BuitenlandReportage

Voor deze Afrikanen is Europa ver weg: „Mensen die het halen, leiden een beroerd leven”

Ismael en Lamine uit Senegal. beeld Lex Rietman

Dakhla is niet alleen een opkomend vakantieoord. De Saharaanse havenstad is ook een pleisterplaats voor migratie naar Europa. Duizenden West-Afrikanen wachten er hun kans af om in een boot naar de Canarische Eilanden te stappen. Intussen werken ze onder erbarmelijke omstandigheden in de Atlantische boomtown.

Het is halfnegen ’s avonds. Op het industrieterrein van Dakhla, de voornaamste vishaven aan de Atlantische kust van de Westelijke Sahara, is het druk op straat. Voor een deel van de arbeiders in de visverwerkende industrie zit hun lange werkdag erop. Anderen gaan juist de nachtploeg in.

Dakhla is een stad van Arabieren en Berbers. Maar wie hier om zich heen kijkt, waant zich 1500 kilometer zuidelijker, in Senegal of Gambia. Het zijn bijna uitsluitend zwarte Afrikanen die de straten van het industrieterrein bevolken. Slechts weinig autochtonen willen in de visfabrieken werken. Een pick-uptruck rijdt voorbij. In de laadbak staan zeker twintig of dertig zwarte arbeiders dicht tegen elkaar opeengepakt. De associatie met veetransport is haast onvermijdelijk. Ze gaan een lange nacht tegemoet in de frigo’s, zoals de visfabrieken hier genoemd worden.

Even verderop staat een lange, magere en elegante jongeman. Hij blijkt Ayman te heten en komt uit Zuid-Sudan. Ayman is nu een maand in Dakhla. Hij vertelt hoe hij de oorlog in zijn land ontvluchtte en te voet in vier maanden Sudan, Libië, Tunesië, Algerije en Marokko doorkruiste, meer dan 5000 kilometer. Nu struint hij dagelijks het industrieterrein af op zoek naar werk.

Op een dag hoopt Ayman de oversteek naar Spanje te kunnen maken, „inshallah”. In een boot naar de Canarische Eilanden of over het grenshek van een van de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla in Noord-Marokko, dat weet hij nog niet. Maar eerst hier in Dakhla geld verdienen en sparen. De clandestiene oversteek kost 1300 euro, is hem verteld. Hij zal geduld moeten hebben, want het loon in de visfabrieken laat nauwelijks ruimte om te sparen.

Bureaucratische molen

Dakhla is een knooppunt voor migranten die naar Europa willen. Voor hen is de stad in de door Marokko bezette Westelijke Sahara niet alleen een mogelijk vertrekpunt van een lange en gevaarlijke bootreis naar de Canarische Eilanden. Het is ook een pleisterplaats voor degenen die op doorreis zijn om de sprong naar Europa te wagen vanuit een noordelijker gelegen kustplaats. Soms kan het verblijf in Dakhla lang duren. Zo lang dat de tussenstop steeds meer op een eindbestemming gaat lijken.

Lamine weet daar alles van. De 51-jarige Senegalees droomt van terugkeer naar Spanje, het land waar hij tien jaar woonde en werkte. Maar hij kan geen kant op. Door zijn rugklachten en ischias, opgelopen in de intensieve tuinbouw van Zuidoost-Spanje, kan hij niet werken en heeft hij geen geld.

Lamine kwam in een bizarre bureaucratische molen terecht

Op een plein in het hart van Dakhla vertelt Lamine zijn verhaal. Eind 2016 werd zijn paspoort gestolen in de Westelijke Sahara, op de terugweg naar Spanje na een bezoek aan zijn gezin in Senegal. Hij haalde een nieuw paspoort op de ambassade in Casablanca. Maar toen hij in Tanger op de veerbooot naar Spanje wilde stappen, was er een probleem. Het nieuwe paspoort had niet het vereiste inreisstempeltje van de Marokkaanse douane aan de Mauritaanse grens. Lamine kwam in een bizarre bureaucratische molen terecht, met als resultaat dat zijn geld opraakte en zijn verblijfsvergunning in Spanje verliep.

