Kraamkamer van het Veluwse bos

Jarenlang was de Rijkszaadeest in Stroe de kraamkamer van de Veluwe. Uit dennenappels werd zaad gewonnen voor de aanleg van een groot deel van de Veluwse bossen. In het rijksmonument is nu een bosbouwmuseum ingericht.

De Rijkszaadeest in Stroe. beeld RD, Anton Dommerholt

Eesten is een oud Nederlands woord voor drogen op een verhitte vloer. „In kruiswoordraadsels wordt er soms naar gevraagd”, zegt Willem van Westerneng. Niet iedereen zal het woord direct paraat hebben. Van Westerneng wel. Als vrijwilliger van de Stichting Vrienden van de Rijkszaadeest Stroe demonstreert hij graag hoe dat eesten in zijn werk ging. „De meeste dennen op de Veluwe komen hier vandaan. Ze begonnen als zaadje bij de Rijkszaadeest.”

Het eesten was een belangrijk onderdeel van de bosbouw in Nederland, een bedrijfstak die in de tweede helft van de negentiende eeuw op gang kwam. Er was toen grote vraag naar hout, voor onder meer brandstof en vooral de mijnbouw. Daarnaast moest bos worden aangeplant om zandverstuivingen, met name op de Veluwe en in de duinstreken, een halt toe te roepen. Daarvoor waren zaden nodig. De grove den, die uitstekend gedijt op voedselarme gronden, werd daarvoor bijzonder geschikt bevonden. „Met de zaden van deze inheemse soort werden kwalitatief goede naaldbossen verkregen, die snel groeiden, in korte tijd kaprijp waren en goed hout opleverden”, schreef architectuurhistoricus Meta A. Prins-Schimmel in een artikel over de Rijkszaadeest in het Jaarboek Monumentenzorg 1996.

Station

Aanvankelijk werden dennenkegels, die in de winter geoogst waren, in het voorjaar en de zomer uitgelegd op stenen vloeren. Daar warmden ze op in de zon, waardoor de schubben open gingen staan en de zaden ertussenuit konden vallen. Ook werden kegels boven op ovens van bakkerijen opgewarmd. Om de productie te vergroten en niet afhankelijk te zijn van het weer en de beperkte capaciteit van de bakkersovens in de omgeving, besloot Staatsbos­beheer de Rijkszaadeest op te richten, een gebouw waarin bedrijfsmatig grotere hoeveelheden dennenzaad gewonnen zouden kunnen worden.

„Als meest geschikte locatie kwam Stroe in aanmerking”, aldus Prins-Schimmel. „Het dorpje lag aan de rand van de Veluwe en had in 1881 een station gekregen aan de nieuwe spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn. Transport van zaden en kegels hoefde geen problemen te geven. In deze omgeving waren al dennenbossen, zodat men er zeker van kon zijn dat er dennenkegels geplukt konden worden. Bovendien moesten in deze streken nog vele hectaren woeste grond bebost worden.”

Woning met schuur onder bomen en achter een toegangshek
De Rijkszaadeest in Stroe.  beeld RD, Anton Dommerholt

Verenigde Staten

De zaadeest werd eind 1912 in gebruik genomen. Ernaast werd een kegelschuur gebouwd voor de opslag van kegels en zaden. In 1926 werd het complex uitgebreid met een tweede schuur. De dennenkegels werden er soms maandenlang bewaard, totdat ze werden geëest. De wind kon van alle kanten door de schuren waaien, waardoor de kegels in vorm bleven en niet beschimmelden of verrotten. Van Westerneng: „Uiteindelijk werden er zelfs zaden geëxporteerd naar houtlanden als Zweden, Canada en de Verenigde Staten.”

In 1989 werd de Rijkszaadeest voor het laatst gebruikt. Vrijwilliger Joost van Veldhuizen: „Het laatste decennium was de zaadeest maar minimaal in bedrijf. Met de volle productie was men midden jaren zeventig al gestopt.” Eesten voor bosaanplant was niet meer rendabel. In de loop van de tijd waren andere methoden van bebossing in zwang gekomen. Het telen van bossen door zaad was vervangen door aanplanting van jonge boompjes of door natuurlijke verjonging. Uit op de grond gevallen zaad van dennenappels van bestaande bomen groeien nieuwe boompjes.

