Kerk en Godsdienst8 maart 2001

Atlas van de gereformeerde gezindte

Nog niet zo lang geleden belde iemand (een domineeszoon nog wel) naar de redactie van het RD met de vraag uit hoeveel mensen de gereformeerde gezindte bestond. Hij had dat nodig voor commerciële activiteiten. Het antwoord op die vraag was een tegenvraag: Welke gereformeerde gezindte zou u gehad willen hebben? Pas als daarover duidelijkheid bestond, was het zinvol een raming te maken van de aantallen.

Door J. R. A. Dekker en dr. C. S. L. Janse
De naam gereformeerd dekt niet altijd dezelfde lading. Geen wonder dat de buitenwereld er geen touw aan vast kan knopen en ook in eigen kring velen het allemaal zo scherp niet meer zien. Dat maakt het temeer van belang om de gereformeerde gezindte in kaart te brengen.

Naast het onderscheid tussen de gereformeerden in en de gereformeerden buiten de Hervormde Kerk, kan men de gezindte in navolging van de hoogleraren Dekker (VU) en Peters (Nijmegen) op twee andere dimensies indelen, te weten orthodoxie en bevindelijkheid.

Op de orthodoxiedimensie staan de modern gereformeerden tegenover de orthodoxen. Niet zonder reden beschouwen Dekker en Peters de Gereformeerde Kerken bij uitstek als modern gereformeerd. Maar ook daarbuiten is er een ontwikkeling in die richting gaande.

In hervormd-gereformeerde kring, bij Nederlands gereformeerden, christelijke gereformeerden en (in mindere mate) bij de vrijgemaakten is de laatste jaren duidelijk sprake van een onderstroom die de klassiek gereformeerde schriftbeschouwing te strak vindt. Mede als gevolg daarvan voelt een aantal wel voor de vrouw in het ambt en willen sommigen ruimte bieden voor homoseksuele relaties. De binding aan de belijdenis moet losser. Met name met de leer van de dubbele predestinatie uit de Dordtse Leerregels en met de voorzienigheidsleer uit de Heidelbergse Catechismus kunnen zij niet uit de voeten. Ook met de besteding van de zondag gaat men gemakkelijker om. Vandaar dat de tweede kerkdienst duidelijk onder druk staat.

Was in de Gereformeerde Kerken in het laatste kwart van de vorige eeuw de situatie zo dat de modern gereformeerden de toon aangaven en de orthodox gereformeerden een uitstervende minderheid waren, in andere delen van de gereformeerde gezindte is dat zeker niet het geval. Maar er is wel een opmars van moderne ideeën, waarbij zeker ten aanzien van de schriftbeschouwing de indruk bestaat dat lang niet alle predikanten op de preekstoel het achterste van hun tong laten zien.

Wat valt te zeggen van de andere door Dekker en Peters onderscheiden dimensie, die van de bevindelijkheid? Onmiskenbaar loopt de tegenstelling tussen de bevindelijke en de niet-bevindelijke richting, tussen een meer voorwerpelijke en een meer onderwerpelijke prediking sinds jaar en dag door de gereformeerde gezindte. Het heterogene karakter van de Christelijke Gereformeerde Kerken hangt daar voor een belangrijk deel mee samen. De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) legden, zeker in het verleden, sterk de nadruk op hun binding aan de belijdenis. Toch was het geestelijk klimaat er volstrekt anders dan bij de Gereformeerde Gemeenten.

Het gaat hier om een complex geheel van verschilpunten en benaderingswijzen die heel het kerkelijk en geestelijk leven doortrekken. Tegenovergestelde visies op gemeente, prediking, verbond, doop, avondmaal, belijdenis doen, geloof en bekering botsen hier op elkaar. Daarbij worden ook allerlei tussenposities ingenomen.

Beschouwt men de gemeente als een gemeente van gelovigen of geldt hier veeleer het neen, tenzij? Acht men het noodzakelijk onderscheidend te preken, of is men wars van een dergelijke classificatiemethode? Weet men van tweeërlei kinderen des verbonds of wil men die gedachte niet als uitgangspunt nemen voor zijn verbondsbeschouwing?