En zo zit Lamine nu al acht jaar vast in Dakhla. Hij overleeft dankzij de hulp van Senegalese vrienden. Soms klopt hij bij Cáritas aan, de katholieke hulporganisatie die humanitaire hulp aan migranten verleent. „Maar mijn echte probleem kunnen ze niet oplossen”, zegt hij. „En dat is terugkeren naar Spanje.” Hij klampt zich vast aan de gedachte dat hij er zonder problemen opnieuw een verblijfsvergunning zou krijgen. „In Spanje zouden al mijn problemen verdwijnen”, mijmert hij. „Dáár zijn goede artsen en kreeg ik goede medicijnen tegen mijn rugpijn. Dáár kan ik werken en geld naar mijn gezin in Senegal sturen.”

Halve kip

Niemand weet hoeveel migranten Dakhla telt. Statistieken zijn niet beschikbaar, maar volgens Amyra Hormatollah van de ondernemersclub CGEM gaat het om „aanzienlijke aantallen”. De stad groeit razendsnel, van 106.000 naar 165.000 inwoners in tien jaar. Dat brengt een grote vraag naar arbeidskrachten met zich mee. Sectoren als de bouw, de visverwerkende industrie en de intensieve tuinbouw zitten te springen om mensen. Het zijn voornamelijk migranten die dit zware en slechtbetaalde werk doen. Ze spelen een cruciale rol in de economie. Maar wie ziek of zwak is wordt zonder pardon gedumpt.

„Mensen die het gehaald hebben leiden daarna in Europa een beroerd leven”

Amede, migrant uit Ivoorkust

Dat er in Dakhla werk is gaat snel rond onder migranten. Velen worden aangetrokken door de mogelijkheid hier iets te verdienen en te sparen voor een plekje in een migrantenboot naar de Canarische Eilanden. Anderen lijken dat idee te hebben laten varen. Amede uit Ivoorkust is een van hen. „Te gevaarlijk”, zegt hij. „En te veel mensen die het wél gehaald hebben, leiden daarna in Europa een beroerd leven waarover ze niet de waarheid vertellen.”

Hij heeft ongetwijfeld een punt. Maar het leven in Dakhla blijkt ook niet eenvoudig. Amede werkt in een frigo, een visverwerkende fabriek. Twaalf uur per dag, zes dagen per week. Met overuren verdient hij omgerekend 350 euro per maand, een bedrag dat grotendeels opgeslokt wordt door de huur van 200 euro. Wat resteert is ontoereikend om zijn gezin, vrouw en baby van twee maanden, te onderhouden. In het restaurant waar we afgesproken hebben wil hij niets eten. In plaats daarvan vraagt hij of hij een halve kip mag bestellen om mee te nemen. Thuis hebben ze honger.

Het leven van migranten in Dakhla is zwaar, bevestigt ook Pablo Badia. Hij is directeur van Cáritas, de hulporganisatie die gevestigd is in de enige kerk die Dakhla heeft overgehouden aan de Spaanse koloniale tijd. En als enige organisatie in de stad biedt Cáritas humanitaire hulp aan migranten: voedselpakketten, medische zorg, kinderopvang en bemiddeling met de autoriteiten.

Zandkleurig gebouw.
Vanuit de enige kerk van Dakhla verleent hulporganisatie Cáritas bijstand aan migranten. beeld Lex Rietman

Besmettelijke ziekten

Jaarlijks melden zich tussen de 3000 en 5000 migranten bij Cáritas. Volgens Badia is dat slechts het topje van de ijsberg van degenen die hulp nodig hebben. „Daarom trekken we er ook op uit”, zegt hij. „Met ons medisch team bezoeken we bijvoorbeeld de visfabrieken. Een deel van het personeel woont in de fabriek waar ze werken. Ze maken lange dagen. Op de inpakafdelingen werken vrouwen veertien uur, staand en vrijwel zonder pauzes.” Wie niet in de fabriek woont, deelt gewoonlijk een kleine, overvolle en ongezonde woonruimte met andere migranten. Het zijn broeinesten van schurft en andere besmettelijke ziekten.

