiets hebben zij volgens het OM ten onrechte gemeld dat het voertuig voldeed aan de benodigde veiligheidseisen.
Dat de Stint zou voldoen aan de veiligheidseisen stond ook in de handleiding van het voertuig, schrijft het OM in een persbericht. De twee zouden na het ongeluk in 2018 de handleiding hebben vervalst, door de verwijzingen naar de richtlijnen met veiligheidseisen uit het document te halen en die versie op te sturen naar het ministerie.
Heel pijnlijk
Het ministerie liet daarnaast steken vallen bij de goedkeuring in 2011. De Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) concludeerde in 2019 dat de Stint en andere licht gemotoriseerde voertuigen zoals elektrische bakfietsen en scootmobielen te gemakkelijk werden toegelaten tot de openbare weg, zonder dat voldoende naar de veiligheid van deze voertuigen is gekeken. Minister Van Nieuwenhuizen bood haar excuses aan en noemde de conclusies van het onderzoek „hard en heel pijnlijk”.
Het bedrijf achter de Stint bracht na het ongeluk vergelijkbare bolderkarren op de markt, onder de naam BSO-bus. Deze zijn sinds 2020 toegestaan op de weg. De voertuigen moeten aan veiligheidseisen voldoen en hebben sinds juli van dit jaar ook een kentekenplicht.
Dat het zo lang duurde tot de zaak inhoudelijk wordt behandeld, komt volgens het OM doordat er eerst uitvoerig onderzoek is gedaan naar het ongeluk en de oorzaak ervan, en daarna pas naar de producenten. Het dossier dat hieruit is voortgekomen, bestaat uit „vele duizenden pagina’s”.
Aanvankelijk stond de behandeling van de zaak al eerder gepland, namelijk voor maart en april van dit jaar. Maar omdat de verdediging extra rapporten indiende van externe deskundigen, werd de zaak uitgesteld.
De nabestaanden van de slachtoffers zullen tijdens de zitting een slachtofferverklaring voorlezen.
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- Verkeersveiligheid