Worden de gedoopte kinderen opgewekt om voortaan als kinderen van God te leven of moeten zij primair worden opgeroepen tot bekering, omdat zij ondanks hun doop van nature vijanden van God zijn? Is er sprake van een massale avondmaalsgang, waarbij het zich een oordeel eten en drinken niet veel meer dan een theoretische mogelijkheid is? Of draagt de voorbereidingspreek het karakter van een nauwgezet onderzoek naar de kenmerken van de godvruchtige avondmaalsganger, waaraan lang niet alle gemeenteleden blijken te voldoen? Ziet men het doen van openbare belijdenis vooral in het verlengde van de doop, of legt men een nauwe band met het deelnemen aan het avondmaal?

Weet men van het onderscheid tussen het waar zaligmakend geloof en een historisch geloof, waarbij de bevindelijke kennis van de drie stukken uit de catechismus ontbreekt, of is men afkerig van een dergelijk graven in zichzelf? Gaat in de waarachtige bekering de kennis der ellende voorop of ziet men dat als een verwerpelijk schema dat tekortdoet aan de vrijheid van de Geest?

Met deze verschillen in leer gaan ook allerlei verschillen in levenswandel gepaard. Een schriftuurlijke visie op geloof en bekering hangt vrijwel altijd samen met strikte normen inzake zondagsbesteding, uiterlijk, amusement, huwelijksmoraal etc. Bij een ruimhartiger visie kan er meestal ook op ethisch gebied meer mee door. Waarbij er (helaas) in alle gevallen een aanzienlijke discrepantie kan zijn tussen de officiële normen en de feitelijke levenswandel van de gemeenteleden.

Bezien we de ontwikkelingen in de gereformeerde gezindte op deze dimensie, dan valt (met allerlei uitzonderingen) een verschraling van het geestelijk leven waar te nemen. Weliswaar is er meer dan vroeger sprake van geloofsvrijmoedigheid en geloofsenthousiasme, veelal onder invloed van de evangelische beweging. Maar wie weet heeft van het grote verschil tussen geestelijk leven met een kleine g en met een grote G, kan daar niet enthousiast over zijn.

Een toename van het aantal avondmaalsgangers gaat helaas in tal van gevallen samen met een terugloop van de kerkgang en een verwereldlijking van het levenspatroon. De avondmaalstafels worden voller en de middagdiensten worden leger, zo werd een aantal jaren geleden met leedwezen in hervormd-gereformeerde kring geconstateerd. Ook elders doet zich dat verschijnsel voor. Een zeer geringe avondmaalsdeelname wijst echter ook op een ingezonken geestelijk leven en kan moeilijk als een kenmerk van het ware worden gezien.

Nederlands Gereformeerde Kerken

Nederlands Hervormde Kerk

Gereformeerde Kerken in Nederland

Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt)

Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland

Gereformeerde Gemeenten

Gereformeerde Gemeenten in Nederland

Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland

Nederlands Gereformeerde Kerken

Al spoedig na de Vrijmaking in 1944 vond binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) een toenemend aantal ambtsdragers en gemeenteleden dat er voldoende ruimte was om met de Gereformeerde Kerken (synodaal) te spreken over de breuk van 1944 (Vrijmaking) en over een eventuele hereniging. Dit leidde tot allerlei controverses. Ds. A. van der Ziel, voorstander van toenadering tot de synodaal gereformeerden, werd geschorst en afgezet. De in 1966 betuigde adhesie van een groep kerkleden (open brief) leidde tot een escalatie op de vrijgemaakte synode van Hoogeveen. Bijna honderd plaatselijke kerken raakten door deze kwestie verdeeld of raakten geheel buiten het kerkverband. Deze groep vrijgemaakten groepeerde zich in 1969 en werd ”buitenverbanders” genoemd. In 1979 namen ze de naam Nederlands Gereformeerde Kerken aan.

Omdat er binnen de NGK de nodige vrees is voor een al te strak georganiseerd kerkelijk leven, is er grote beduchtheid voor overkoepelende kerkelijke organen die in het kerkelijke leven de dienst gaan uitmaken. Dat is ook de reden waarom de NGK geen synode maar een zogenaamde Landelijke Vergadering kennen, die geringe bevoegdheden heeft.

