Wind en zon gaan grote rol spelen in elektriciteitsvoorziening

Het ontwerp-klimaatakkoord zet behalve op energiebesparing en duurzame energie ook in op ondergrondse opslag van de CO2 die vrijkomt bij het gebruik van fossiele brandstoffen. Foto: Rotterdamse olieraffinaderij met daarachter windturbines.

Niemand stelt voor om al onze energie uit alleen wind of alleen zon te halen. Er zal altijd een slimme combinatie van technologieën en energiebronnen nodig zijn. Het ontwerp-klimaatakkoord bevat de benodigde ingrediënten.

Het artikel ”Voor zonne- en windenergie geen hoofdrol in Nederland” (RD 1-3) van Guus Berkhout en Kees de Groot schetst een karikatuur van het energie- en klimaatbeleid. Ze stellen dat Nederland niet geschikt is om zon en wind een vooraanstaande rol te geven in de energievoorziening.

2019-03-01-OPN1-Zonne-_en_windenergie-6-FC_webVoor zonne- en windenergie geen hoofdrol in Nederland

De onderbouwing is echter uiterst zwak en gebaseerd op sterk verouderde gegevens. De discussie over de energietransitie is gebaat bij meer feiten en minder loze beweringen.

Steeds meer vermogen

Allereerst de aannames van beide auteurs over windenergie. Voor hun berekeningen over windenergie op zee baseren ze zich op het windpark voor de kust van Egmond uit 2007. Bovendien stellen ze dat de allergrootste windturbines een vermogen hebben van 4 MW. In werkelijkheid staan in de Noordoostpolder al windturbines met een vermogen van 7,5 MW per stuk. Volgend jaar komen in de windparken op zee in het gebied ”Borssele” windturbines van 8 en 9,5 MW. In Rotterdam wordt deze zomer het eerste prototype van een offshore windturbine van 12 MW geïnstalleerd.

Vervolgens gaan de auteurs ervan uit dat een windpark gemiddeld over een jaar slechts iets meer dan 26 procent van het maximale vermogen levert, de zogenaamde capaciteitsfactor. Door de snelle ontwikkeling van windturbines ligt de capaciteitsfactor van nieuwe windparken inmiddels fors hoger, zowel op zee als op land. De capaciteitsfactor uit het verleden is daarom een slechte maat voor die van windparken in de toekomst. De windparken op zee in het gebied Borssele zullen een capaciteitsfactor van ongeveer 50 procent halen. Een prestatie die offshore windparken in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk nu al leveren.

Tot slot beweren Berkhout en De Groot op basis van een rapport van prof. Hughes uit 2012 dat windturbines een veel kortere levensduur hebben dan verwacht. Inmiddels zijn de cijfers uit dat rapport ruimschoots weerlegd door de daadwerkelijke prestaties van windparken. Zo stelde Hughes dat de capaciteitsfactor van Deense windparken op zee in tien jaar tijd met 60 procent zou dalen. Uit de productiecijfers die de Deense overheid maandelijks publiceert, blijkt dat de stroomproductie van de windparken mooi op peil blijft als ze ouder worden.

Warmtepomp

De auteurs stellen dat groene stroom onbetaalbaar is. Ze lijken gemist te hebben dat windparken op zee inmiddels zonder subsidie gerealiseerd kunnen worden. Afgelopen vrijdag sloot de inschrijvingsprocedure voor het tweede windpark voor de Hollandse kust en opnieuw bleken verschillende gerenommeerde partijen bereid het windpark zonder subsidie te realiseren. In het ontwerp-klimaatakkoord is afgesproken dat uiterlijk vanaf 2025 ook windenergie op land en zonne-energie zonder subsidie mogelijk moeten zijn.

In hun sommetje over woningen gaan Berkhout en De Groot er ten onrechte van uit dat een warmtepomp dezelfde hoeveelheid energie-input gebruikt als een CV-ketel. Een warmtepomp heeft echter een factor 3 tot 4 minder energie-input nodig dan een traditionele CV-ketel, omdat een warmtepomp naast elektriciteit vooral omgevingswarmte gebruikt.

