BIDKL bijt zich vast in vermiste oorlogsdoden

„Het ergste wat je als onderzoeker kan overkomen is dat je moet opgeven. Dan heb je het gevoel dat je de slachtoffers in de steek laat. Daar kunnen we slecht tegen. Dat druist tegen onze beroepseer in.” In de wisselexpositie “Naam onbekend” in het Airborne Museum in Oosterbeek hangt dit citaat van Geert Jonker, commandant van de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht (BIDKL).

In het Airborne Museum in Oosterbeek is tot en met eind februari 2026 een expositie te zien over het werk van de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht (BIDKL). beeld VidiPhoto

Bezoekers van het Airborne Museum krijgen tot eind februari in woord en beeld uitleg over het werk van dit kleine onderzoeksteam binnen de krijgsmacht. Een van de tentoonstellingsruimten is gewijd aan de Teaspoon Man; een Britse soldaat van wie de stoffelijke resten zijn aangetroffen in de omgeving van de Westerbouwing bij Oosterbeek. Ondanks een aantal gevonden aanwijzingen is zijn identiteit nog steeds niet vastgesteld. Maar de opsporingsdienst, en dan met name kapitein Jonker, bijt zich vast in het oplossen van dit raadsel. De militair werd gevonden met in zijn rugzak een aantal zilveren theelepels, vermoedelijk geroofd uit een woning in Oosterbeek.

De BIDKL heeft voorlopig nog werk genoeg. Identificatiespecialist luitenant Els Schiltmans, al zo’n zestien jaar verbonden aan dit krijgsmachtonderdeel, schat het aantal vermisten in ons land op zo’n 4500-5000. Dat zijn zowel militairen (geallieerd en Duits) als burgers. Een aanzienlijk aantal van hen rust in de bodem van Oosterbeek en omstreken, waar zich in september 1944 de Slag om Arnhem afspeelde, het slotstuk van Operatie Market Garden. Ze worden gevonden bij graafwerkzaamheden voor nieuwbouw of infrastructuur en door detectoramateurs. Slechts een handjevol van deze laatste groep hobbyisten heeft officieel toestemming om in het frontgebied te zoeken naar vermiste oorlogsslachtoffers.

BIDKL zoekt alle botten, uniformstukken en persoonlijke bezittingen bij elkaar en neemt dat mee naar een laboratorium in Soesterberg. beeld VidiPhoto

Het Airborne Museum heeft nog niet eerder aandacht geschonken aan de werkzaamheden van de bergingsdienst. Waarom nu dan wel?

„Geert Jonker was enige tijd geleden gastconservator in ons museum en hield een lezing over de werkzaamheden van zijn dienst”, vertelt museumdirecteur Ronnie Weijers. „De aanwezigen vonden dat enorm boeiend en stelden hem veel vragen. De BIDKL verricht een soort detectivewerk. Bij ons ontstond daarom het idee om daar aandacht aan te schenken, vooral ook omdat BIDKL nu tachtig jaar bestaat en er ook in deze omgeving nog steeds veel oorlogsresten in de bodem zitten.”

„In onze omgeving zitten nog steeds veel oorlogsresten in de bodem”

Het museum in voormalig Hotel Hartenstein, in september 1944 het hoofdkwartier van de 1st Airborne Division, interesseert jaarlijks gemiddeld zo’n 90.000 bezoekers en is daarmee een van de grotere publiekstrekkers in de regio.

Waarom is er tachtig jaar na de oorlog nog zoveel belangstelling voor nota bene een verloren slag?

„Engelsen houden van underdogs. Een belangrijk deel van onze gasten is familie van de mannen die in dit gebied hebben gevochten. Het was bovendien een heroïsche strijd en nog steeds leeft de vraag: wat als het wel was gelukt? In Engeland is ons museum vermoedelijk ook bekender dan in ons eigen land. En het helpt ook dat over deze slag boeken en films zijn gepubliceerd.”

De expositie heeft ongeveer een jaar aan voorbereiding gekost, legt conservator Jory Brentjens uit. „Normaal gesproken doen we altijd zelf eerst onderzoek, maar in dit geval kregen we alles kant-en-klaar aangeleverd van BIDKL. In de verschillende ruimten behandelen we –naast het werk van de opsporingsdienst– vier afzonderlijke zaken, waaronder ook die van een geïdentificeerde Duitse soldaat die werd gevonden tijdens een zoektocht naar een Britse militair. Verder beschrijven we het speurwerk naar drie Britse militairen. In één geval heeft dat nog geen naam opgeleverd.”

Conservator Jory Brentjes en luitenant Els Schiltmans van BIDKL. beeld VidiPhoto

Het lukt dus niet altijd?

„Dat klopt”, vertelt luitenant Schiltmans. „Vaak is onderzoek bij stoffelijke resten van Duitse militairen ook lastiger dan bij geallieerden. Hoewel… Britse identiteitsplaatjes bestonden indertijd uit materiaal dat snel verging. Die vinden we vrijwel nooit terug. Bovendien is dat nooit sluitend bewijs. Het kan ook het meegenomen plaatje van een gesneuvelde collega zijn. Bij veel Duitse legeronderdelen was het daarnaast aan het eind van de oorlog chaos, een samenraapsel van manschappen zonder fatsoenlijke registratie. Britten waren beter georganiseerd.”

„Britse identiteitsplaatjes bestonden uit materiaal dat snel verging”

Wanneer worden jullie ingeschakeld?