De losse organisatiestructuur brengt met zich mee dat binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken opmerkelijke verschillen zijn. Bepaalde Nederlands gereformeerde kerken zijn vrij traditioneel gereformeerd. Maar er zijn er ook die zeer losjes georganiseerd zijn, zoals bijvoorbeeld in de evangelische beweging het geval is. Ook in leerstellig opzicht zijn de onderlinge verschillen tussen plaatselijke kerken groot. Waar de ene predikant uitgaat van een gereformeerde schriftvisie, gaat een ander heel ver mee met de schriftkritische bijbelwetenschap.

De regels en afspraken die nodig zijn voor het contact met andere Nederlands Gereformeerde Kerken zijn vastgelegd in het zogenaamde Akkoord van Kerkelijk Samenleven, een soort kerkorde.

Op plaatselijk niveau zijn er samensprekingen met gereformeerd vrijgemaakte en christelijke gereformeerde kerken. Er zijn zeven Nederlands gereformeerde kerken die met evenzoveel christelijke gereformeerde kerken een samenwerkingsgemeente vormen.

Nederlandse Hervormde Kerk

De Nederlandse Hervormde Kerk (NHK) is globaal genomen te verdelen in vier stromingen: vrijzinnigen, midden-orthodoxen, confessionelen en hervormd-gereformeerden. De laatste twee groepen horen bij de gereformeerde gezindte.

De hervormd-gereformeerden zijn binnen de NHK getalsmatig van steeds grotere betekenis geworden. Uit een Kaski-rapport van enkele jaren geleden blijkt dat 50 procent van alle bezoekers van een hervormde zondagochtenddienst hervormd-gereformeerd is. Wat de avonddienst betreft, is dat zelfs 80 procent.

Tot de hervormd-gereformeerde richting rekenen zich ongeveer 675 predikanten (van wie 400 dienstdoend) en 475 (wijk)gemeenten. Van deze gemeenten zijn circa 450.000 mensen lid. De overgrote meerderheid van hen weet zich verbonden met de Gereformeerde Bond (GB) in de Nederlandse Hervormde Kerk. Deze vereniging, die in 1906 werd opgericht, kreeg drie jaar later als doel de „verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandse Hervormde (Gereformeerde) Kerk.” Het wekelijkse orgaan heet De Waarheidsvriend. Bij de GB staan ongeveer 9500 personen als lid ingeschreven.

Aan de rechterzijde van de hervormd-gereformeerde richting bevinden zich de sympathisanten van ”Het gekrookte riet”, een tweewekelijks blad dat in 1981 is gestart. De meeste abonnees zijn geen lid van de GB. Een deel staat echter ondanks kritische geluiden wel in Huizen als lid genoteerd.

De GB heeft altijd diverse stromingen gekend. Zo waren er zogenaamde delers (onder anderen dr. H. Visscher), die het liefst het gereformeerde deel binnen de NHK wilden lospellen zonder die kerk te verlaten. Daartegenover stonden de helers (onder anderen ds. M. van Grieken), die niets van een zogenaamde binnenkerkelijke afscheiding wilden weten.

Ook is in hervormd-gereformeerde kring van meet af aan qua prediking zowel een bevindelijke als een meer voorwerpelijke lijn te ontdekken. Gesproken wordt wel van een orthodoxe en een bevindelijke vleugel.

Vooral in de jaren zeventig maakte de GB een snelle groei door. Er kwam een voltijds algemeen secretaris in de persoon van ir. J. van der Graaf. De stem van de Bond werd binnen de kerk luider en duidelijker. Desondanks gaat het Samen-op-Wegproces, ondanks jarenlange protesten uit GB-kring, voort; zij het vertraagd.

