Liberalen verliezers van pacificatie

Vrijheid van onderwijs
Het kabinet-Van der Linden. beeld via Wikimedia
4

De liberalen zijn de grote verliezers van de pacificatie die precies een eeuw geleden tot stand kwam, zegt een VVD’er. Reformatorische scholen zijn de enige die nog echt werk maken van hun identiteit, aldus een D66’er.

Woensdag was het op de dag af honderd jaar geleden dat de Eerste Kamer akkoord ging met een wijziging van de Grondwet die financiële gelijkstelling tussen het openbaar en het bijzonder onderwijs regelde. Ook maakte de wijziging algemeen mannenkiesrecht mogelijk en mochten vrouwen op kieslijsten staan. Het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis, het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (HDC) en het Katholiek Documentatie Centrum (KDC) organiseerden woensdag in diezelfde vergaderzaal van de Eerste Kamer een congres om stil te staan bij deze mijlpaal in de Nederlandse politiek.

Met de aanvaarding van de grondwetswijziging kwam er een eind aan de schoolstrijd die de Nederlandse samenleving in de decennia daarvoor diep verdeelde. Patrick van Schie, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de VVD, stelde in zijn speech dat de liberalen tegen bijzondere scholen waren omdat ze graag zagen dat kinderen niet vanuit een bepaald standpunt onderwijs ontvingen. Verder bracht het bijzonder onderwijs de nationale eenheid in gevaar. Van Schie: „De liberalen wilden geen hokjesgeest en noemden de bijzondere scholen sektescholen.”

Dat ze er uiteindelijk toch mee akkoord gingen, was omdat de liberale maar partijloze premier van die tijd, Cort van der Linden, zag dat de schoolkwestie „een wig” dreef in de samenleving, zo memoreerde prof. dr. R. Kuiper, ChristenUniefractievoorzitter in de Eerste Kamer.

De liberalen wilden graag het algemeen kiesrecht voor mannen realiseren. Dat was ook onderdeel van de deal. Van de confessionelen hoefde die uitbreiding niet. Prof. dr. G. Harinck, directeur van het HDC, wees erop dat tot in de jaren dertig van de vorige eeuw in het verkiezingsprogramma van de AR stond dat de partij voor het organisch kiesrecht was, waarbij de man namens het gezin een stem uitbracht.

Onderdeel van de pacificatie was ook het verdwijnen van het districtenstelsel, waarbij alleen diegene een plaats kreeg in de Tweede Kamer die de meeste stemmen in zijn district behaalde. In plaats daarvan kwam het huidige stelsel van evenredige vertegenwoordiging, waarbij alle uitgebrachte stemmen meetellen bij de zetelverdeling.

Oud-minister en hoogleraar Hirsch Ballin noemde de pacificatie „een stille revolutie.” In veel andere Europese landen woedden in het begin van de 20e eeuw oorlogen, maar in Nederland is door middel van de pacificatie feitelijk een nieuwe orde gerealiseerd. De aanvaarding van het algemeen kiesrecht en de evenredige vertegenwoordiging betekenden „de aanvaarding van verscheidenheid.”

Diverse inleiders stelden woensdag dat de liberalen eigenlijk de grote verliezers waren van de pacificatie. Van Schie haalde een liberaal aan die stelde dat de pacificatie het openbaar onderwijs „leegpompte.” In 1910 ging nog ruim 60 procent van de kinderen naar het openbaar onderwijs, in 1940 was dat aandeel gedaald tot 30 procent.

Maar niet alleen op het punt van het onderwijs leden de liberalen een verlies; ook op het gebied van het kiesrecht. Want door de vernieuwingen in het kiesstelsel kregen de confessionelen veel meer vertegenwoordigers in de Tweede Kamer.

Prof. Schnabel, D66-senator, wees erop dat de pacificatie een enorme stimulans was voor de verzuiling in zorg, media en onderwijs. Van de institutionele verzuiling is volgens hem nauwelijks iets over. Alleen in het onderwijs is er nog een aantal kleine zuilen aanwezig.

Als voorzitter van een commissie die moest adviseren over het onderwijs in 2032 bezocht Schnabel de afgelopen jaren veel scholen. Hij stelde gisteren dat „alleen in reformatorische kring de christelijke identiteit nog een thema is.”

Toch oordeelde de D66’er niet negatief over de opkomst en ondergang van de zuilen. „Het leidde tot een breed maatschappelijk middenveld met professioneel bestuur en maatschappelijk toezicht.” Schabel vindt het „interessant” hoe Nederland de vorm telkens weet aan te passen aan de veranderde omstandigheden: „Of we dat nog eens honderd jaar kunnen volhouden, weet ik niet.”