”Lijk in de kast” kán minister fataal worden, maar dat hóéft niet

Ank Bijleveld, beeld ANP, Bart Maat.
2

Het scheelde weinig of defensieminister Bijleveld ging deze week onderuit. Bijna gleed zij uit over een banenenschil die voorgangster Hennis had laten vallen. Maar zou dat eerlijk zijn geweest?

Ternauwernood overleefde minister Bijleveld dinsdagavond een motie van wantrouwen. Het is dat naast de coalitie ook onafhankelijk Kamerlid Van Haga alsmede de SGP haar bleef steunen. Anders had deze politieke routinier als bewindsvrouw op Defensie het loodje gelegd.

Wat nam GL-Kamerlid Diks, indiener van de motie van wantrouwen, haar kwalijk? Heel eenvoudig: dat het kabinet de Kamer –de bekende politieke doodzonde– „ontijdig, onvolledig en onjuist” had geïnformeerd over tientallen burgerdoden die in 2015 in het Syrische Harija zijn gevallen door een aanval met een Nederlandse F-16.

Dat de eigenlijke fout in deze zaak door Bijlevelds voorgangster, de VVD’er Hennis, is begaan, maakte voor Diks niet uit. En voor niemand in de Kamer. De redenering was simpel: Hennis meldde in 2015 dat er bij Nederlandse operaties in Syrië „geen burgerslachtoffers” waren gevallen. Dat klopte niet. En Hennis wíst dat het niet klopte. Dat mag Bijleveld nu aangerekend worden.

Maar is dat eigenlijk reëel? Ja. Aan het Binnenhof, zoals ook in een provincie- of gemeentebestuur, moet door de controlerende macht altijd iemand aansprakelijk gesteld kunnen worden voor gemaakte fouten. Als dat missers betreft van een vorige wethouder, gedeputeerde of minister, zal zijn of haar opvolger daarover verantwoording moeten afleggen, ook al valt hem of haar dit falen niet persoonlijk te verwijten.

Geen wonder dat elke nieuwe bestuurder met rode oortjes zijn overdrachtsdossier leest, speurend of hij niet ergens een ”lijk in de kast” aantreft. Een lijk dat soms, tot schade van de bestuurder, over het hoofd wordt gezien.

Rest de vraag of een bewindspersoon die de pech heeft met een irritante erfenis te worden geconfronteerd, ook altijd moet aftreden? Nee, niet per se.

Om te beginnen kent de Nederlandse parlementaire geschiedenis geen voorbeelden van bewindslieden die moesten aftreden lóúter vanwege dit feit. Wie het proefschrift van Anne Bos, ”Verloren vertrouwen. Afgetreden ministers en staatssecretarissen, 1967-2002”, doorbladert, komt wel gevallen tegen waarin fouten van voorgangers mééspeelden.

Zo struikelde CDA’er Van der Linden, staatsscretaris van Buitenlandse Zaken, in 1988 over de zogeheten paspoortaffaire. Hij werd door de Kamer aangesproken op de wat lakse houding van zijn voorganger, VVD’er Van Eekelen. Maar dat was niet het enige. Wat hem bovendien nekte, was dat Van Eekelen, inmiddels minister van Defensie geworden, nu vanwege het paspoortengedoe het veld moest ruimen. In die context werd ook van het CDA een offer gevraagd: de scalp van Van der Linden.

Nu weer terug naar de vraag: moet iemand wiens voorganger de Kamer voorloog altijd vertrekken? Nee, want zelfs als hijzélf de Kamer fout informeerde, hoeft hij niet per definitie weg.

De ministeriële verantwoordelijkheid houdt niet in dat een bewindspersoon na een schuiver automatisch z’n biezen moet pakken, maar dat hij door het parlement altijd aanspréékbaar is. Wat van een gemaakte fout het uiteindelijke gevolg is, zal door de Kamer per geval beoordeeld moeten worden.