Zwaar geschut om scholen in het gareel te krijgen

Het islamitische Haga Lyceum in Amsterdam. beeld Hollandse Hoogte, Patrick Post
4

De ministers van Onderwijs willen extra bevoegdheden om extremistische scholen en opleidingen waar de sociale veiligheid ondermaats is, aan te pakken. Een bedreiging voor de vrijheid van onderwijs? Het leidt in ieder geval tot „incidentenwetgeving.”

De afgelopen maanden spraken de Tweede Kamer en minister Slob voor Basis- en Voortgezet Onderwijs tot tweemaal toe indringend met elkaar over de mogelijkheden om scholen die in de fout gaan, weer in het gareel te krijgen. De eerste keer was bijna een jaar geleden. Op 23 juni 2018 verklaarde de Onderwijsinspectie de uitslagen van alle eindexamenleerlingen van het VMBO Maastricht ongeldig. Op de twee scholen van VMBO Maastricht –het Sint Maartenscollege en Porta Mosana– waren de schoolonderzoeken niet of onjuist afgenomen. Dat leidde tot grote consternatie in Maastricht en in politiek Den Haag. Een deel van de leerlingen moest hersteltoetsen maken. In hun brief ”Lessen van VMBO Maastricht” in december vorig jaar kondigden de onderwijsministers Slob (ChristenUnie) en Van Engelshoven (D66) aan met voorstellen te komen voor uitbreiding van het instrumentarium voor de Onderwijsinspectie.

Begin dit jaar kwam het islamitisch Cornelius Haga Lyceum te Amsterdam in opspraak. De AIVD meldde in maart dat er mensen op de school werkzaam zijn die banden hadden met terreurbeweging het Kaukasus Emiraat. Deze groep zat in 2010 achter de aanslag op de metro in Moskou. Verder zouden leerlingen de strenge salafistische geloofsleer opgelegd krijgen en maakten medewerkers van de school het de Onderwijsinspectie onmogelijk om controles uit te voeren.

De Tweede Kamer was laaiend en eiste onmiddellijke sluiting van de school. „Waarom kan de overheid wel drugspanden sluiten, maar niet een school waar kinderen met dit soort gif worden geïndoctrineerd?” vroeg VVD’er Heerema.

Minister Slob stelde dat hij in principe voldoende instrumenten heeft om misstanden op het Haga aan te pakken. Maar dat heeft wel tijd nodig. Daar zijn nu eenmaal procedures voor.

Maar de Kamer nam geen genoegen met dit antwoord. Op 19 maart aanvaardde zij diverse moties om sneller ingrijpen op scholen mogelijk te maken. Ook eiste de Kamer sluiting van onderwijsinstellingen die extremistisch en antidemocratisch gedachtengoed verspreiden. Ook sociaal onveilige scholen moet de overheid gaan aanpakken, vond de volksvertegenwoordiging.

Vorige week vrijdag stuurden Slob en Van Engelshoven een uitgebreide brief naar de Tweede Kamer over het „beschikbaar en noodzakelijk instrumentarium in het onderwijstoezicht.” Daarin stellen de bewindslieden een serie stevige maatregelen voor die de Onderwijsinspectie en de overheid bevoegdheden geeft om misstanden op scholen sneller aan te pakken. Zo willen de bewindslieden schoolbestuurders in het basis- en voortgezet onderwijs de opdracht kunnen geven om niet-functionerende bestuurder(s) of interne toezichthouders te ontslaan. In geval van extremisme of antidemocratisch onderwijs gaan de ministers de subsidie stopzetten.

Begrip

Pieter Moens, bestuurder van de reformatorische onderwijskoepel VGS, denkt dat de maatregelen het reformatorisch onderwijs niet zullen treffen. Hij is ervan overtuigd „dat christelijk-reformatorische scholen hun verantwoordelijkheid nemen voor de onderwijskwaliteit, inclusief de burgerschapsopdracht, en dat zij de onderwijsvrijheid op een goede manier gebruiken.”

