Ook Rutte treft inzake Teevendeal blaam

Premier Rutte, beeld ANP, Jerry Lampen.

Politiek is een hard bedrijf. Dat ondervond deze week ex-justitieminister Van der Steur, die donderdagavond na een hopeloos debat authentiek sniffelend het Binnenhof vaarwel zei.

Heeft de Warmondse kasteelheer zijn lesje geleerd? Op één punt wel, zo onderstreepte hij in het Kamerdebat. Als het gaat om die omstreden maandag, 9 maart 2015, toen hij als VVD-Kamerlid intensief meeschreef aan een brief aan de Tweede Kamer –waaruit door zijn toedoen een cruciale passage werd weggelaten–: „Daar had ik mee nooit mee mogen bemoeien.” En: „Ik had daar, op dat ministerie, helemaal niet mogen zijn”.

Mooi gesproken, meneer Van der Steur. Want als er iets strijdt met het belangrijke staatsrechtelijke ideaal van het dualisme, dan is het dat wat u gedaan hebt. Kamerleden, ook die van de coalitie, moeten het kabinet controleren, niet de eigen partij uit de wind houden. Wie als parlementariër op de stoel van een minister gaat zitten, maakt zich schuldig aan laakbare rolvervuiling. In feite schrijft zo iemand een brief aan zichzelf. Foute boel, foute boel.

Toch past enige achterdocht als politici lessen gaan trekken uit het verleden. Leert de geschiedenis niet vooral dat de mens niets leert van de geschiedenis?

Die wijsheid gaat in het bijzonder op voor de mythe van het dualisme. Jazeker, er zijn uit het verleden voorbeelden bekend dat fracties of Kamerleden van een coalitie dapper hun eigen overtuiging volgden en zich onbekommerd tegen ‘hun’ kabinet keerden. Dat gebeurde bijvoorbeeld in februari 1972 na het roemruchte Kamerdebat over de Drie van Breda. Justitieminister Van Agt wilde hun gratie verlenen. Nee, zei een ruime Kamermeerderheid, dat gaat niet gebeuren. En de oorlogsmisdadigers Kotälla, Fischer en Aus der Fünter bleven gewoon gevangenzitten.

Er zijn ook recentere voorbeelden. Zoals het in december 2014 in de Senaat verworpen plan van minister Schippers (VWS) om de zogeheten vrije artsenkeuze uit de Zorgverzekeringswet te schrappen. Dat steunen we onder geen beding, zeiden de drie PvdA-senatoren Duivesteijn, Linthorst en Ter Horst. Waardoor het plan, om met oud-minister Remkes te spreken, „geprullenbakkeerd” werd. En Rutte II in een crisis belandde.

Dat laatste geeft meteen aan waarom het dualisme uiteindelijk maar zelden consequent is toegepast. Veel te gevaarlijk! Want natuurlijk was KVP-leider Schmelzer in 1966 het prototype van een dualist, maar de nacht van Schmelzer leidde wel tot de val van het kabinet-Cals, waarna de KVP bij de daaropvolgende Kamerverkiezingen acht van haar vijftig zetels moest inleveren.

En natuurlijk getuigde het van dualistische koelbloedigheid dat VVD-leider Voorhoeve –vaak afgeschilderd als een in de politiek verdwaalde professor: Joris Drietitel– in 1989 CDA-premier Lubbers durfde weerstaan in de kwestie van het reiskostenforfait. Maar Lubbers II viel, en de VVD zakte van 27 naar 22 Kamerzetels.

Ja, lessen trekken uit het verleden is prachtig, maar laten we het vooral realistisch en haalbaar houden. Als het daarover gaat, viel donderdag op dat het kabinet een van de meest voor hand liggende lessen juist níét trok.

Gevraagd hoe hij als „de baas van het spul” nu eigenlijk oordeelde over het optreden van zijn justitieminister antwoordde Rutte boud dat hij Van der Steur nog altijd „een goede jurist en een geschikte minister van Veiligheid en Justitie” vond. Om daar bovendien aan toe te voegen: „Ik zou hem zo weer benoemen.”

Eh..., zó wéér benoemen? Zou de eerste les uit deze affaire niet moeten zijn dat je een Kamerlid dat zo nauw betrokken is bij het dossier waarover de vorige bewindsman is gestruikeld, nooit tot minister op datzelfde departement moet promoveren?

Bijna zou je een premier die dit niet inziet, toeroepen wat toeschouwers begin jaren negentig vanaf de publieke tribune het zeer monistisch opererende CDA-Kamerlid Leers toeriepen tijdens een debat over de Betuwelijn: „Hard-leers! Hard-leers!”