De komende vijf tot tien jaar zullen voor de hervormd-gereformeerden cruciaal zijn. Wat zal er gebeuren als de kerkvereniging met gereformeerden en luthersen haar beslag krijgt? Het hoofdbestuur van de Bond heeft uitgesproken ook in de nieuwe verenigde kerk aanspreekbaar te blijven op de gereformeerde belijdenis. Het roept gemeenten op hun post niet te verlaten. Het Comité tot Behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk en de redactie van het blad ”Het gekrookte riet” stellen dat zij die meegaan met het SoW-proces zich afscheiden. Onder hervormd-gereformeerden leeft de vrees dat diverse gemeenten zullen scheuren als de kerkfusie een feit wordt.

Ook de confessionelen in de Hervormde Kerk hebben een eigen organisatie: de Confessionele Vereniging (CV). Deze werd in 1864 door onder anderen Groen van Prinsterer opgericht. In haar beginperiode beschouwde de CV de onvoorwaardelijke handhaving van de binding aan Schrift en belijdenis, met daaraan verbonden de leertucht, als de enige weg tot herstel van de NHK. Onder leiding van Ph. J. Hoedemaker legde de CV meer de nadruk op reorganisatie van de kerk.

Hoewel met de kerkorde van 1951 die reorganisatie voor een groot deel vorm kreeg, blijft de CV het belangrijk vinden om de NHK te wijzen op Schrift en confessie. Tegenover Samen op Weg staan de confessionelen positief, hoewel ze voor een kerkfusie momenteel de tijd nog niet rijp achten.

Confessionele predikanten laten tijdens de kerkdiensten behalve psalmen ook gezangen zingen. Ook hebben de meeste confessionele gemeenten geen moeite met de vrouw in het ambt.

De CV heeft 3350 leden. Onder hen zijn 326 predikanten, van wie184 dienstdoend. Zo'n 180 gemeenten (330.000 hervormden) weten zich verwant met de CV. Confessionelen zijn in veel mindere mate georganiseerd dan hervormd-gereformeerden.

Gereformeerde Kerken in Nederland

In de eerste helft van de 20e eeuw waren het de Gereformeerde Kerken die in hoge mate het gezicht van de gereformeerde gezindte bepaalden. Publicaties uit die kring vonden ook bij andere gereformeerden gretig aftrek. Inmiddels staan de Gereformeerde Kerken op het punt samen te gaan met de Hervormde en de Evangelisch-Lutherse Kerk. Met het woord ”gereformeerd” hebben de meeste synodaal gereformeerden geen affiniteit meer. Ook de buitenwereld weet inmiddels wel dat de hedendaagse Gereformeerde Kerken sterk verschillen met die van vijftig jaar geleden.

Na de Vrijmaking van 1944 gingen de GKN gedesillusioneerd de periode van na de Tweede Wereldoorlog in. De Vrijmaking kostte de GKN zo'n 10 procent van hun leden. In de loop van de jaren zestig veranderden de gereformeerde opvattingen over het schriftgezag, de functie van de belijdenisgeschriften en de doelstellingen van evangelisatie en diaconaat. Sprak in 1926 (kwestie-Geelkerken) de synode van Assen nog uit dat de slang in het paradijs echt gesproken had, in 1967 volgde het synodebesluit dat desbetreffende uitspraak niet langer in de kerken zou gelden.

Een andere belangrijke kwestie speelde zich in de jaren zeventig af rond dr. H. Wiersinga. Deze had bezwaren tegen de traditionele verzoeningsleer. Van de zijde van de synode volgde echter geen tuchtprocedure. Het rapport ”God met ons” over het schriftgezag maakte in 1981 duidelijk dat de GKN niet langer een pleidooi voeren voor de onfeilbaarheid van de Schrift in de zin van foutloosheid. Publicaties van de vrijzinnige gereformeerde theoloog dr. H. M. Kuitert vinden in de eigen kerken en daarbuiten gretig aftrek. Godsdienstsocioloog dr. G. Dekker beschreef de ontwikkelingen in de GKN na de Tweede Wereldoorlog in een boek met de veelzeggende titel ”De stille revolutie”. De GKN zijn steeds meer gaan lijken op de pluriforme Hervormde Kerk.

