Van der Staaij: Verduidelijk vonnis bij onvoorwaardelijke celstraf

beeld RD, Henk Visscher

Bij het opleggen van een onvoorwaardelijke celstraf moet de rechter voortaan duidelijk in het vonnis vermelden dat de feitelijk door de veroordeelde uit te zitten straf mogelijk korter zal zijn.

Een meerderheid van de Tweede Kamer schaarde zich dinsdagmiddag achter dit voorstel van SGP’er Kees van der Staaij.

Een veroordeelde kan in aanmerking komen voor een penitentiair programma of voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, ter voorbereiding op zijn of haar definitieve terugkeer in de samenleving. Gedurende die tijd verblijft hij of zij buiten de inrichting, maar dat kan nu niet uit het vonnis worden afgeleid.

Van der Staaij wilde het Wetboek van Strafvordering zo aanpassen dat het vonnis voortaan duidelijk maakt voor welk deel van de straf en volgens welke regels deze mogelijkheden bestaan. Volgens hem komt dat de rechtszekerheid ten goede. Een Kamermeerderheid is het daar dus mee eens.

Op initiatief van Van der Staaij scherpte de Kamer dinsdag ook de voorwaarden waaronder gedetineerden kunnen deelnemen aan een penitentiair programma aan. Minister Dekker (Rechtsbescherming) wilde aanvankelijk alleen hun gedrag in de gevangenis laten meewegen, maar Van der Staaij vond dat de veiligheidsrisico’s en de bereidheid om te werken aan verzoening of bij te dragen aan schadeherstel ook bij de beoordeling moesten worden betrokken. Ook daarmee ging de Kamer akkoord.

Samen met SP-Kamerlid Van Nispen was Van der Staaij ook mede-indiener van een voorstel over het detentieplan dat bij het ingaan van de celstraf wordt opgesteld. Strekking daarvan was dat de reclassering altijd in de gelegenheid moet worden gesteld om dat plan mede te ontwikkelen. Ook dit SP/SGP-voorstel kreeg dinsdag een meerderheid.

Uiteindelijk schaarde de Kamer zich dinsdag ook in meerderheid achter de Wet straffen en beschermen van minister Dekker. Deze wet moet ertoe leiden dat daders van zware misdrijven voortaan niet meer vanzelfsprekend na tweederde van hun gevangenisstraf vrijkomen, maar pas wanneer het openbaar ministerie mede op basis hun gedrag tot de slotsom komt dat hiervoor voldoende aanleiding is. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt bovendien maximaal twee jaar voor het einde van de straf van kracht.

Wanneer de Eerste Kamer zich over de wet gaat buigen, is nog niet bekend.