Van der Staaij (SGP) en Kuzu (DENK) over liegen in de politiek

Kuzu (links) en Van der Staaij. beeld RD

Mag een politicus liegen? En doet hij het vaker dan anderen? De Kamerleden Kuzu (DENK) en Van der Staaij (SGP) laten hun licht schijnen over waarheid en leugen in de politiek.

Kuzu (DENK): De ander liegt niet als hij een zaak anders belicht

„De waarheid van de een is niet de waarheid van de ander. Dat geldt misschien wel overal, maar zeker in de landspolitiek. Politiek gaat over het uitdragen van meningen, van visies op de samenleving. Nergens komen alle percepties van de verschillende politieke partijen op de waarheid zo dicht bij elkaar als op de vierkante kilometer van het Binnenhof in Den Haag.

Vorige maand sloeg een Syrische man een ruit in van het koosjere restaurant HaCarmel in Amsterdam-Zuid. Was dat een terreuraanslag? Volgens mij vooral een impulsieve actie van een zeer gefrustreerd persoon. De vijf mannen uit Enschede die in februari 2016 molotovcocktails tegen een moskee gooiden; díé hadden een terroristisch oogmerk. Lees het vonnis van de rechtbank er maar op na. Maar over het radicaliseren van extreemrechts hoor ik weinig in de Tweede Kamer; extremisme wordt hier nog veel te vaak te eenzijdig in verband gebracht met de islam.

Nog een voorbeeld, het Midden-Oostenbeleid. Onze partij DENK gelooft in een tweestatenoplossing, maar laat absoluut niet onbenoemd dat de Israëlische regering én Trump die de laatste tijd volgens ons steeds onmogelijker maken. Andere partijen staan daar weer anders in. Dat houdt niet altijd meteen in dat de een de waarheid spreekt en de ander liegt.

Politici zijn volksvertegenwoordigers die het verhaal van de Tweede Kamer moeten presenteren aan het land. Én die weer naar Den Haag moeten terugkoppelen met welke problemen en uitdagingen hun kiezers te maken krijgen. Cruciaal om de regering goed te kunnen controleren is de vraag: waar haal je als politicus je informatie vandaan?

Kunnen de lerarensalarissen in het primair onderwijs echt maar zo beperkt omhoog als het kabinet wil? Hoe zit dat dan met het afschaffen van de dividendbelasting, wat ons op termijn 1,4 miljard euro gaat schelen? Wat is dan jouw waarheid, die van Shell en Unilever? Of datgene wat je recht voor je ogen ziet gebeuren als je schoolgaande kinderen hebt?

In het debat over de lerarensalarissen sluiten de waarheid van het kabinet en die van de oppositie elkaar uit. Laat het kabinet het gewoon toegeven: er is wel geld voor nog hogere lonen, maar wij kiezen liever voor de multinationals.”

Ikzelf

„Op 17 december zei ik in een tv-debat met lijsttrekker Eerdmans van Leefbaar Rotterdam dat 40 procent van de Turks-Marokkaanse jongeren plannen heeft om te emigreren. Meteen sms’te NRC Handelsblad: waar haal je dat vandaan? Dat percentage staat in het SCP-rapport ”Kwesties voor het kiezen” van vorig jaar.

De NRC past regelmatig een feitencheck toe op wat politici beweren. Dat zouden meer kranten moeten doen. Iedere politicus probeert natuurlijk zijn of haar waarheid zo goed mogelijk te staven. Daardoor wordt er heel vaak selectief in onderzoeksresultaten geshopt.

Ja, in datzelfde debat noemde ik Eerdmans een pathologische leugenaar, dat klopt. Dat kwam echt uit mijn tenen; veel van wat hij in de uitzending beweerde en wat ook in hun verkiezingsprogramma staat, is onwaar. In de veiligheidsparagraaf stelt Leefbaar Rotterdam bijvoorbeeld: meedoen aan drugshandel, fraude en witwaspraktijken stuit bij voornamelijk allochtone jongeren nauwelijks op morele weerstand. Ik verwijs Eerdmans graag naar het rapport ”De ontwikkeling van de criminaliteit van Rotterdamse autochtone en allochtone jongeren van 12 tot 18 jaar” van Politie & Wetenschap en Bureau Driessen uit 2014. Zie pagina 127, zeg ik even uit m’n hoofd. Dan zie je dat de wetenschap toch echt tot andere conclusies komt.

Een bekend Turks gezegde luidt: ”Her doğru her yerde söylenmez”. Oftewel: Niet elke waarheid kan op elke plek worden verteld. Dat heb ik in mijn loopbaan geregeld geleerd. Bijvoorbeeld in mijn tijd bij de PvdA, toen ik in de media beaamde bezwaren te hebben tegen het strafbaar stellen van illegaliteit. Soms is het verstandiger om eerst intern draagvlak te creëren voordat je met je standpunt naar buiten komt.

Als politicus zeg je soms dingen waarover ophef ontstaat. Zo veroorzaakte ik onduidelijkheid toen ik tijdens de laatste campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen iets zei over artsen die de stekker er bij allochtone patiënten op de intensive care te vroeg uithalen. Sommigen grijpen zo’n uitspraak meteen aan om DENK onderuit te halen en mij tot leugenaar te verklaren. Daar heb ik geen boodschap aan. Ik ga wel in op de uitnodiging van artsenorganisatie KNMG om langs te komen en uit te leggen waar ik op doelde. Ik wilde aan de hand van praktijkvoorbeelden aandacht vragen voor patiënten die kwalitatief mindere zorg ervaren door een taalachterstand.”

