Politicus moet empathie tonen, maar slaat soms door

Thierry Baudet, beeld ANP, Lex van Lieshout.

Politici balanceren vaak op een dun koord. Rechts ligt de afgrond van onverschilligheid over de nood van verdrukten; links het ravijn van te véél (en bovendien eenzijdig) medeleven met anderen.

Thierry Baudet had woensdag niet zijn beste dag. In het debat over het bombardement door Nederlandse F-16’s op het Iraakse Hawija, dik vier jaar geleden, bleek herhaaldelijk dat hij zijn stukken slecht had gelezen.

Daar komt bij dat hij op zeker moment een verrassend zijpad insloeg. Plots mochten andere woordvoerders hem niet meer aanspreken met „collega.” Nee, „ambtsgenoot” wilde de FVD-leider horen. „Wij zíjn geen collega’s, geen onderdeel van dezelfde kliek. Wij zijn ambtsgenoten, individueel, autonoom, onafhankelijk.”

Tja. Daar zit íéts in. Verhoudingen aan het Binnenhof mogen niet te klef worden. Maar of dat euvel verholpen wordt door de term „collega” in de ban te doen?

Wat woensdagavond in de derde plaats opviel, was dat de flamboyante politicus, in zijn ijver om het kabinet beentje te lichten, zó’n sterke nadruk legde op het afschuwelijke van het bombardement in Hawija. Er is daar destijds „een heel dorp platgegooid, waarbij ongelooflijk veel burgerslachtoffers vielen”, sprak de FVD’er met theatrale gebaren.

„Bóém, een heel dorp weg.” En dat alles door „de meest grove militaire blunder die wij in de afgelopen decennia hebben gemaakt.”

Grote en bombastische woorden. Natuurlijk, Baudet had deze plastische schets van het gebeuren in Hawija nódig om zijn stelling aannemelijk te maken dat Rutte zoiets verschrikkelijks onmogelijk kon zijn vergeten.

Verder staat buiten kijf dát zo’n bombardement verschrikkelijk ís. Elk luchthartig en nonchalant spreken over onschuldige burgers die tijdens een oorlog het leven verliezen, is uit den boze.

Maar toch... Er bestaat er in 21e-eeuws Nederland ook een ander gevaar, namelijk een te naïef denken en spreken over het verschijnsel oorlog. Want kwam het niet wereldvreemd over toen, in het vorige Kamerdebat over Hawija, PvdD-woordvoerder Wassenberg van het kabinet wilde weten wat Nederland had gedaan om de schade in Hawija te compenseren en aan nabestaanden vergoedingen te geven? „Meneer Wassenberg, het was en is daar óórlog, hè? Wij kunnen dat gebied helemaal niet in”, repliceerde toen defensieminister Bijleveld.

In diezelfde geest liet deze week premier Rutte zich uit. En met recht. Want oorlogen zonder doden (militairen en helaas vaak ook burgers) bestaan niet.

We kunnen nog één stapje verder gaan. In de benadering van Wassenberg –en in wat mindere mate wellicht ook in die van Baudet– mag Winston Churchill geen held genoemd worden. Eerder behoorde hij als oorlogsmisdadiger tijdens het Neurenbergtribunaal in het bankje naast Goering, Von Ribbentrop en Hess te zitten.

Het was immers Churchill die in de Tweede Wereldoorlog geallieerde jachtvliegtuigen bewust Duitse burgerdoelen (Dresden, Keulen, Hamburg) liet bombarderen om het Duitse volk te demoraliseren en op die wijze het einde van de strijd te bespoedigen.

Daarom nog één keer: oorlog is afschuwelijk en burgerdoden zijn verschrikkelijk. Maar dat neemt niet weg dat het merkwaardig en kolderiek is om twee knapen, verwikkeld in een verbeten knokpartij, geschokt toe te voegen: „Jongens, niet ruziën tijdens het vechten!”