Man in zwarte kleding staat in een smalle straat tussen pastelgekleurde huizen.
Ismael (28) in de wijk waar hij een kleine woning zonder daglicht deelt met vijf Senegalese vrienden. beeld Lex Rietman

De lonen in de visverwerking variëren van 4 tot 10 euro per dag. In het toerisme is het niet beter. Ismael (28) uit Senegal verdient in een hotel 325 euro per maand. Daarvoor moet hij dag en nacht, zeven dagen per week beschikbaar zijn op de hotelreceptie en in het restaurant. Als het hotel niet vol is kan hij daar overnachten; anders moet hij uitwijken naar de minuscule, donkere tweekamerwoning die hij deelt met vijf Senegalese vrienden.

Wie een clandestiene bootreis overweegt kan daar beter over zwijgen

Ismael zegt dat hij er nooit over gedacht heeft naar Europa te gaan. „Op het moment dat ik dat wil, vraag ik een visum aan”, zegt hij. „En als ik geen visum krijg, blijf ik hier gewoon werken.” Maar even later zegt hij dat hij in de nabije toekomst „in een ander land” wil gaan wonen. Hoe en waar precies, dat laat hij liever in het midden.

Migratie ligt gevoelig bij de Marokkaanse autoriteiten in de bezette Westelijke Sahara. De meeste migranten zijn voorzichtig. Wie een clandestiene bootreis overweegt, kan daar beter over zwijgen. Over hun behandeling door de overheid wil bijna niemand iets zeggen, hooguit op voorwaarde van anonimiteit. Er zijn berichten over razzia’s, migranten die ’s nachts door de politie afgevoerd worden. Deze harde aanpak vindt echter vooral plaats in en om Laayoune. De Saharaanse hoofdstad ligt ruim 500 kilometer noordelijker, veel dichter bij de Canarische Eilanden en daarom geschikter als vertrekplaats van migrantenboten.

Hernia

In Dakhla kunnen migranten zich min of meer vrij bewegen, of ze nu papieren hebben of niet. Vooral Senegalezen, de talrijkste Subsaharaanse gemeenschap, wonen en werken hier zonder dat de overheid ze al te veel in de weg zit. Ze kunnen probleemloos naar Dakhla reizen, want ze zijn hard nodig in de fabrieken, de tomaten- en aardbeienteelt, de restaurants en de hotels. En ze nemen genoegen met een laag loon.

Twee mannen zitten op een betonnen bankje in de schaduw. 
Ibrahim (l) uit Senegal wacht op klanten om hun auto’s te wassen. Zijn vriend Lamine is arbeidsongeschikt en houdt hem gezelschap. beeld Lex Rietman

Bovendien heeft Marokko ook een politiek belang bij de aanwezigheid van een talrijke migrantenbevolking die bij de eerste de beste gelegenheid in een boot naar Spanje wil stappen. Het geeft Rabat een belangrijke troef in handen bij spanningen met Europa. De recente geschiedenis heeft het keer op keer laten zien: als de Marokkanen besluiten de migratiekraan open te zetten door controles tegen de clandestiene migratie vanaf hun grondgebied op te heffen, haalt Europa snel bakzeil. Het is de prijs die de Europese Unie betaalt voor het uitbesteden van de controles aan de buitengrenzen. Migranten zijn het wisselgeld.

„Vroeger kocht ik alles wat mijn kinderen maar wensten; ik schaam me vreselijk”

Lamine, gestrand in Dakhla

Lamine neemt me mee naar de plek waar hij overnacht. Hij sleept zijn rijzige gestalte met moeite voort, zijn hernia breekt hem op. Gelukkig is het niet ver. Het slot op de ijzeren voordeur bestaat uit een touwtje aan een spijker. We betreden het betonnen karkas van een half afgebouwde flat zonder ruiten, zonder water en stroom, zonder wc. Lamine bivakkeert hier nu al twee jaar, samen met twee Gambiaanse vrienden. Zijn ruimte is afgescheiden van de rest met een stukje karton. Een matrasje op de grond, een paar koffers en wat kleren die aan een koord hangen, dat is alles.

Lamine schaamt zich. Niet voor zijn huisvesting, maar omdat hij geen geld kan sturen naar zijn vrouw en kinderen in Senegal. Eind 2016 zag hij ze voor het laatst. Zijn dochtertje was toen zes, zijn zoontje vier. Soms spreekt hij ze maandenlang niet, want hij heeft geen telefoon en geen geld om te bellen. Het knaagt aan hem. „Vroeger kocht ik alles wat ze maar wensten. Ik schaam me vreselijk.”

Populaire artikelen