Van recente datum is de zogenaamde kwestie-Den Heyer. De hoogleraar Nieuwe Testament uit Kampen stelde in een boek de traditioneel-gereformeerde opvattingen over de verzoening ter discussie. Desalniettemin sprak de synode uit dat hij met zijn geschrift binnen de grenzen van het ondertekeningsformulier voor hoogleraren is gebleven. Intussen zijn tegen dit besluit vijftig revisieverzoeken ingediend.

Fel gekant tegen de aantasting van het gezag van Schrift en belijdenis is het Confessioneel Gereformeerd Beraad (CGB). Met name sinds de kwestie-Den Heyer doet deze groep van zich spreken. Het CGB staat in nauw contact met de Confessionele Vereniging. Ook met de Gereformeerde Bond is regelmatig overleg.

Het CGB heeft ongeveer 4000 leden, onder wie 210 predikanten. Ongeveer honderd gereformeerde kerken worden door het CGB als ”confessioneel” gezien. Volgens schattingen van het beraad zou ongeveer eenderde van de gereformeerde kerkgangers met het CGB sympathiseren. Hoewel het beraad nooit een modaliteit heeft willen zijn, denkt het zich de komende tijd toch sterk in die richting te ontwikkelen.

Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt)

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) hebben een bewogen geschiedenis achter de rug. De Vrijmaking van 1944/45 was voor Nederland het grootste kerkelijke conflict van de 20e eeuw. Ze vond plaats op een dieptepunt van ons nationale bestaan: tijdens bezetting en hongerwinter. Ze leidde tot het ontstaan van een kerkverband dat de Gereformeerde Kerken in geslotenheid en activisme duidelijk overtrof. Zeker na de uitzuivering van de buitenverbanders aan het eind van de jaren zestig, vormden de vrijgemaakte kerken een homogeen geheel.

Wie vrijgemaakt was, las het Nederlands Dagblad, stemde GPV, stuurde zijn kinderen naar een vrijgemaakte school, was lid van het GMV en nog een groot aantal gereformeerde organisaties meer. Van interkerkelijke samenwerking was hij wars. De kerkkeuze mocht immers niet gerelativeerd worden. Het leven was één. Een samengaan met de christelijke gereformeerden zag men als geboden, mits die de contacten met de afvallige buitenverbanders (later Nederlands gereformeerden) zouden verbreken.

De vrijgemaakten beschouwden zichzelf bij uitstek als gereformeerd. En dan, in tegenstelling tot de Gereformeerde Gemeenten en ander bevindelijke groeperingen, als gezond gereformeerd. Wie als verbondskind opgroeide en in dat spoor bleef gaan, was in veler oog verzekerd van een plaats in Gods Koninkrijk.

De laatste jaren is er echter sprake van een duidelijke heroriëntatie. De jongere generatie voelt zich niet meer zo aangesproken door de traditioneel vrijgemaakte erfenis met haar sterke nadruk op het antithetische. Die voelt meer affiniteit tot de evangelische wereld of staat open voor modern gereformeerde opvattingen. Het blad ”Bij de tijd” (inmiddels ter ziele) fungeerde een tijd lang als spreekbuis van deze nieuwe richting.

Niet iedereen gaat met deze ontwikkeling mee. De bezwaarden, die zich gegroepeerd hebben rond het blad ”Reformanda”, zien de vrijgemaakte wereld die zij zelf hebben opgebouwd uit hun handen glippen. Het Nederlands Dagblad is de krant van Jongeling niet meer. Het GPV gaat onder in de ChristenUnie. In het noorden van het land komt men deze geluiden vaker tegen dan elders in vrijgemaakte kring. Het is ook vooral bij de oudere generatie dat deze bezwaren weerklank vinden.

Vrijwel alle vrijgemaakte organisaties hebben de laatste jaren hun deuren opengesteld voor mensen uit andere (gereformeerde) kerken. Omgekeerd komt men tegenwoordig vrijgemaakten tegen in verbanden waar men hen vroeger niet verwacht zou hebben.

Over de kerkgang hebben de vrijgemaakte kerken niet echt te klagen. Wel is er duidelijk sprake van ruimere levensopvattingen. De bioscoop is in vrijgemaakte kring inmiddels geaccepteerd, met de tv heeft men nooit veel problemen gehad. Ongehuwd samenwonen wordt steeds meer gedoogd. Vrijgemaakte jongeren participeren volop in het moderne uitgaansleven. Over de zondag en ook over zondagsarbeid wordt tegenwoordig, ook door officiële kerkelijke organen, een stuk makkelijker gedacht dan vroeger.