Elektrisch rijden

De ruimte ontbreekt hier om alle misvattingen uit het artikel te weerleggen. Het is interessanter om stil te staan bij de vraag hoe de verduurzaming van onze energievoorziening er komende jaren wel uit kan zien. Niemand stelt namelijk voor om al onze energie uit alleen wind of alleen zon te halen. Er zal altijd een slimme combinatie van technologieën en energiebronnen nodig zijn. Het ontwerp-klimaatakkoord bevat daarvoor de benodigde ingrediënten.

De aanpak van woningen is daarvan een interessant voorbeeld. De ambitie van het kabinet is daarbij om in dertig jaar tijd de hele voorraad van 6 miljoen bestaande woningen te verduurzamen. Daarbij worden niet op korte termijn alle woningen domweg van het gas afgehaald, maar wordt door gemeenten per wijk een plan gemaakt. Voor sommige wijken zal een warmtenet met restwarmte de beste oplossing zijn, voor andere wijken volledig elektrische warmtepompen en voor weer andere wijken isolatie en een hybride warmtepomp die zowel elektriciteit als gas kan gebruiken.

In het vervoer zal elektrisch rijden een steeds grotere rol gaan spelen. Volgens de afgelopen week gepubliceerde doorrekening van het ontwerp-klimaatakkoord zijn er in 2030 met de huidige plannen 1,2 tot 1,7 miljoen elektrische auto’s in Nederland. De overige auto’s rijden dan nog op benzine of diesel. Elektrische auto’s zijn twee tot drie keer zo efficiënt als auto’s met een verbrandingsmotor en hebben daardoor minder energie nodig. De batterijen van elektrische auto’s kunnen bovendien een rol spelen in het leveren van flexibiliteit voor het elektriciteitsnet.

Nederland heeft relatief veel zware industrie waarin fossiele brandstoffen een belangrijke rol spelen als energiebron en grondstof. Er zijn veelbelovende ontwikkelingen om in de industrie meer elektriciteit en zogenaamde groene waterstof te gebruiken. Daarmee kan echter niet op korte termijn het totale verbruik van fossiele brandstoffen vervangen worden. Het ontwerp-klimaatakkoord zet daarom naast energiebesparing en duurzame energie ook in op ondergrondse opslag van de CO2 die vrijkomt bij het gebruik van fossiele brandstoffen.

Betrouwbaar en betaalbaar

In de elektriciteitsproductie zullen wind- en zonne-energie de komende jaren een steeds grotere rol gaan spelen. Het kabinet heeft de gebieden op de Noordzee aangewezen waar tot 2030 minstens 11.500 megawatt windenergie gerealiseerd gaat worden. Daarmee kan ongeveer 45 procent van het totale elektriciteitsverbruik in Nederland opgewekt worden.

Daarnaast zullen ook zonne-energie en windenergie op land zich sterk ontwikkelen. In 2030 komt volgens de doorrekening van het ontwerp-klimaatakkoord 75 tot 77 procent van de elektriciteitsproductie in Nederland uit wind en zon. Het resterende deel zal vooral uit gascentrales komen, met name op momenten dat de zon niet schijnt en het niet waait. De CO2-uitstoot wordt sterk teruggedrongen doordat vanaf 2030 steenkool niet langer als brandstof voor de elektriciteitsproductie gebruikt mag worden.

Berkhout en De Groot stellen dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in zijn doorrekeningen geen rekening zou houden met allerlei extra kosten in de energiesector. Het tegendeel is waar. Het PBL neemt in zijn analyses de kosten die deze auteurs noemen wel degelijk mee. Daaronder vallen de kosten van uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk, het feit dat een klein deel van de windproductie (circa 2 procent) niet gebruikt kan worden als er niet voldoende vraag is, en het feit dat gascentrales flexibeler zullen moeten opereren.

Recent publiceerden TenneT en Gasunie een studie naar de toekomst van de nationale energie-infrastructuur. Daarin wordt beschreven hoe in een duurzame energievoorziening elektriciteit en verschillende gassen (waaronder waterstof) elkaar aanvullen om het systeem betrouwbaar en betaalbaar te houden. De gasinfrastructuur krijgt dus een rol in het duurzame energiesysteem. Ook hieruit blijkt dat het denken over de energietoekomst in Nederland een stuk verstandiger en genuanceerder is dan Berkhout en De Groot doen voorkomen.

De auteur was tot 1 oktober 2018 directeur van Ørsted Nederland.