„Natuurlijk zoeken we zelf ook als we een sterke aanwijzing hebben dat er een veldgraf ligt op een afgebakend stuk terrein, maar meestal reageren we op een melding dat er iets gevonden is bij graafwerkzaamheden. Wanneer er sprake is van een combinatie van stoffelijke resten, militaire uitrusting en een –historisch gezien– relevante locatie, worden wij ingeschakeld. We zoeken dan alle botten, uniformstukken en persoonlijke bezittingen bij elkaar en nemen dat mee naar ons laboratorium in Soesterberg.”

Hoe gaat het onderzoek verder?

„We beginnen met het schoonmaken van de beenderen en leggen die in de juiste volgorde om te controleren wat er ontbreekt. Daarna stellen we het geslacht en de lengte vast, bekijken we de tanden en onderzoeken we de mogelijke doodsoorzaak. Van belang is ook om te weten tot welk legeronderdeel de militair heeft behoord en welke rang hij had. Dat is soms te zien aan de uniformresten. Persoonlijke bezittingen kunnen ons helpen. Maar ook de plek waar iemand wordt gevonden is van betekenis. Soms blijkt uit militaire verslagen welke groep daar heeft gevochten en wie daar om het leven zijn gekomen. We doen dus veel archiefonderzoek.

Herbegrafenis van een Britse militair op de Airborne Begraafplaats in Oosterbeek. beeld VidiPhoto

Als we bij een vondst in een bepaald gebied worden gehaald, hebben we regelmatig het vermoeden wie het kan zijn. We kijken of iemand op het slagveld is achtergebleven of in een veldgraf is gelegd. Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) wordt vervolgens DNA-onderzoek verricht, zodat we meer zekerheid hebben dat we de juiste persoon koppelen aan nog levende nabestaanden.”

Zijn er tachtig jaar na de oorlog nog wel directe bloedverwanten?

„Af en toe leven er nog kinderen, maar in veel gevallen gaat het om achterneven en -nichten. Het gebeurt dat die mensen blijer zijn voor ons dat we een naam hebben kunnen achterhalen, dan zij het zijn omdat een omgekomen familielid van vroeger is teruggevonden. Maar andersom komt ook voor. Bijvoorbeeld bij de laatste militair die we in 2022 in dit gebied hebben gevonden, luitenant Dermod Anderson. Die is vorig jaar met militaire eer begraven op de Airborne Begraafplaats in Oosterbeek. Zijn familie, onder wie een achterneef die zelf militair is, was daarbij aanwezig. Voor hen was dat een emotionele gebeurtenis. Ze hebben nu een plek waar ze kunnen rouwen, of zoals in Duitsland gezegd wordt: Trauer braucht einen Ort. En vermist is erger dan dood.”

Trauer braucht einen Ort

Doet het jullie ook nog wat?

„Als ik met het onderzoek bezig ben, dan voer ik vooral technische handelingen uit. Dat verandert zodra ik weet wie het is: het dan een persoon geworden. Je vindt in archieven vaak foto’s en er is contact met de familie. Automatisch ontstaat er zo een band met zowel slachtoffer als familie. Bovendien: wij zijn zelf ook militair en je laat geen collega’s achter. Daarom doen we ons uiterste best om een identiteit te achterhalen en raken we er niet van los als dat niet lukt. We hopen dan dat we later het onderzoek alsnog kunnen afronden. Op technisch gebied is er bijvoorbeeld in de toekomst nog wel wat winst te behalen.”

Onderzoek van botresten door BIDKL beeld VidiPhoto

Wat gebeurt er nadat jullie onderzoek klaar is?

„Dan rapporteren we aan het land van herkomst. Als het om een Britse soldaat gaat, wordt die met militaire eer herbegraven. Dan is er een draagploeg aanwezig en is er een ceremonie met een vlag. De avond ervoor is er gelegenheid om officieel afscheid te nemen met een apart moment voor de familie. Het militaire eerbetoon de volgende dag –soms ook met saluutschoten– is altijd bijzonder indrukwekkend.”

Eigenlijk is het dus prachtig en eervol werk dat jullie doen?

„Ja, maar het romantische beeld dat soms van ons werk wordt gecreëerd, klopt niet. We staan soms hele dagen in de modder aan een lopende band om in zwaar verontreinigde smurrie kleine fragmenten te vinden die ons verder kunnen helpen. Dat betekent dat je steeds scherp moet blijven. Of neem dagenlang onderzoek in stoffige archieven. En als je dan uiteindelijk nog geen naam vindt, dan frustreert dat enorm.”

Hoe leer je dit vak?

„We staan soms hele dagen in de modder”

„Vooral in de praktijk, door veel ervaring op te doen. Je loopt dan mee met een collega die al wat langer dit werk doet. Je wordt gedwongen om creatief te denken en op den duur ontwikkel je een soort zesde zintuig.”

Enkele kunsttanden van de Teasppoon Man. beeld VidiPhoto

De belangstelling voor de expositie ”Naam Onbekend” is groot, vertelt conservator Brentjens. „Het valt op dat daar in ons gastenboek veel positieve opmerkingen over worden gemaakt. Het werk van BIDKL is ook voor ons een bijzonder verhaal en een aanvulling op wat wij als museum zelf aan onderzoek verrichten. Mensen moeten weten dat er nog steeds oorlogsslachtoffers worden gevonden en geïdentificeerd.”

De wisselexpositie ”Naam Onbekend” in het Airborne Museum in Oosterbeek is nog te zien tot en met eind februari. Meer informatie: airbornemuseum.nl.

Populaire artikelen