In het kader van het Gereformeerd Appèl zoekt men kerkelijke eenheid met de christelijke gereformeerden en de Nederlands gereformeerden tot stand te brengen. Op plaatselijk niveau is hier en daar al sprake van een vergaande toenadering. Landelijk ligt dat een stuk moeilijker.

Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland

Gedurende de 20e eeuw namen de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) binnen de gereformeerde gezindte een middenpositie in. Aan de linkerzijde bevonden zich de Gereformeerde Kerken en aan de rechterkant de Gereformeerde Gemeenten. Dit valt te verklaren uit het feit dat de CGK gemeenten uit de Afscheiding herbergde, maar ook gemeenten van andere herkomst. Ds. J. H. Velema heeft de CGK uit die tijd wel omschreven als „een mengsel van kerkelijk onbehuisden.” In de hele geschiedenis van de CGK zijn de spanningen tussen bevindelijk en orthodox met een zekere regelmaat op synoden en in gemeenten aan de oppervlakte gekomen.

De beide vleugels binnen de CGK laten zich in het heden het best omschrijven aan de hand van twee bladen: ”Bewaar het Pand” en het ”Kerkblad voor het Noorden”. Uiteraard is er binnen de CGK ook een grote middengroep.

In ”Bewaar het Pand” staan artikelen die de lezers dienen te behouden bij de bevindelijk gereformeerde opvattingen over leer en leven. Het blad legt de vinger bij zorgwekkende ontwikkelingen in het kerkelijk leven. Gewaarschuwd wordt voor een te verbondsmatige visie op de gemeente. De noodzaak van wedergeboorte wordt benadrukt. Gemeenten die zich met het blad verwant weten, zingen alleen psalmen, gebruiken de Statenvertaling, kennen een strikte zondagsheiliging en zijn terughoudend in het gebruik van moderne media. Jeugdverenigingen in deze gemeenten zijn veelal aangesloten bij de Landelijke Commissie Jeugdcontacten (LCJ).

Binnen de CGK wordt het ”Kerkblad voor het Noorden” gezien als een belangrijk medium voor de meer vooruitstrevende stroming. In gemeenten van deze ligging worden behalve psalmen ook gezangen gezongen. Vaak wordt gebruikgemaakt van het Liedboek voor de Kerken, hoewel de generale synode hierin nooit heeft toegestemd. Jeugd- en themadiensten zijn een bekend verschijnsel. Daarbij worden soms ook moderne muziekinstrumenten gebruikt. Jongeren in deze gemeenten voelen zich het meest thuis bij de Christelijke Gereformeerde Jongeren Organisatie (CGJO).

Tot dusver is het de kerkelijke leiding steeds gelukt de diverse stromingen bij elkaar te houden. Vanaf de jaren zeventig en tachtig zijn de synodes terughoudend met het doorvoeren van vernieuwingen. Een moeilijk punt is dat sommige gemeenten (vooral in het noorden) al veel verder zijn met liturgische vernieuwingen dan de synode wenselijk acht. En hoewel de synode zich in 1998 in overgrote meerderheid heeft uitgesproken tegen de vrouw in het ambt, is de discussie hierover nog lang niet uitgewoed.

Ook de kwestie van het schriftgezag houdt de christelijke gereformeerde gemoederen bezig. Zo stelt de Hoogeveense predikant dr. B. Loonstra dat de Bijbel vaak niet letterlijk-historisch maar overdrachtelijk gelezen moet worden. Deze visie betekent onder meer dat de waarheid van de heilsfeiten niet afhankelijk is van de vraag of alles precies klopt zoals het in de Schrift beschreven is. Waarschijnlijk zal de eerstkomende synode zich bezighouden met Loonstra's opvattingen over het schriftgezag, zoals die onder andere staan in zijn boek ”De geloofwaardigheid van de Bijbel”.

