Meditatie: Verootmoediging
„Hebt Gij dan Juda ganselijk verworpen? Heeft Uw ziel een walging aan Sion? Waarom hebt Gij ons geslagen, dat er geen genezing voor ons is?”
Jeremia 14:19
Dat is de troost voor arme zondaars: als zij zien hoe verward zij zijn, wat blijft er dan nog in God over? Ziet, hoe God ons tot Zich trekt en zegt: Ik heb reden om barmhartig te zijn jegens u, wanneer u zegt dat Ik het doe om Mijns Naams wil. Ik zal Mijn gunsten over u uitspreiden, maar u moet helemaal niet denken dat Ik u iets schuldig ben; u moet u alleen maar naar Mij richten. Zo moet dan ieder deze troost overdenken, waar de mond deze niet kan verklaren, vooral wanneer het op de praktijk aankomt. Als wij onze zonden voor ogen hebben en daardoor verontrust zijn, laten wij dan op God zien Die zegt: Hoewel er in u niets is dan zonde, zo zal Ik Mij toch door Mijne goedheid laten opwekken om die aan u te bewijzen, hoewel Ik beledigd ben. En Ik zal niet aflaten om u barmhartigheid te bewijzen, wanneer gij Mij door Mijn Naam zult zoeken. Wanneer God ons nu Zijn goedheid verklaart, zo hebben wij stof om tot Hem te komen, hoewel onze zonden ons zo verschrikken dat wij niet weten hoe wij komen zullen. Laten wij volgens deze heilige leer ons voor het aangezicht van onze goede God terneerwerpen, Hem biddend dat Hij niet toelaat dat wij zo verblind worden door onze zonden niet te kennen.
Johannes Calvijn,
reformator te Genève
(”27 preken over Jeremia 14-18”)
- Meer over
- Meditatie




