Oud worden; niet elke partij vindt de juiste balans

Vanwege haar 100-jarig bestaan bood de SGP de Tweede Kamer in 2018 een kunstwerk aan. beeld Cees van der Wal

De SGP is sinds deze week de oudste Nederlandse partij ooit. Ze verdween dus niet na een kortstondig bestaan weer van het toneel en ging evenmin op in een bredere beweging. Waarom legden veel andere partijen wel het loodje? En is het uitgesloten dat de SGP ooit fuseert?

Meer dan een eeuw meegaan in het parlement, hoe speel je dat klaar? Exact de tegenovergestelde vraag is in de politieke geschiedenis van Nederland ook al heel wat keren actueel geweest. Na een kortstondig bestaan roemloos weer ten onder gaan; hoe krijg je dat voor elkaar?

Neem de Hervormde (Gereformeerde) Staatspartij van ds. C. A. Lingbeek, opgericht in 1921 door predikanten die behoorden tot de confessionele stroming binnen de Nederlandse Hervormde Kerk en zich niet meer thuisvoelden in de Christelijk-Historische Unie. Deze HGS werd in veel opzichten, en niet ten onrechte, beschouwd als de evenknie van de SGP. Door en door theocratisch, zeer beginselvast en fel antipaaps. De jeugdbeweging van de partij, de Jonge Geuzen, organiseerde zelfs optochtjes naar Den Briel; niet als tijdverdrijf, maar ter lering. Wat Rome tijdens de Tachtigjarige Oorlog had aangericht, kon ook gebeuren in de twintigste eeuw.

Toch verloor de HGS al in 1937 haar enige Kamerzetel. Ze maakte na de Tweede Wereldoorlog nog een doorstart in de Protestantse Unie, die in 1946 nog één keer meedeed aan de Kamerverkiezingen. Tevergeefs. Tot in de tachtiger jaren fungeerde de unie nog als studiecentrum; daarna was het over en uit. Hoe dat kon?

Een interessante verklaring voor deze teloorgang is gegeven door historicus dr. Koen Vossen, die behalve veel overeenkomsten vooral één groot verschil ziet tussen de HGS en de SGP. Beide hamerden op de noodzaak van een volksbekering, maar anders dan de HGS wierp de SGP zich in veel debatten ook op als de belangenbehartiger van een duidelijk te identificeren kiezersgroep. Voorman ds. Kersten speelde behendig in op de afkeer van bevindelijk-gereformeerde kiezers tegen een overheid die steeds verder hun leefsfeer begon binnen te dringen. Vissers en boeren vonden in hem hun spreekbuis, net als burgers met een afkeer van een vaccinatieplicht, verplichte sociale verzekeringen, een stemplicht en het vrouwenkiesrecht. Zo’n rol had de HGS niet.

Veel van de seculiere partijen die vanaf de jaren zeventig de kiezersmarkt opgingen met een omstreden anti-immigratiegeluid bleven eveneens hangen in een soort getuigenispolitiek: de Nederlandse Volks-Unie (NVU), opgericht in 1971 en de Centrumpartij (later Centrum Democraten, CD) van Hans Janmaat (opgericht in 1980).

De NVU bestaat formeel nog steeds, maar doet sinds 1982, na drie mislukte pogingen, niet meer mee aan Kamerverkiezingen. De CD werd in 2002 ontbonden en boekte in haar korte bestaan drie karige succesjes: één zetel in 1982 en in 1989 en drie in 1994.

Dat roept de vraag op waarom de LPF, die ook hengelde naar de anti-immigratiestem, het bij de verkiezingen van 2002 zoveel beter deed. Met 26 Tweede Kamerzetels was zij in dat jaar succesvoller dan de NVU en Janmaat ooit tevoren. Wat was het cruciale verschil met de NVU en de CD?

De LPF had na ”9/11” de wind in de zeilen. Haar imago was bovendien minder onfris. De partij keerde zich niet in de eerste plaats tegen de asielzoeker als persoon, maar tegen de islam als de ideologie die een bedreiging vormde voor de vrije, westerse cultuur. Dat sprak meer kiezers aan dan alleen de inwoners van een van kleur verschietende achterstandswijk.

Voorman Pim Fortuyn verbreedde bovendien handig de anti-immigratieagenda door zijn pijlen ook te richten op de wachtlijstproblematiek in de zorg en de overige „puinhopen van Paars”. Kortom, hij had de tijd mee en was meer dan Janmaat de tolk van het ongenoegen van het volk.

