BinnenlandInterview

Burgers die reanimeren: „Na een melding ga je gewoon”

Angst houdt een grote groep Nederlanders tegen om te reanimeren, blijkt uit onderzoek van de Hartstichting deze week. Twee burgerhulpverleners vertellen hun ervaring met pogingen om de hartslag te herstellen.

Twee handen duwen op de borst van een witte pop.
„Als de adrenaline is gezakt, kan ik de gebeurtenis rond de reanimatie vrij snel loslaten”, vertelt burgerhulpverlener Jan-Bart Verheij. beeld ANP, Sem van der Wal

Jan-Bart Verheij (22): „Als iemand echt reanimatie nodig heeft, kan je niks verkeerds doen”

„Ik ben zo’n twee jaar actief als burgerhulpverlener. Gemiddeld krijg ik maandelijks één reanimatiemelding; bij een stuk of tien gevallen ben ik ter plaatse geweest. Een aantal keren arriveerde ik als eerste, waardoor ik ook daadwerkelijk moest reanimeren tot het ambulancepersoneel het overnam.

Jongeman met groene jas in bos
Voor Jan-Bart Verheij (22) was het vanzelfsprekend om zich aan te melden als burgerhulpverlener na het behalen van zijn reanimatiecertificaat. beeld Jan-Bart Verheij

Na een reanimatie zit ik meestal nog vol adrenaline. Is die eenmaal gezakt, dan kan ik de gebeurtenis vrij snel loslaten. Als je er nog lang last van zou hebben, moet je je eerlijk afvragen of je wel een geschikte burgerhulpverlener bent. Enige nuchterheid is hierin wel prettig; je hebt gedaan wat je kunt. Zelfs als de afloop niet goed is, zijn familieleden je dankbaar.

Als burgerhulpverlener lukt het niet om naar elke reanimatiemelding te gaan. De keren dat je kunt, zijn mooi meegenomen. Bovendien wordt er een melding verzonden naar meerdere hulpverleners en hangt een reanimatie dus niet alleen van mij af.

Wel of niet reanimeren

Dat je als burgerhulpverlener nooit hoofdverantwoordelijk bent bij een reanimatie, neemt bepaalde druk bij me weg. Ik herinner me bijvoorbeeld een reanimatie waarbij veel omstanders aanwezig waren. Iemand die het slachtoffer kende, gaf aan dat die niet gereanimeerd wilde worden, terwijl anderen juist aanmoedigden om door te gaan. Op advies van het later gearriveerde ambulancepersoneel ging ik door, maar achteraf bleek inderdaad dat de persoon in kwestie geen reanimatie wilde. Omdat het ambulancepersoneel hoofdverantwoordelijk is, hoef ik me dan niet te verantwoorden.

Toch kan ik me wel voorstellen dat mensen met een reanimatiecertifciaat een drempel ervaren om zich aan te melden als burgerhulpverlener. Je hebt immers wel een reanimatieplicht als je in de gelegenheid bent. Aan de andere kant loopt het gegarandeerd slecht af als iemand niet op tijd gereanimeerd wordt. Een burgerhulpverlener kan de situatie dus niet slechter maken, maar juist alleen maar beter.”


Jurrian van der Hel (30) uit Sliedrecht reanimeerde zo’n 50 keer

„Ongeveer een jaar geleden kwam ik na een avonddienst als verpleegkundige thuis. Om half twee ’s nachts kreeg ik een reanimatieoproep. Toen was ik heel snel ter plaatse met een andere burgerhulpverlener. Een vrouw was in elkaar gezakt; haar echtgenoot stond ernaast. We hebben toen gereanimeerd. Daarna kwam de politie al vlug om ook een deel van de reanimatie over te nemen. Ondertussen vroegen we de echtgenoot of de vrouw overdag al klachten had gehad. Dat bleek inderdaad zo te zijn.

„Als het hart weer klopt, is dat waar je voor komt”

Jurrian van der Hel, burgerhulpverlener

Vervolgens nam de ambulancedienst bij aankomst de reanimatie over en vervoerde ze de vrouw, met hartslag, naar het ziekenhuis. Eigenlijk verliep die reanimatie best rustig. Wel gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het meer uitzondering dan regel is als de hartslag na een reanimatie terugkeert. Maar als het hart weer klopt en iemand blijft leven, is dat waar je voor komt. Dat geeft veel voldoening.

Half twee ’s nachts

Als burgerhulpverlener neem je niets mee als je een oproep via de app HartslagNu krijgt. Je weet de locatie. Ter plaatse heb je een AED (automatische externe defibrillator) tot je beschikking.

Na een melding via HartslagNu ga je gewoon. Mijn adrenaline gaat dan omhoog. Van de 84 oproepen die ik kreeg, reanimeerde ik zo’n vijftig keer. De app geeft aan of ik direct naar het adres moet of eerst in de buurt een AED moet halen.

Een man in een blauw pak met rode stropdas en een bril. 
Jurrian van der Hel (30) kwam na een melding van HartslagNu zo’n 50 keer in actie om te reanimeren. beeld Jurrian van der Hel

Die AED is van levensbelang. Bij een fibrillerend hart, waarbij het hart in een onregelmatig ritme pompt, is er met een schok van het apparaat kans dat het hart zich herstelt en weer een normaal ritme krijgt. Bij die reanimaties heb je echt wel kans van slagen. Die kans is bij een flatline, een hartstilstand, heel klein.

Met een minuut of drie ben ik op locatie. Het slachtoffer bevindt zich in een straal van 1 kilometer bij je vandaan. In de app geef je daarvoor dagelijks aan dat je locatie via de gps in je telefoon gevolgd mag worden. Als je dat vergeet, word je gealarmeerd op basis van je thuis- en werkadres.

Na die nachtelijke reanimatie van een jaar geleden kwam ik een uurtje later thuis. Mijn vrouw en kinderen sliepen gewoon en hadden niets meegekregen. Dan ga je naar bed met het idee: ik heb op dit moment het verschil kunnen maken.

Wakker liggen

Leren reanimeren kan iedereen. Als je je nog niet vertrouwd voelt, ga dan eerst eens bij een reanimatie kijken. Echt reanimeren is echt anders dan op een pop tijdens een training, door de hectiek en omdat je misschien iemands ribben breekt. De eerste keer dat je dat doet, blijft het je bij.

Ik stelde mijn collega’s, allemaal zorgprofessionals, weleens voor: meld je ook aan als burgerhulpverlener. Ik kan het niet goed, zeiden ze, of ik ben bang er wakker van te gaan liggen. Dan denk ik: stel dat mij iets overkomt, en mijn vrouw belt 112, dan ben ik dankbaar dat er binnen twee minuten mensen staan. Als je niet reanimeert, overlijdt iemand waarschijnlijk sowieso.

Ja, je kunt het verkeerd doen. Te laag, te hoog of niet diep genoeg. Je breekt het een en ander. Toch is alles beter dan niets doen. Je kunt echt iets voor je naaste betekenen.”