Al sinds 1948 houden de Christelijke Gereformeerde Kerken samensprekingen met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Deze hebben steeds een moeizaam karakter gehad. Punten zoals de toe-eigening van het heil en de visie op de gemeente vormden grote barrières. Sinds ruim vijf jaar is echter sprake van een grotere mate van herkenning. De synode van 1998 gaf de plaatselijke kerken groen licht om naar meer samenwerking met vrijgemaakten te zoeken. In vijf kerken is zelfs al sprake van kanselruil.

De relatie met de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK), waarmee sinds begin jaren '70 samensprekingen waren, is moeizamer. Naast andere verschilpunten vormen ook de vrouwelijke ambtsdragers in de NGK een groot struikelblok. Ruim dertig plaatselijke kerken hebben echter op lokaal niveau contact met elkaar. Dat kan variëren van het houden van een paar gezamenlijke diensten per jaar tot kanselruil of het gemeenschappelijk beroepen van een predikant in zogenaamde samenwerkingsgemeenten. De christelijke gereformeerde synode besloot in 1998 de samensprekingen met de Nederlands gereformeerden op landelijk niveau te staken. Op plaatselijk vlak mogen bestaande contacten in stand worden gehouden.

Gereformeerde Gemeenten

De Gereformeerde Gemeenten nemen in bevindelijk gereformeerde kring een tamelijk centrale plaats in. Nogal wat initiatieven (van SGP tot reformatorisch onderwijs) zijn in de loop der jaren vanuit dit kerkverband genomen. In de bevindelijk gereformeerde zuilorganisaties komt men op leidinggevende posten relatief veel leden van de Gereformeerde Gemeenten tegen. Kennelijk zit daar nogal wat kader of hebben die een zekere geldingsdrang.

De Gereformeerde Gemeenten ontstonden in 1907 door het samengaan van de ledeboeriaanse en de kruisgemeenten. De jonge ds. G. H. Kersten (1882-1948) vervulde daarbij een stimulerende rol. Ook later nam hij vaak het voortouw als het ging om de politiek, het onderwijs en de theologische opleiding. Niet voor niets werd hij getypeerd als een Kuyper in het klein, al was ”Abraham de Geweldige” tegelijkertijd ook zijn grote tegenstander.

In 1953, kort na de dood van ds. Kersten, kwam het tot een ingrijpend conflict toen dr. C. Steenblok en zijn aanhangers (de zogenaamde uitgetredenen) het kerkverband verlieten. Zij vormden de Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

Ondanks een groot predikantentekort (tweederde van de gemeenten is vacant) vertonen de Gereformeerde Gemeenten sinds jaar en dag een gestage groei. Vanwege het gebrek aan predikanten gaat men echter niet gemakkelijk over tot het vormen van nieuwe gemeenten. Daarentegen is er wel sprake van een opheffen van kleine gemeenten.

Door plaatselijk jeugdwerk en allerlei landelijke activiteiten wordt getracht de jeugd te bereiken en te behouden. In de loop der jaren werden de zendings- en evangelisatieactiviteiten verder uitgebouwd. Daarnaast beijvert men zich om bejaardenzorg en allerlei vormen van maatschappelijk werk en hulpverlening in eigen kring te organiseren. Ook vanuit aangrenzende kerken wordt van dit netwerk gebruikgemaakt.

Tot dusver kenmerken de Gereformeerde Gemeenten zich door een grote mate van homogeniteit. De strenge selectie van aanstaande predikanten door het curatorium van de Theologische School draagt daartoe bij. Toch lijkt die eensgezindheid naar buiten toe vaak groter dan ze in werkelijkheid is.

Zeker op het grondvlak neemt de homogeniteit af. Recent constateerde ds. A. Moerkerken, hoofdredacteur van ”De Saambinder”, de opkomst van een ander type geestelijk leven. Er is inderdaad sprake van een stroming die meer aansluiting zoekt bij de brede gereformeerde gezindte. De publicaties van prof. dr. J. Blaauwendraad en de grote aandacht die deze gekregen hebben, zijn daarvan een symptoom. Anderen geven blijk van evangelische sympathieën.