Na zijn dood kwam dé zwakke plek van zijn beweging alsnog aan het licht: door de snelle, chaotische start ontbeerde de LPF een goede partijstructuur. De nieuwe beweging ging al ruziënd ten onder. Datzelfde lot trof ook het Algemeen Ouderen Verbond (AOV); een in 1993 opgerichte ouderenpartij.

ANP-357631859_webProf. Voerman: SGP zit in overgangsfase

Strategische zet

Van een te overhaaste start of een te veel aan getuigenispolitiek was bij de Katholieke Volkspartij (KVP), de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU) geen sprake. Zij hielden op te bestaan, doordat ze opgingen in het CDA; een keus die later door meerdere partijen zou worden gemaakt.

In 1977 stond de naam van de nieuwe partij voor het eerst op het stembiljet bij de Tweede Kamerverkiezingen; de toen nog onofficiële fusiepartij wist 49 van de 150 zetels te bemachtigen. Een electoraal succes? Dat is maar hoe je het bekijkt. Om te beginnen moest de nieuwe politieke formatie de PvdA van Joop den Uyl (53 zetels) voor zich dulden. Bovendien, bij de Kamerverkiezingen van 1972 behaalden KVP, ARP en CHU 48 zetels. De electorale groei als gevolg van het fusieproces was dus niet spectaculair.

Opzienbarende groei kwam er ook niet, nadat op 11 oktober 1980 de officiële fusie een feit was geworden. Wél werd de electorale terugloop waarmee KVP, ARP en CHU na de Tweede Wereldoorlog kampten, voor langere tijd op zijn minst gestuit.

In 1994 bleek dat echter een tijdelijke prestatie toen de partij twintig van de 54 zetels verloor. In 2012 bereikte het CDA, toen onder leiding van Sybrand Buma, een dieptepunt van dertien zetels.

Waar KVP, ARP en CHU door hun fusie wél in slaagden, is dat ze bij de meeste kabinetsformaties niet konden worden genegeerd. Sinds haar oprichting zat het CDA gedurende vier decennia slechts drie keer in de oppositie.

Ook de Evangelische Volkspartij (EVP), de Communistische Partij van Nederland (CPN), de Politieke Partij Radikalen (PPR) en de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) fuseerden in 1990, en wel tot GroenLinks (toen nog mét spatie). Van deze partijen was de EVP het minst betekenisvol; de evangelischen waren slechts één periode in het parlement vertegenwoordigd. Voor de CPN waren de gloriedagen in 1990 ook voorbij. De partij, die in 1946 tien van de destijds nog honderd Tweede Kamerzetels wist te veroveren, moest in 1986 met lede ogen aanzien dat ze net te weinig stemmen haalde voor een zetel.

Wat leverde de fusie dit viertal, uitgedrukt in Kamerzetels, op? Bij de eerste Kamerverkiezingen waaraan de nieuwe politieke formatie deelnam, in 1989, sleepte GroenLinks zes zetels in de wacht. Dat was een verdubbeling van de score die de vier partijen bij elkaar in 1986 haalden.

Toch is het GroenLinks vooralsnog niet gelukt om het beste resultaat van de vier partijen bij elkaar –zestien zetels, in 1972– te verbeteren. Met 1972 als ijkpunt is stabilisatie ook voor de partij van Jesse Klaver grosso modo tot nog toe het maximaal haalbare gebleken.

Bijna twintig jaar geleden, in januari 2000, werd Nederland een kleine christelijke partij armer en een christelijke fusiepartij rijker. Toen ontstond de ChristenUnie uit een fusie van de Reformatorische Politieke Federatie (RPF) en het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV). Struikelblok in de samenwerking tussen de twee partijen was lange tijd de vraag of niet-vrijgemaakten tot de GPV konden toetreden, maar vanaf 1993 heette de partij deze kiezers expliciet welkom. Desondanks liet de samensmelting van de partijen nog enkele jaren op zich wachten.

In 1994 haalden de twee partijen samen vijf zetels. De ChristenUnie wist die score tot nog toe slechts een keer te overtreffen: in 2006 sleepte de partij zes zetels in de wacht. Momenteel zijn het er vijf. Wel draagt de partij op dit moment voor de tweede keer regeringsverantwoordelijkheid; iets wat voor GPV en RPF verre van aan de orde was.