VGS-bestuurder Pieter Moens. beeld Martine Sprangers

Als de maatregelen nodig zijn om extremistisch gedachtegoed, zoals het salafisme in het islamitisch onderwijs, aan te pakken, dan kan de VGS daar „begrip voor opbrengen.” Al denkt Moens dat het strafrecht daarvoor nu ook al mogelijkheden biedt.

Moens is negatief over het voorstel dat de overheid scholen mag sluiten als ze hun burgerschapsopdracht niet waarmaken en onvoldoende sociale veiligheid bieden. „Wie bepaalt wat de basiswaarden zijn van onze democratische rechtstaat en hoe die moeten worden overgebracht en nageleefd?” aldus Moens. Hij constateert dat de politiek tegenwoordig „minder ruimte lijkt te geven aan bijvoorbeeld godsdienstige opvattingen die afwijken van de mening van de seculiere meerderheid.”

Wat Moens bedoelt, bleek een maand geleden tijdens een debat in de Tweede Kamer over de Nashvilleverklaring, die zich onder meer uitspreekt over homoseksualiteit. De SGP’er Van der Staaij kreeg veel politieke partijen over zich heen omdat hij de Bijbelse lijn verdedigde dat hij de zondaar liefheeft, maar de zonde afkeurt. Deze opvatting zien politici meer en meer als „kwetsend en beschadigend”, vooral voor homoseksuele jongeren.

Een voormalig VGS-medewerker vroeg zich enkele jaren geleden tijdens een algemene ledenvergadering van de koepelorganisatie al af of „het afwijzen van homoseksualiteit in de toekomst betiteld gaat worden als het creëren van een sociaal onveilig klimaat. Achterdocht is hier op zijn plaats.” In ieder geval krijgt de overheid met het pakket maatregelen dat Slob en Van Engelshoven nu voorstellen, instrumenten in handen om scholen aan te pakken als het klimaat sociaal onveilig is.

Diversiteit

Prof. mr. Miek Laemers, hoogleraar onderwijsrecht aan de Vrije Universiteit, vindt het moeilijk te voorspellen of het die kant op zal gaan. „Er is nog zoveel onduidelijk in de brief. Wat is sociale onveiligheid? En wat is een structurele strijdigheid met de burgerschapsopdracht? Daarover bestaat geen duidelijkheid. Die moet er eerst komen. De vraag is of en zo ja, in welke mate die er zal komen. Minister Slob heeft in het kader van het wetsvoorstel burgerschapsonderwijs gezegd dat de burgerschapsopdracht aan scholen bewust een algemeen karakter heeft. Dit onderwijs moet zich volgens de bewindsman richten op „een minimale gemeenschappelijke kern.” Hij kondigde wel aan dat falen van de school in dit opzicht –anders dan nu toe het geval is– tot een pittig gesprek met de inspectie en zelfs tot sancties kan leiden.”

Prof. Laemers. beeld VU

Volgens Laemers kan de overheid in het kader van sociale veiligheid en homoseksualiteit niet verder gaan dan van scholen te vragen of ze in hun onderwijs aandacht besteden aan seksuele diversiteit en geaardheden. „Je mag als school niet gedwongen worden tot bepaalde opvattingen. In het basisonderwijs bestaat dat kerndoel over seksuele diversiteit overigens al.”

De hoogleraar onderwijsrecht is niet erg enthousiast over de brief van de beide bewindslieden. „De ministers brengen nu wel heel zwaar geschut in stelling. Ik ben benieuwd wat er van al die plannen overblijft als eerst de Raad van State en de Onderwijsraad erover hebben geadviseerd en daarna Tweede en Eerste Kamer erover hebben gediscussieerd. Het huidig instrumentarium biedt best veel mogelijkheden, mits het tijdig wordt ingezet.”