Kuzu (links) en Van der Staaij. beeld RD

Van der Staaij (SGP): Laat het achterste van je tong niet altijd zien

„Dat er in de politiek tegenwoordig meer gelogen wordt dan vroeger heb ik –in de twintig jaar dat ik hier rondloop– niet kunnen vaststellen. Bewindslieden komen mijns inziens juist minder gemakkelijk weg met leugens of een potje bluffen. Via sociale media en via factcheckers duikt iedereen er immers meteen boven op. Bovendien kon een minister in het verleden nog weleens vanuit het gezag van zijn ambt zeggen: „Zó zit het gewoon.” Tegenwoordig werkt dat niet meer.

Wat de waarheid in onze tijd wél onder druk zet, is dat mensen steeds meer als waar ervaren wat hun een goed gevoel geeft. Vroeger gold nog vaak: als de wetenschap iets heeft uitgezocht, nou, dan is het blijkbaar zo. Maar nu kan het gebeuren dat er een oerdegelijk rapport ligt van de Raad van State dat zegt dat gewetensbezwaarde trouwambtenaren geen enkel probleem vormen in onze rechtsstaat, en dat Kamerleden daarna toch laconiek zeggen: Ik voel dat anders, volgens mij is het wel degelijk discriminatie.

Het gekke is, soms lijkt de leugen geloofwaardiger dan de waarheid. Zo schrijven Van den Berg en Van de Braak in hun recente standaardwerk over onze parlementaire geschiedenis dat ik in 2010 op de achterbank van de dienstauto van Rutte heb zitten onderhandelen. Natuurlijk, het is slechts een detail, maar er klopt niets van. Ik heb op die achterbank geen woord gezegd, maar was slechts op weg naar een ministerie. In dit geval is het bééld echter zo sterk dat je de echte feiten haast niet meer voor het voetlicht krijgt.

Groen van Prinsterer schrijft in zijn “Ongeloof en revolutie”: Let erop dat de duivel in zijn dwalingen en bedrog altijd een element van waarheid mengt om op die wijze de leugen des te gemakkelijker ingang te doen vinden. Dat heeft mij ertoe gebracht om bij allerlei debatten dat element van waarheid er éérst uit te filteren. Bijvoorbeeld bij discussies over genderneutraliteit. Dan erken ik dat er inderdaad mensen zijn die worstelen met de vraag of ze man of vrouw zijn. En vervolg ik met de stelling dat dit desondanks geen reden is om de hele scheppingsorde overhoop te gooien.

De SGP staat gelukkig nog altijd bekend als een betrouwbare partij. Dat koester ik. Uiteindelijk helpt de constructieve oppositierol, die wij al jaren innemen, ons ook flink om eerlijk om te gaan met de waarheid. Kijk, ben je een keiharde oppositiepartij, dan heb je de neiging om elk plan van de coalitie bij voorbaat als volkomen belachelijk af te schilderen. En als je ín de coalitie zit, moet je soms besluiten verdedigen waar je zelf niet achter staat. Wij hebben aan beide verleidingen zelden blootgestaan.”

Ikzelf

„Soms krijg je de indruk dat je geen goed politicus kunt zijn als je niet af ten toe liegt. Tegen dat beeld verzet ik me. Leugens verzinnen is vaak ingewikkelder dan de waarheid spreken. Een jaar geleden deed de commissie-Oosting onderzoek naar het verdwenen bonnetje op het ministerie van Justitie. Breed leefde toen het idee dat hier sprake was van één grote doofpot. Maar de commissie constateerde droogjes dat het nog een heel karwei zou zijn om zo’n ingewikkelde leugen te organiseren en consequent overeind te houden. Dat is heel hard werken, hoor! Dat red je bijna niet.

En zeg nu niet: een klein leugentje, ach, hoe erg is dat? Nee, je moet ook in het kleine streven naar oprechtheid. Waarom zou ik als ik achter mijn bureau zit te werken en niet gestoord wil worden, mijn secretaresse laten jokken dat ik er niet ben? Zij kan toch gewoon zeggen dat ik niet beschikbaar ben?

Een mens heeft de plicht om de waarheid te spreken, maar als politicus doe je er niet altijd verstandig aan om het achterste van je tong te laten zien. „Een zot laat zijn ganse geest uit, maar een wijze wederhoudt die achterwaarts”, staat in het Bijbelboek Spreuken. Daarom heb ik terughoudend gereageerd toen journalisten vroegen wat ik van de vlag vond die het presidium van de Kamer voor in de vergaderzaal had neergezet. Ik zei: „Ik heb er geen zin in om deze vlag, die er mede door mijn toedoen is gekomen, nu nu al weer meteen van commentaar te gaan voorzien.” Dat was de waarheid. Als ik gezegd had: „Ik vind hem práchtig”, dan zou ik gelogen hebben.

Deze zomer schreef ik een artikel in The Wall Street Journal over de euthanasiepraktijk in Nederland. Daar kwam veel kritiek op, ook van mede-Kamerleden. Ik zou de waarheid geweld hebben aangedaan en geen fair beeld hebben geschetst van hoe het hier te lande toegaat. Maar de werkelijkheid is dat ik me in dit artikel juist extra heb ingespannen om een correct beeld te schetsen van de Nederlandse praktijk. Ik wilde bij voorbaat veiligstellen dat men mij níét kon beschuldigen van het verdraaien van feiten.

Dat verwijt krijg ik soms ook als ik praat over Israël en het Midden-Oosten. Maar de beelden die anderen over deze thematiek schetsen zijn soms zó eenzijdig-negatief dat ik het meer dan gerechtvaardigd vind om flink aan de andere kant van het bootje te gaan hangen. Ik voel me in zo’n geval niet geroepen om een uitgebalanceerd wetenschappelijk betoog te houden, maar stel er een eer in een advocaat voor Israël te zijn.”