De hoofdstroom in de Gereformeerde Gemeenten wil echter vasthouden aan wat vanouds de identiteit van het kerkverband vormde. Men voelt zich verbonden met de ”oude schrijvers”, al worden hun preken in kerkdiensten weinig meer gelezen. Het afwijzend standpunt tegen de televisie tracht men te handhaven. Hoewel veel gemeenteleden lid zijn van de EO, een aantal daarmee zonder meer sympathiseert en nogal wat jongeren de EO-jongerendag bezoeken, tonen predikanten en kerkenraden zich beducht voor evangelische invloeden. In de loop der jaren zijn nogal wat mensen die zich in de kerkelijke lijn niet meer konden vinden, overgestapt naar de Hervormde Kerk. Die stroom is nog niet ten einde.

Gereformeerde Gemeenten in Nederland

Voor de Gereformeerde Gemeenten in Nederland heeft het jaartal 1953 nog steeds een cruciale betekenis. Toen kwam dit kerkverband tot stand doordat dr. C. Steenblok zich met een viertal predikanten onttrok aan de Gereformeerde Gemeenten. Zijn opvattingen over het aanbod van genade weken af van die van de meerderheid van de synode. Vandaar dat hij afgezet werd als docent aan de Theologische School wegens eenzijdigheid in de leer.

Het nieuwe kerkverband groeide in de jaren vijftig door overkomst van een aantal predikanten en gemeenten en verder vooral door natuurlijke aanwas. In 1980 vond er een scheuring plaats waarbij drie predikanten en een beperkt aantal gemeenten buiten het kerkverband kwamen te staan. Zij vormen sindsdien de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (buiten verband).

Daarmee verloren de Gereformeerde Gemeenten in Nederland wel de helft van hun predikanten. Meer nog dan bij de Gereformeerde Gemeenten en de Oud Gereformeerde Gemeenten is hier sprake van een groot gebrek aan predikanten. Gedurende enige tijd werden de meer dan vijftig Nederlandse gemeenten slechts door één predikant (ds. F. Mallan) gediend. Thans zijn er twee predikanten en een emeritus predikant, terwijl er ook twee studenten in opleiding zijn.

De Gereformeerde Gemeenten in Nederland richten waar mogelijk eigen scholen op en proberen ook verder zo veel mogelijk zaken in eigen kring te organiseren. Men steunt het zendingswerk van de Free Presbyterian Church in Afrika. Plaatselijke jeugdverenigingen kent men nauwelijks, wel worden de laatste tijd regionale jeugdsamenkomsten gehouden.

Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland

Het is niet toevallig dat bij de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland een landelijke kerkelijke statistiek ontbreekt. In deze kring heeft men nooit zo veel waarde gehecht aan regels en nog minder aan cijfers. Het oud gereformeerde kerkverband had altijd veel weg van een rekverband, veelal gegroepeerd rond een aantal predikanten die ook buiten hun kerk gewaardeerd werden. Pas in de jaren zeventig kwam men tot een eigen kerkelijk blad.

Het aantal predikanten is in de loop der jaren eerder minder dan meer geworden. Vandaar dat het overgrote deel der gemeenten vacant is. In de leesdiensten bestaat een duidelijke voorkeur voor de ”oude schrijvers”. Van een snelle groei van het aantal oud gereformeerden is geen sprake, maar alles bij elkaar is er wel van een zekere toename sprake.

Vanuit de Oud Gereformeerde Gemeenten wordt steun verleend aan het zendingswerk van de Schotse Free Presbyterian Church. Evangelisatieactiviteiten worden niet ontplooid. Oud gereformeerden komt men tegen in allerlei reformatorische verbanden. In een aantal gevallen geven zij de voorkeur aan organisaties die opgericht zijn vanuit de Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

In de schaduw van het kerkverband der Oud Gereformeerde Gemeenten bestaat sinds jaar en dag een aantal vrije oud gereformeerde gemeenten, al dan niet met een eigen predikant. Grote verschillen in leer en leven zijn veelal niet te constateren. De indruk bestaat dat het aantal vrije gemeenten minder wordt. In het verleden zijn enkele vrije gemeenten (en predikanten) overgegaan naar het kerkverband.