Er waren meer zaadeesten in Nederland, maar de Rijkszaadeest in Stroe is de enige die in originele staat is overgebleven. Zowel de zaadeest als de kegelschuren zijn aangewezen als rijksmonument. Architectuurhistoricus Prins-Schimmel noemde de Rijkszaadeest eind vorige eeuw „een uniek industrieel monument”. „Het bedrijfsgebouw vormt een hoofdstuk in de bosbouwgeschiedenis dat niet alleen karakteristiek is voor de periode van zijn ontstaan, maar bovendien een productieproces kent dat in vergetelheid dreigt te geraken. Het bedrijf werd opgericht om fabrieksmatig een zo groot mogelijke hoeveelheid zaden uit dennenkegels te eesten voor bosaanleg via een nieuwe warmtebron: een centraal - door buizen geleid - warmwatersysteem.”

Administratie

In 2012 kregen vrijwilligers uit Stroe de sleutel van de Rijkszaadeest van eigenaar Staatsbosbeheer. „In de tussentijd waren de gebouwen alleen wind- en waterdicht gemaakt”, aldus Van Westerneng. „Toen we binnenstapten, leek het alsof de tijd had stilgestaan. Alles lag er nog: de potloden, de paklijsten, de agenda’s, de hele administratie.”

Plannen voor een bosbouwmuseum in het pand van de Rijkszaadeest waren er bij de vrijwilligers al meteen. Overleg met Staatsbosbeheer, de provincie en de gemeente en planologische procedures kostten veel tijd, maar nu opent het museum eindelijk zijn deuren. „De Rijkszaadeest staat er nog en alles werkt weer. We eesten op kleine schaal om het proces te kunnen laten zien. We zijn blije mensen”, zegt Van Westerneng.

Rondleidingen werden er soms al wel gegeven, onder meer op Open Monumentendagen. „Schoolklassen, passerende fietsers, natuurorganisaties en Rotaryclubs namen reeds een kijkje”, vertelt de Stroese vrijwilliger. „Prachtig erfgoed! Mooi in stand gehouden” en „Nooit geweten en gehoord over dit verhaal van de dennenappel. Zeer interessant”, schreven bezoekers in het gastenboek.

Dennenappels
Een grote verzameling dennenappels bij de Rijkszaadeest in Stroe.  beeld RD, Anton Dommerholt

Radiozender

Henk van den Brink is één van de rondleiders. „Ook de helft van de Stroeënaren weet niet of nauwelijks wat hier gebeurde. Ze rijden vaak voorbij, zien wel het woord ‘Rijkszaadeest’ aan de weg, maar het zegt hen niets. Een jaar of zes geleden kwam ik vanuit Barneveld in het dorp wonen. Ik wist het ook niet, terwijl ik hier vaak met mijn hond langsliep. Op een keer sprak een andere vrijwilliger, m’n buurman, me aan: „Kom erbij.” Dat heb ik gedaan.”

Het eesten duurt een volle week, legt Van den Brink uit. „Het warmtesysteem heeft veel weg van de latere centrale verwarming. Voor het drogen in de oven is een vrij constante temperatuur nodig van zo’n 45 à 50 graden. Je moet eerst kalm opstoken, zodat de vleugeltjes van de kegels opengaan. Daarna moeten de zaden weer afkoelen. Wordt het te warm, dan gaat het zaad overstuur. In een molen worden de zaden vervolgens uit de kegels geslingerd.” Van Westerneng: „Per kegel komen er ongeveer vijftig zaden vrij. De kegels werden in de winter verzameld, het liefst zelfs aan het einde van de winter: dan is de kiemkracht van de zaden het sterkst.”

Zaden van de grove den waren het voornaamste product van de Stroese zaadeest. Van Veldhuizen: „Maar er zijn ook douglaskegels en kegels van de fijnspar gedroogd. En er is getest met Japanse lariks en lariks uit de Alpen. Bij de zaadeest hoort ook vijf hectare bos met proefvakken. Daar staan alle naaldhoutsoorten die in Nederland zijn aangeplant. We willen er in de toekomst met bezoekers doorheen lopen, als we dat terrein een beetje in de oude staat hebben teruggebracht.”

Een bijzonder verhaal voor de rondleiders betreft de Tweede Wereldoorlog. Van Westerneng: „In de kelder van de tweede kegelschuur was een radiozender verborgen. Die kon niet alleen Radio Oranje ontvangen, er werd ook mee gecommuniceerd naar Engeland. Leuk om dat er tijdens rondleidingen bij te vertellen.”

Populaire artikelen