Fusiebootje

De partij die als eerste de SGP kan onttronen als de oudste is de PvdA die inmiddels ruim 73 jaar bestaat. Dat kan gebeuren wanneer de SGP op termijn om enigerlei reden toch aanleiding zou zien ook in het fusiebootje te stappen. Is die kans reëel? Bovenstaande voorbeelden zullen de partij vermoedelijk niet al te zeer aansporen. Een fusie lijkt immers hooguit een stabilisering van het zetelaantal te kunnen bieden. De SGP kampt bovendien niet met een verlies van stemmen, zoals destijds vooral de KVP, en heeft ook geen zusterpartij naast zich die qua uitgangspunten en achterban zoveel op haar is gaan lijken dat samengaan wel een hele logische optie is.

Wat er moet gebeuren, zodat de vraag wel/geen fusie toch op de SGP-agenda belandt? Eigenlijk is dat op dit moment alleen voorstelbaar als de Nederlandse politiek ooit het rigoureuze besluit zou nemen om een behoorlijke kiesdrempel in te stellen van bijvoorbeeld 5 procent van de stemmen. Niet alleen de SGP maakt dan in haar eentje geen schijn van kans. Ook de CU heeft nog nooit 5 procent van de kiezers achter zich weten te krijgen.

Een fusie met die partij zou in dat scenario dus voor de hand liggen, maar momenteel is dat niet meer dan toekomstmuziek. Zowel voor de bijna twintigjarige CU als voor de ruim een eeuw oude SGP.

jlk_nov_01_2019_40SGP oudste politieke partij ooit: gratis stroopwafels op station

Lastige momenten

De SGP houdt al meer dan een eeuw stand, wel kende de partij sinds de start enkele lastige momenten die de mannenbroeders noopten de koers bij te stellen. Zes memorabele dossiers.

- Zuivering na WO II

De commissie Zuivering Staten-Generaal besluit na de oorlog dat partijleider ds. Kersten vanwege zijn houding tegenover de Duitsers niet mag terugkeren in de Tweede Kamer. Ook krijgt hij een verbod van tien jaar om als journalist aan de slag te gaan.

- Verdeeldheid in achterban

In de roerige jaren zestig van de vorige eeuw ontstaat ook in de SGP-achterban reuring. Die spitst zich in eerste instantie toe rondom de persoon van partijvoorzitter en Tweede Kamerlid ds. H. G. Abma. Zijn virtuoze taalgebruik wordt door de rechterflank van de partij niet gewaardeerd. Op enig moment krijgt hij het verwijt dat hij „een vijand van Gods volk” is.

De controverse leidt uiteindelijk tot de oprichting van de Landelijke stichting tot handhaving van de staatkundig gereformeerde beginselen. Een echo van deze verdeeldheid klinkt aan het begin van de jaren tachtig na, als er discussie ontstaat over de vraag of de hervormd-gereformeerde mr. G. Holdijk lijsttrekker voor de Tweede Kamerverkiezingen moet worden of ir. B. J. van der Vlies, die zich rekent tot de meer behoudende stroming rondom het blad ”Het gekrookte riet”.

- Vrouwenkwestie

Vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw tot 2013 voeren feministen rechtszaken tegen de SGP omdat die vrouwen het lidmaatschap en het actief kiesrecht ontzegt. Maar ook intern ontstaat er discussie. Uiteindelijk besluit de partij dat vrouwen volwaardig lid mogen worden. In maart 2014 treedt het eerste vrouwelijke SGP-raadslid aan.

- Mediabeleid

Sinds Kees van der Staaij in 2010 aan het roer staat van de SGP, is een aantal zaken opvallend gewijzigd. Allereerst het media-optreden. Meden SGP’ers vroeger televisiejournalisten, tegenwoordig zijn ze regelmatig te gast bij praatprogramma’s.

- Theocratisch denken

De partij neemt afstand van het woord theocratie. Ook legt ze een minder grote nadruk op artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis met daarin de 21 woorden over het weren en uitroeien van valse godsdiensten.

Anno 2019 spreken de staatkundig gereformeerden liever over Bijbels genormeerde politiek en aanvaarden ze de democratische rechtsstaat als uitgangspunt. Ook staat de partij sinds 2016 positiever tegenover godsdienstvrijheid dan vroeger. Vanaf de beginjaren bepleit de SGP gewetensvrijheid; tegenwoordig zegt de partij: ”Wel godsdienstvrijheid, geen godsdienstgelijkheid.”

- Gedoogpartner

In de jaren dertig van de vorige eeuw spreekt de toenmalige premier, Colijn (ARP), over het „opruiend vermogen” van SGP-voorman Kersten. In de loop der jaren verandert de toon. Zelfs zodanig dat premier Rutte (VVD) ten tijde van zijn eerste kabinet gedoogsteun zoekt bij de staatkundig gereformeerden. Ook anno 2019 stelt de SGP zich op als een constructieve oppositiepartij.