Als alle betrokkenen in Maastricht direct hun verantwoordelijkheid hadden genomen, dan was het waarschijnlijk niet zo uit de hand gelopen, denkt Laemers. Ook voor het aanpakken van het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam zijn volgens Laemers de voorgestelde acties niet allemaal zinvol. „Minister Slob heeft tijdens het debat in de Tweede Kamer over het Haga duidelijk gemaakt dat de huidige bevoegdheden die de Onderwijsinspectie heeft, voldoende zijn om de school in het gareel te krijgen. De wetgever besloot in het recente verleden dat zorgvuldigheid op zijn plaats is en dat de onderwijsinspectie alleen kan oordelen op basis van een wettelijk voorschrift. Om tot beëindiging of korting van de bekostiging te komen, dienen verschillende stadia doorlopen te worden. De suggesties die de ministers in de brief doen, leiden mijns inziens tot incidentenwetgeving.”

Het islamitische Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam. beeld ANP, Koen van Weel

Maatregelen op een rijtje

De ministers Slob en Van Engelshoven doen in hun brief vier voorstellen om scholen die over de schreef gaan, aan te pakken.

De eerste is dat de bewindslieden een tijdelijke aanwijzing kunnen geven in het geval dat er een vermoeden van wanbeheer bestaat. Een aanwijzing is in de praktijk een bevel dat de school moet opvolgen. Gebeurt dat niet, dan gaat de subsidiekraan deels dicht. Op dit moment mag het ministerie scholen ook een aanwijzing geven, maar het duurt maanden voor het zover kan komen. De Onderwijsinspectie werkt met een zogenoemde escalatieladder in vijf fasen. De aanwijzing komt pas bij de laatste fase in zicht.

De bewindslieden willen de bevoegdheid om in spoedeisende gevallen snel een tijdelijke aanwijzing te geven. Deze maatregel zou van pas kunnen komen in situaties als in Maastricht, zo schrijven de ministers: „Met name bij incidenten rondom eindexamens in het voortgezet onderwijs is die tijdwinst cruciaal. Bij dergelijke incidenten zou de aanwijzing bijvoorbeeld kunnen inhouden het voorlopig opschorten van de bevoegdheid om diploma’s af te geven of het organiseren van inhalen van de schoolexamens.”

De tweede maatregel die de ministers voorstellen is de aanpassing van de definitie van wanbeheer. Een bewindspersoon kan een aanwijzing geven aan een bestuur als er sprake is van wanbeheer. Nu gelden er bepaalde regels voor een goed personeelsbeleid, financieel beheer en verantwoording. Als het op een van deze onderdelen misgaat, is er sprake van wanbeheer. Slob en Van Engelshoven vinden dat er voortaan ook sprake is van wanbeheer als de school niet waarborgt dat leerlingen hun schoolloopbaan via een geldig examen kunnen afsluiten. Die maatregel is ook op situaties als in Maastricht gericht.

De bewindslieden willen de definitie voor wanbeheer uitbreiden met een bepaling die het mogelijk moet maken om scholen zoals het islamitische Cornelius Haga Lyceum aan te pakken. Straks staat in de wet dat er ook sprake is van wanbeheer als een basisschool of school voor voortgezet onderwijs de zorg voor de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid ernstig of langdurig verwaarloost.

De derde maatregel is financieel van aard. Als scholen voortdurend en ernstig afwijken van wettelijke voorschriften, bijvoorbeeld door het niet opvolgen van een aanwijzing, kunnen ze nu al een boete krijgen. Die boete moet hoger; hoeveel is nog niet bekend. Ook scholen die de Onderwijsinspecties de toegang ontzeggen, moeten een boete kunnen krijgen. Met die maatregel wil de overheid scholen als het Haga, die inspecteurs weigerde, de wacht aanzeggen.

De vierde maatregel is het heftigst. Als alle hiervoor genoemde maatregelen niet tot het gewenste resultaat leiden, dan willen de bewindslieden de bekostiging van de school beëindigen. Dat kan nu ook, maar alleen in het geval dat de school langdurig zeer zwak onderwijs aanbiedt. Straks kan dat tevens als er sprake is van „structurele strijd met de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid. Te denken valt aan extremisme of de verspreiding van antidemocratisch gedachtegoed”, zo schrijven de bewindslieden. „Beëindiging van de bekostiging is bij zeer ernstige en structurele overtreding dan noodzakelijk en proportioneel. In dit soort gevallen komt immers een kerntaak van scholen –het bevorderen van burgerschap– ernstig in het geding.”